Dorp

Zaterdagmorgen, vroeg, ik loop de deur uit en kijk over de boten in het jachthaventje. De verscheidenheid in de dobberende schepen. Sommigen imposant, anderen koddig, maar allemaal de trots van hun eigenaar. Achter de haven strekt de polder zich uit, er is een enkel boerenbedrijf gevestigd.  Ik loop het straatje uit en sla rechtsaf, richting het dorp. Daar is de dame gevestigd die al sinds jaar en dag mijn haren verft in de meest uiteenlopende kleuren. De meeste klanten zijn inmiddels vertrouwd, haar hondje weet precies waar hij snoepjes kan scoren en bij wie hij straffeloos op schoot kan kruipen. Het is alsof je bij een heel goede kennis op bezoek gaat.

Niet dat er veel gebeurt, in ons dorp. Het is een slaperig onderdeel van een suf stadje. Veel mensen zouden er nog niet begraven willen worden. Maar ik vind het er heerlijk. Ik heb niks met de echte dorpelingen te maken, ik woon aan de rand. Als ik de drukte wil opzoeken, ben ik in een kwartiertje in een ‘echte’ stad. Oké, ik moet nadenken als ik boodschappen ga doen. Als ik iets vergeten ben, kan ik met een diepe zucht de hele reis opnieuw ondernemen. Ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die denken “nou nee, mij niet gezien, zo’n saai dorp.” En inderdaad, er zijn best wel nadelen. Iedereen kent iedereen en iedereen weet ook wat te vertellen over iedereen. Ik maak me geen illusies, als mensen tegen mij over anderen praten, praten ze ook tegen anderen over mij. 

Je leest soms berichten in de krant over mensen die zijn overleden zonder dat dit door iemand is opgemerkt. Die in volledige eenzaamheid in hun huis zijn gestorven. Ik weet zeker dat de nieuwsgierigheid van de mensen in een dorp dit merendeels voorkomt. De buren houden elkaar in de gaten. Maar ze kennen in ieder geval elkaars naam. Hoe vaak komt het niet voor dat bewoners van een enorm appartementengebouw elkaar in de lift tegenkomen en zwijgend naast elkaar staan. Niet wetende of ze naast een medebewoner staan of naast een gast. Er wordt amper gesproken, een groet kan er nog net van af.

Zeker, een dorp heeft zijn nadelen. Er is geen hippe uitgaansgelegenheid, je vindt er geen echt moderne winkels. Maar je hebt er nog wel de ruimte. Niet iedereen zit op elkaar gepakt. Je kunt er tenminste nog ademhalen.

Verdraagzaamheid

Kamperen in het hoogseizoen is een sport apart. Het voor- en naseizoen kenmerkt zich door rust. Mensen laten elkaar met rust en iedereen in zijn waarde. Maar het lijkt wel of in het hoogseizoen de drukte zorgt voor kortere lontjes.

Onze hond, zoals bekend, is een enthousiasteling. Hij snapt niet dat er mensen zijn die hem niet leuk vinden. Omdat wij dat wel snappen, proberen wij hem zo goed mogelijk bij deze mensen uit de buurt te houden. Tenslotte hebben zij ook vakantie. Maar af en toe wil hij toch wel eens even gedag gaan zeggen. Zo ook op die prachtige dag met Hemelvaart. Alle bekenden waren al begroet, alleen die overbuurman nog niet. We kenden de mensen niet dus ik liep er al achteraan. En ja hoor “mevrouw, ik heb het niet op honden.” Geduldig legde ik uit dat Stef hem alleen maar wilde begroeten en dat ik er voor zou zorgen dat hij op ons eigen plekje zou blijven. Alsof Stef dit had gehoord en het er niet mee eens was, liep hij nog een kwartier later weer naar de overkant. Deze keer had de meneer zich goed voorbereid. Gewapend met het campingreglement liep hij op me toe. Hij hield het blad 10 centimeter voor mijn neus en vinnigde “honden moeten vast, dat staat in het reglement.” Ik moest mijn best doen om niet hoorbaar te zuchten. “Meneer, ik begrijp wat u bedoelt en ik zal Stef bij ons houden, maar ik ga hem niet vast doen. Hij zit nooit vast.”  

