Communicatie

gips

Mijn schoonvader heeft zijn enkel gebroken. Heel sneu natuurlijk, ’s nachts wakker geworden, oudere mannen moeten wat vaker, te snel uit bed gegaan en het evenwicht verloren. Hoe ongelukkig kun je terecht komen. Enfin, toen ’s ochtends de dame van de Thuiszorg hem vond, wat het leed al snel geleden. Pa kreeg gips om zijn pootje en het advies zich voorlopig rustig te houden. Hij schikte zich in zijn lot, nestelde zich in zijn stoel en begon de familie op de hoogte te brengen. Ons natuurlijk het eerst. “Ik heb heel slecht nieuws.” Als ik dat hoor, slaat de schrik me normaal om het hart. Wie is er opgenomen in het ziekenhuis of erger, wie is er dood. Gelukkig, al klinkt dat in dit geval wat hard, was dat nu niet aan de orde. Misschien dat ik daarom iets opgeluchter reageerde dan pa eigenlijk voor ogen had.

De dag er na troffen we hem in zijn huis om hem mee te nemen naar een feest. Een familielid vierde haar verjaardag. Pa had al weer praatjes, de buurvrouw en zijn schoonzus waren er om hem gezelschap te houden. “Morgenochtend moet ik om elf uur in het ziekenhuis zijn”, deelde hij ons mee “dan gaan ze kijken of ik geopereerd moet worden of dat ik loopgips krijg.” Eerdere ervaringen weerhielden me ervan te vragen waar een eventuele operatie van af zou hangen, meestal onthoudt pa niet echt wat de artsen zeggen. We hesen pa in de rolstoel en maakten aanstalten te vertrekken. “Hoe ga je morgen eigenlijk naar het ziekenhuis”, vroeg zijn schoonzus belangstellend. Een diepe zucht was haar deel, pa sloeg zijn ogen ten hemel. “Wat zeg ik nou net, Huub rijdt toch.” Mijn echtgenoot en ik keken elkaar vertwijfeld aan, dat hadden we toch echt niet gehoord. En afgaande op de vraag die zij stelde, zijn schoonzus ook niet. Ook de verjaardagsgasten moesten het verhaal horen in geuren en kleuren. Zijn zus vroeg hem bezorgd wat hij toch had gedaan. Weer sloeg hij zijn ogen ten hemel, van familie moest je het toch maar hebben. “Ik heb je gisteren drie keer gebeld maar je nam niet op.” “Maar dan weet tante toch nog niet wat je mankeert”, mijn man raakte er vertwijfeld van. Gelukkig zijn broer en zus uit hetzelfde hout gesneden dus het leidde niet tot wrevel. En pa was na de jarige job toch maar mooi de meest besproken persoon op het feest.

Natuurlijk is mijn man met hem naar het ziekenhuis gereden. Pa heeft gips gekregen en mag vijf weken niet lopen. Dat wordt dus boodschappen doen en regelmatig kijken hoe het gaat en of hij verder nog wat nodig heeft. Ach, we hebben het al vaker aan de hand gehad. Pa regeert vanuit zijn stoel. Het enige dat we moeten doen is zorgen dat we er niet gek van worden.

 

 

De Patriarch

WP_20160808_003 [6568362]

“Goedemiddag meneer, ik heb even uw stookpot geleend, u was er toch niet.” Verbouwereerd kijken we de man aan, een broodmagere man op leeftijd, gekleed in een kakikleurige afritsbroek. “Die willen we graag terug”, zegt mijn man stellig, “misschien dat wij hem vanavond nodig hebben.” Je ziet de man kijken, misschien nodig hebben, en dan moet hij hem nu al terugbrengen. We blijven hem rustig aankijken en hij kiest eieren voor zijn geld. Even later staat onze eigen stookpot weer op zijn eigen plaats. Tussen de grote keien die ik daar met veel moeite op mijn eigen creatieve wijze omheen heb gedrapeerd. We weten het zeker, deze meneer wordt geen vriend.

Dit wordt maar weer eens bevestigd als onze hond even later kennis gaat maken. Op luide toon wordt hij van hun plekje schuin tegenover ons weg gedirigeerd. “Nee, weg” een magere vinger priemt onze kant uit “daar hoor je thuis.” Alsof ‘daar’ iets minderwaardigs is, zijn stem drukt niets dan minachting uit. Arme hond, hij wil alleen maar even goedemiddag zeggen. Nog net niet met de staart tussen de benen druipt hij af. Hij bedoelde het toch goed.

De dagen erna blijkt de man voor ons een bron van vermaak. Met strenge hand regeert hij over zijn plek op de camping. Het is er drukbevolkt, waarschijnlijk met zijn kinderen en kleinkinderen. En zijn vrouw natuurlijk, grijs kortgeknipt kapsel, stevige stappers en ook diezelfde kakikleurige afritsbroek. En natuurlijk een rugzakje. Zij ziet haar man naar de ogen. Ik moet zeggen, hij heeft er de wind stevig onder. De kinderen zitten braaf te lezen of een spelletje te spelen, er valt geen onvertogen woord. Zelfs de hond die ze bij zich hebben durft zich amper te verroeren.

Wij worden door de man ook zo af en toe eens zijdelings bekeken. Ik zie hem denken. Bij ons is het namelijk niet zo geregeld, wij hebben geen schema en laten onze hond heerlijk rondscharrelen. Dat hij dan af en toe er tussenuit piept, hoort erbij. Het blijft een hond. Niet dat we het goedkeuren, hij wordt heus wel tot de orde geroepen, maar ach, heel erg druk kunnen wij ons er niet om maken. Bovendien kent iedereen hem. En roept iedereen hem, wat ons overwicht natuurlijk ook weer danig ondermijnt. Je ziet de man kijken, “niets waard, niks te zeggen over dat beest.” Gelukkig heeft hij het zelf beter geregeld.

Als we voorzichtig informeren bij andere campinggasten, blijkt dat wij niet de enigen zijn die door deze man zijn gewogen en te licht bevonden. De vrolijke verhalen komen al snel los. Hij blijkt iedere hond viezig te bekijken en stembanden voor kinderen onder de achttien jaar een overbodige luxe te vinden. En hij blijft nog een volle week. Mijn man heeft onze auto iets verder naar voren gereden. Zo hebben we beter uitzicht.