Dit was duidelijk niet het antwoord dat de man voor ogen had. Regels zijn regels, daar dient ieder zich aan te houden. Zelf had hij ook alles volgens de voorschriften neergezet. Caravan keurig, auto exact op zijn eigen plaats. Hij verwachtte duidelijk excuses en een grote halsband voor de hond.

Ik wilde de zaak niet op de spits drijven maar vertelde hem nog een keer duidelijk dat ik Stef niet vast ging leggen. Naar wat hij verder vertelde heb ik niet meer geluisterd, ik ben met hond en al weggelopen. Gelukkig is Stef een slimme hond en is hij verder niet meer bij de overbuurman gaan kijken.

Ik weet wel, strikt genomen heeft hij gelijk. Maar wij houden Stef altijd goed in de gaten en normaal gesproken blijft hij echt bij ons. En ik durf te zeggen dat onze overbuurman meer last heeft gehad van de hond van zijn buren. Die lag keurig vast, maar wel de hele dag te blaffen.

 

 

Vakantie

Zo tegen de zomer beginnen de vakantiekriebels weer om zich heen te grijpen. Mijn lief en ik hebben ook al plannen gemaakt. Wij zijn geen wereldreizigers maar houden ervan een aantal weken per jaar, dat hoeft niet aaneensluitend, op ons gemak te genieten van een andere omgeving, lekker eten en relaxed een glaasje drinken.

Dat doet me gelijk terugdenken aan de zomervakanties van vroeger. Als kind leken de schoolvakanties in de zomer eindeloos. Zes weken niet naar school, er leek geen eind aan te komen. Ook mijn ouders waren niet van die reizigers dus wij gingen dagtrips maken. Met twee volwassenen en drie kinderen op pad in de Simca 1000 van mijn vader. Kinderzitjes, nooit van gehoord, zelfs de autogordels ontbraken op de achterbank. We hadden ook geen Playstations of dvd-spelers in de hoofdsteunen, wij deden ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’. “Nee, we zijn er nog niet.”

Mijn moeder pakte een grote tas in met broodjes en appels. Een thermoskan koffie voor mijn vader en haarzelf, pakjes drinken met een rietje voor ons kinderen. We zongen liedjes en bezochten pretparken en dierentuinen. ’s Avonds waren we moe en voldaan en sliepen heerlijk in ons eigen bed. 

Natuurlijk waren we wel eens jaloers op kinderen die met hun ouders een paar weken naar het buitenland gingen. Die hadden grote verhalen over alle avonturen die zij hadden beleefd. Wij waren thuisgebleven, hoe saai was dat.

Eén keer gingen we een week naar zee. Weken van tevoren waren we al zenuwachtig. Wat moesten we allemaal meenemen. Badkleding, badhanddoeken, we gingen heerlijk naar het strand. Helaas ben je in Nederland niet zeker van het weer en was mijn moeder na drie dagen regen en ‘mens-erger-je-niet’ spelen het zo beu dat ze aankondigde dat we morgen naar huis gingen. Wij kinderen protesteerden luidkeels maar ze was onvermurwbaar. De dag erna stonden we allemaal onder een warme douche en bedachten dat dat toch wel beter was dan kou lijden onder een paar piesstraaltjes in een hokje dat in de zomer niet verwarmd werd. De week erna gingen we met de bus naar Phantasialand. Op een bloedhete dag, want natuurlijk was het weer na onze thuiskomst omgeslagen en vielen de mussen voor wekenlang van het dak.

Toch heb ik geen slechte herinneringen aan onze zomers. Ze waren misschien niet zo spannend maar we leerden wel hoe wel onszelf konden vermaken. Ik ondernam met mijn zussen fietstochten door de velden rondom het dorp waar wij woonden. In onze fantasie beleefden we de meest prachtige avonturen. Helaas zijn al die polders en weilanden volgebouwd en mogen kinderen niet meer zonder begeleiding zo ver van huis. Ik kan er met weemoed aan terugdenken.

 

Longontsteking

Het vreemde is dat echt bijna alles went. Ik merkte het vanmiddag weer. Mijn telefoon ging en het schermpje melde dat het een “privé nummer” was. Dat maakt me altijd een beetje achterdochtig want meestal zijn dat mensen die je iets willen verkopen. En dan het liefst zaken die je echt helemaal niet nodig hebt. Maar goed, soms heb ik een welwillende bui dus ik beantwoordde de oproep. “Goedemiddag”, klonk een opgewekte stem “u spreekt met huppelepup van de Spoedeisende Hulp Tweestedenziekenhuis.” Normaal gesproken toch geen instantie die je graag aan de lijn krijgt. Maar als je schoonvader een abonnement op het ziekenhuis heeft, raken sommige dingen normaal.

En inderdaad, pa was weer opgenomen, met longontsteking. Ik bedacht wat ik die middag nog moest doen en vroeg aan de vriendelijke stem of het levensbedreigend was. “Neuh”, zei die, “dat denk ik niet, hij is behoorlijk ziek maar het gaat alweer iets beter met hem.”

“Dus hij hoeft niet naar de IC?”

“Nee hoor, hij mag straks gewoon naar de afdeling. Ik hou u wel even op de hoogte en bel wel wanneer hij zover is.”

“Gelukkig”, zei ik, “dan kom ik hem zo snel mogelijk vanavond opzoeken.”

Ik belde mijn man om hem het nieuws te vertellen. “Alweer?”, was zijn behoorlijk nuchtere antwoord. Ook hij was niet heel erg onder de indruk.

Natuurlijk zijn we ’s avonds gelijk naar het ziekenhuis gegaan. Pa was diep in slaap, moe van alle lotgevallen en de koorts. Een vriendelijke verpleegster stond ons te woord. Pa was al weer wat opgeknapt, ze hadden hem zuurstof en antibiotica gegeven en nu was het een kwestie van afwachten. Waarschijnlijk zou met een week het leed wel weer geleden zijn. Ze maakte pa wakker. Die wist even niet waar hij was en welke dag het was, zo diep had hij geslapen. Nadat hij wat water had gedronken, wisten we hem er van te overtuigen dat hij echt pas een halve dag was opgenomen.

We verlieten het ziekenhuis met een hele lijst opdrachten. Er moesten zaken opgehaald worden en afspraken afgebeld worden. Oh, en we moesten ook zijn telefoon meebrengen, dan kon hij de familie bellen. Het komt wel goed met pa. Gelukkig.

 

Einde van een tijdperk

Ome Jan is overleden. Het zegt de meesten niets maar voor ons is het het einde van een tijdperk. Ome Jan, de echtgenoot van een zus van mijn schoonmoeder. Een eigenwijze boerenmens, prachtig in zijn soort. Een man die zijn gezin bestierde als een heerser, rechtvaardig, maar zijn wil was wet.

Voor ome Jan was het leven betrekkelijk eenvoudig. Wat hij niet begreep, schoof hij terzijde. Op zondag ging hij naar de kerk en dronk daarna zijn borreltje. ’s Middags, na zijn dutje, schoffelde hij het snijbonenbed en haalde het onkruid tussen de andijvie vandaan. De moestuin stond er altijd tiptop bij. Ik heb een keer in mijn onschuld verteld dat ik hield van andijvie. Hij vroeg de autosleutel en bij thuiskomst, toen ik dacht een kropje andijvie uit de kofferbak te halen, bleek deze volledig afgevuld. Zelfs mijn moeder, van huis uit niet bang voor wat groenten in de vriezer, schrok van de hoeveelheid. Ik geloof dat we voor een heel jaar genoeg hadden. Voor de hele familie.

Hij was ook super gastvrij. Als je langskwam, moest je koffie drinken, een drankje nemen en zeker ook mee-eten. “Nee” was geen antwoord, gewoon aanschuiven en naar de verhalen luisteren.

Verhalen over vroeger, zijn tijd als kolenboer en boerenzoon. Een mooi leven, altijd buiten. Dat was hem ook aan te zien, grote verweerde handen, een gezicht dat getekend was door de buitenlucht. Een mooie man. En dan niet op de manier van de modellen die tegenwoordig als mannelijk doorgaan terwijl zij een parfum aanprijzen. Gewoon, zonder opsmuk, haar gekamd en klaar.

Wel een ouderwetse man. Tante Sjaan zorgde voor het eten en het huishouden, ome Jan zorgde voor het inkomen. Samen vormden zij een hecht team. Zo’n huwelijk waar je onbewust een beetje jaloers op bent. Zo vervlochten met elkaar. De verhoudingen waren helder en duidelijk, ieder zijn eigen taak. Hij droeg zijn vrouw op handen, zij verzorgde haar man tot in de puntjes en op zijn tijd hadden ze verhitte discussies. Meestal over de kinderen, waarvan hij vond dat zij ze te veel verwende.

Op een gegeven moment trok ome Jan zich meer en meer terug. De familie vond het af en toe vreemd en vroeg zich af wat hij mankeerde. Daar praatte hij nooit over, dat gaf geen pas. Hij wilde ook niet dat er een dokter werd ingeschakeld. Dan zou hij misschien zijn huis wel moeten verlaten. En dat was onbestaanbaar. Hij was er getrouwd, hij wilde er ook sterven.

En dat is nu gebeurd. Hij is in zijn slaap heengegaan. Rustig, te zien aan de houding waarin hij altijd sliep. Zonder iemand wakker te maken, zonder iemand lastig te vallen. Zoals hij altijd alles deed. Op zijn eigen, eigenwijze manier.

 

 

 

 

 

 

Gewoon gezellig

oude klok

We hoorden zijn stem al op de gang van het seniorencomplex waar hij woont. Het feest was in volle gang. Gelukkig hadden we nog extra voorraad meegebracht zodat pa zeker niet zonder drank en versnaperingen zou komen. Het was tenslotte zijn verjaardag. Geen kroonjaar of bijzondere gebeurtenis, gewoon gezellig, wat familie en kennissen.

Natuurlijk voerde pa het hoogste woord. Gezeten in zijn relaxfauteuil, door ons steevast zijn elektrische stoel genoemd, overzag hij het gezelschap. Er zat voor 1000 jaar binnen en het maakte voor nog meer jaren geluid. De verhalen over vroeger waren niet van de lucht. En ja hoor, gelukkig, daar was hij ook weer. Piet van Kees van Jaap van Jantje.

“Die ken je wel.”

“Nee pa, omdat je het verhaal al tien keer hebt verteld, wil dat niet zeggen dat we die kennen.”

“Oh.”

Wat pa er niet van weerhoudt het verhaal nog een keer in geuren en kleuren te vertellen. De persoon in kwestie kennen we niet, het verhaal woordelijk. 

Ik maak me nuttig en sleep met advocaatjes met slagroom, biertjes en borreltjes. Pa is een van de weinigen die de Melba Toast steeds trouw is gebleven. De dunne crackertjes zijn nog altijd van karton en smakeloos. Maar op de een of andere manier horen ze er toch bij. Hij is zich wel te buiten gegaan aan krabsalade en preparé. Het is niet uit gierigheid dat hij zo merkentrouw is. Hij maant zijn gasten ook continue om iets te eten. En eerlijk is eerlijk, mensen komen ook graag bij pa. Hij is op zijn eigen wijze enorm gastvrij.

De avond vliegt om. Ik luister graag naar de anekdotes. Natuurlijk worden ze in de loop der jaren steeds fantastischer, maar dat alleen al is prachtig om te volgen. Het gezelschap lacht ook daverend om de eigen herinneringen. Belevenissen uit de tijd dat ze allemaal nog jong en vitaal waren. En niet in de genoemde hoek van 90 graden over de rollator gebogen de krabbenloop beoefenden. Ze maken ook niet zo veel meer mee, in het seniorencomplex, dus wordt er al makkelijk teruggegrepen naar “vroeger”. Gelukkig zijn het niet de mensen die vinden dat vroeger alles beter was. Al zijn er wel een paar zo eerlijk om toe te geven dat ze het niet meer bij kunnen houden. Maar dan mag, als je 85 bent.

Tevreden gaan we ’s avonds weer naar huis. De afwas is gedaan, pa hoeft alleen zijn eigen glas nog maar op te ruimen. Maar hij neemt nog een borreltje voor hij gaat slapen. Hij heeft het verdiend, tenslotte heeft hij weer een heel nieuw jaar voor de boeg. Ik hoop dat we het weer samen tot een succes kunnen gaan maken.

 

 

 

 

Hoofdpijn

Het gaat vaak heel lang goed. Dan heeft hij bijna geen hoofdpijnaanvallen en vermindert hij ook zijn medicatie. Zou het dan over zijn, zou dat kunnen. Een enkele aanval, maar dat is best te doorstaan. Dat weegt zeker op tegen de bijwerkingen van de medicijnen. Heel voorzichtig krijgt hij hoop. Het kan, dat heeft hij gehoord, sommige mensen hebben er jaren geen last van. Dat zou toch geweldig zijn, niet die verzengende pijn, niet die vreselijke vermoeidheid na een nacht vol hoofdpijn. Er is nog altijd geen afdoende remedie tegen Clusterhoofdpijn. De oorzaak is nog steeds niet vastgesteld dus artsen weten niet wat ze er tegen kunnen doen. Er wordt wel gezocht maar er zijn niet zo heel veel mensen die lijden aan deze aandoening. Dus het staat niet bij iedere neuroloog hoog op de lijst.

En dan, vaak als het weer omslaat, slaat ook de hoofdpijn weer toe. Gebroken nachten met vier, vijf aanvallen. ’s Morgens weer in slaap vallen boven zijn koffie, hij sleept zichzelf door de dag. Zo moe, zo moe. En hij wil het niet verpesten voor zijn omgeving, tenslotte kunnen anderen er niks aan doen. Hij probeert vrolijk overal mee naar toe te gaan maar eigenlijk zou hij het liefste in zijn bed kruipen. Maar je kunt niet je hele leven verslapen dus hij bikkelt voort.

Soms geeft hij toe, hij moet wel, en gaat naar bed. “Effe een tukje”, roept hij vrolijk. Sommigen in zijn omgeving denken “zo, zomaar overdag”. Anderen weten beter en hopen dat hij een beetje kan uitrusten. Het zijn niet alleen de gebroken nachten, een aanval van Clusterhoofdpijn put je uit tot op het bot. Zeker als het aanvallen zijn waarbij de schaduwpijn uren blijft hangen.

Toch maar weer aan de medicatie, het is niet anders. Weer leven met een verminderd energielevel. Net doen of er niks aan de hand is. En hopen op een volgende rustige periode. Misschien dat die dan langer duurt.

 

 

Bijgeloof

Wij Nederlanders zijn een nuchter volk. Althans, dat pretenderen we te zijn. Natuurlijk hebben wij ook onze bijzonderheden. Zo heb ik gehoord van een sportman die een geluks-onderbroek heeft en zijn er mensen die van zichzelf niet op de lijntjes van tegels mogen trappen. Dat is echt, ik heb een collega gezien die zich in bochten moest wringen om ’s middags te gaan lunchen.

Toch kan het altijd erger. Zo wordt mijn oud-collega in Gambia, Marijke is haar naam, al een tijd geconfronteerd met jonge mensen die denken dat zij bezeten zijn door een duivel. Een vreemde entiteit die hen aanvalt. Zij krijgen opdrachten en als zij die niet uitvoeren, vallen zij flauw, gaan schuimbekken en reageren niet meer op prikkels van buitenaf. Marijke, met haar nuchtere Hollandse opvoeding, staat machteloos.

Zij ziet dat de aanvallen echt zijn. Tenslotte krijgt een mens niet op commando het schuim rond de mond. Maar wat te doen. Er moet omzichtig gehandeld worden. Je kunt niet als Nederlandse zeggen “kom op joh, stel je niet aan.” Dat werkt misschien in het nuchtere Tietjerksteradeel, maar niet in Gambia. Daar liggen de roots toch ietwat anders.

De mensen hebben veel vertrouwen in Marijke, zij helpt hen immers waar zij kan, dus komen zij bij haar om raad. Marijke probeert met de zgn. bezetenen te praten. Het is niet dat dit ‘domme’ mensen zijn, ook jonge vrouwen met een sterke wil voelen zich bevangen door dit bijzondere fenomeen. Marijke probeert hen serieus te nemen en niet te lachen. Tenslotte hebben wij allemaal The Excorcist gezien. Ook Marijke heeft proberen te doorgronden hoe het mogelijk was dat Linda Blair haar hoofd 360 graden om kon draaien. Maar zij weet ook dat als je gaat lachen, mensen al heel snel afhaken. Bovendien heeft zij als Reikimaster veel ervaring met zaken waar de meeste mensen niks van snappen. Zij heeft alleen nooit kunnen bevroeden dat er ooit op deze wijze een beroep zou worden gedaan op haar wijsheid. 

Bijgeloof is krachtig. Je kunt nog zo vaak zeggen dat het niet bestaat, aanhangers zullen je niet geloven. Misschien zijn de geloven die wij accepteren als ‘echt’, in de ogen van anderen wel net zo dubieus als de geloven die wij classificeren als bijgeloof. Wie bepaalt wat echt is en wat niet. Waarom is een aanhanger van Luther of van de Katholieke kerk minder bijgelovig als een mens die gelooft in de krachten van de goden van de natuur. Ik weet het niet. Ik ben katholiek opgevoed maar ik heb alleen maar ontzag voor de macht van diezelfde katholieke kerk. Hoe is het mogelijk om zoveel mensen er van te overtuigen dat ze moeten leven naar jouw maatstaven. Ik lees de bijbel als een prachtig avonturenverhaal. En stel kritische vragen.

Helaas zijn er tegenwoordig ook veel mensen die vergeten kritisch te zijn. Die accepteren wat hen wordt verteld als zijnde waarheid. Mensen die niet zelf nadenken. Soms zien we hun commentaren voorbij komen op Social Media, wat op zich redelijk onschuldig is. Maar helaas wordt geloof ook vaak misbruikt voor het plegen van misdaden. Er zijn heel veel moorden gepleegd in de naam van God. Of zou dat toch die entiteit uit Gambia zijn?

 

 

 

 

 

 

 

  

Hoog risico

InstagramCapture_c934307f-35fb-4fa3-bf40-12276a61a680.jpg

Het ras waartoe onze hond behoort, staat op de zgn. HR lijst. Dit is een lijst van honden die een hoog risico vormen. Ik zeg bewust “het ras”, want honden met een zuivere stamboom, zoals Stef die heeft, vormen een uitzondering. Deze honden zijn met zorg gefokt, door toegewijde mensen die het geweldige ras een warm hart toedragen en helemaal niets met verkeerde praktijken te maken willen hebben. Die honden worden dan ook niet gezien als hoog risico. 

Helaas gaat niet iedereen zorgvuldig om met een Stafford. Stef ligt altijd heerlijk in het gras en kijkt voornamelijk loom en lui wat er voorbij komt. Zo ook het gezelschap met een mooi gestroomd Staffordje. Hé, dacht Stef, een soortgenoot, laat ik eens even gaan kijken. De dame die de hond aan de lijn had, brak uit in regelrechte paniek. “Haal die hond weg, dat gaat fout, alsjeblief haal die hond weg.” Natuurlijk riepen wij Stef tot de orde en de twee honden keken elkaar een beetje overbluft aan, wat was er nou aan de hand? De dame wist van geen wijken. “Hoe wij het in ons hoofd haalden Stef zo te laten liggen, als hij een getraumatiseerde hond tegen kwam wist je nooit wat er ging gebeuren.” Helaas heb ik maar twee echte triggers die mij in woede doen ontsteken. Kom niet aan mijn man en niet aan mijn hond. Ik heb de dame in kwestie dus meegedeeld dat als zij haar hond niet vertrouwt, zij dit niet op ons moet afreageren. Wij houden Stef altijd in de gaten maar vertrouwen hem wel. Een getraumatiseerde Stafford moet je naar mijn mening nergens mee naar toe nemen, dat blijft altijd een gevaar. Maar verpest het niet voor de Staffords die wel een voorbeeld zijn voor het ras. En dat op heel hoge toon en scherpe bewoordingen. De dame in kwestie droop af met de staart tussen de benen.

Een dag later kwamen er twee andere mensen voorbij. Weer dacht Stef, laat ik eens gaan kijken. Het blijft tenslotte een hond. Dus ik sprintte er uit voorzorg maar vast achter aan. “Oh”, zei de man die de hond aan de lijn had, “maar dit is een dame, die wijst hem vanzelf terecht als het haar niet aanstaat. En daar hebben mannetjes heus wel ontzag voor.” Ik lachte en vertelde hem dat ik een dag er voor nogal commentaar had gehad. “Ach”, zei zijn vrouw, “weet je, sommige mensen snappen het niet. Als jouw hond alles en iedereen aanviel, liet jij hem heus niet loslopen.”  

Ik liet een zucht van verlichting. Gelukkig zijn er ook mensen die het wel begrijpen.

 

Tandarts

tandarts

Onlangs was ik weer aan de beurt voor mijn halfjaarlijkse controlebeurt bij de tandarts. Gelijk gecombineerd met een bezoek aan de mondhygiëniste, dan was ik er maar vanaf. Het is niet mijn meest favoriete bezigheid maar ik kan ook niet zeggen dat ik bang ben van de tandarts. Het moet gebeuren, ik wil mijn gebit graag in goede orde houden zodat ik niet voortijdig gebruik hoef te maken van allerlei hulpmiddelen. Hoe goed en onzichtbaar deze tegenwoordig ook zijn.

Ik ben al wat ouder, dus ik heb ook de periode nog meegemaakt dat een tandarts zich niet enorm bekommerde om het wel en wee van de patiënten en zich vol vuur bediende van boren en tangen. Alsof de man naar olie stond te boren. Wij hadden ook nog de pech dat onze tandarts een grote man was, met heel veel zwarte haren op zijn handen. Weerloos lag je als kind in zijn stoel, met angstig opengesperde mond, wachtend tot die klauw zich heen en weer ging bewegen boven je gezicht. Met een haak, in mijn herinnering van enorme afmeting, werden een voor een alle tanden bevoeld. Ik volgde de haak en bad dat hij niet stopte met bewegen. Want dat was niet goed, als de haak stopte en een bepaalde kies meer aandacht gaf, moest er vrijwel altijd naderhand de boor aan te pas komen. Destijds werd er niet gevraagd “of de patiënt een verdovinkje wilde”, gewoon in de leuningen van de stoel knijpen, het was zo voorbij. Nog een paar weken voelde je dat er iets vreemds was in je mond. Kauwen moest bij voorkeur aan de andere kant. Tot de vulling was ingesleten en het allemaal weer normaal werd.

Nee, dan is het tegenwoordig toch allemaal een stuk beter geregeld. Een verdoving kan zelfs manhaftig worden afgeslagen. Het vervelende gevoel van het boren weegt niet op tegen het scheef hangende gezicht waardoor een poging een slok koffie te nemen uitmondt in een enorme vlek op je kleding. Het enige echt erge daaraan is nog altijd het woord ‘boren’. Waarschijnlijk heeft de tandarts zelf daar een andere uitdrukking voor, die is mij alleen niet bekend.

Tijdens het hierboven genoemde bezoek aan de mensen die mijn gebit voor ellende behoeden, bedacht ik wel dat respect jegens hen toch op zijn plaats is. Terwijl ik in de wachtkamer zat, bekeek ik voorzichtig mijn mede-bezoekers. Niet iedereen heeft een stralend gebit. Wat te denken van die meneer die mij vriendelijk toelachte en daarbij één scheefstaande tand toonde in zijn bovenkaak. Mijn fantasie sloeg direct op hol, hoe zou een tandarts daar mee te werk gaan. Hij zag er ook redelijk groezelig uit, die meneer dan, niet die tand, dat kon ik niet zien. Wat voor mij direct het mondkapje van mijn tandarts rechtvaardigde. Want je krijgt wat in je stoel hoor, kan ik mij zo voorstellen. Mensen die de dag er voor zijn doorgezakt, of zich te buiten zijn gegaan aan een broodje shoarma met knoflooksaus. Of mensen die überhaupt niet de moeite nemen om zich fris voor een consult te melden. Ga er maar aan staan. Gezegend zijn de beschermingsmaterialen van tegenwoordig. En dan nog moet je daar doorheen kunnen kijken.

Nee, hulde aan de tandarts. Want ik kan straks, als ik echt oud ben, niet tegen mijn schoondochter zeggen “spoel jij mijn tanden even af”. Om ze even later weer fris gewassen in mijn mond te stoppen.