Eindelijk weer een keer naar de club

Het vrouwtje keek het baasje aan met een bijzondere blik. Hij snapte het niet zo goed, het was toch gewoon tijd voor zijn eten. Maar ze ging naar boven. Dat vond hij altijd wel een beetje vervelend, als er net voor zijn etenstijd nog iets anders gedaan moest worden. Voor mensen was het misschien niet zo belangrijk, maar voor hem was eten toch echt een hoogtepunt. Nou ja, misschien moest ze iets halen.

Het duurde even maar eindelijk hoorde hij het vrouwtje naar beneden komen. Ze had andere kleren aan gedaan. En ze had haar jas bij zich. Wat raar. “Hij snapt er nog niks van hè”, zei ze tegen het baasje. Wat snappen, soms waren mensen toch echt niet te begrijpen. “Ga je mee naar de club?” vroeg ze. Naar de club, echt? Het zou toch niet? Hij voelde zich helemaal enthousiast worden. Het baasje moest er om lachen. Maar het vrouwtje ging toch echt zijn snoepjes pakken. Een hele hand vol stopte ze in haar jaszak. Nu kreeg hij toch wel haast, hij ging vast voor de garagedeur staan. Nou moest het vrouwtje het baasje natuurlijk weer gedag zeggen. “Veel plezier”, zei die, “tot straks.” En ja echt, ze pakte zijn clubtuigje en liep met hem mee. Ze gingen weer naar de club, dat was lang geleden. Hij huppelde er bijna van. Wat liep het vrouwtje toch langzaam, kom op!

Hij zag de auto’s al staan, het was druk. Gezellig, hij sleepte het vrouwtje bijna mee naar binnen. Kijk, ze mochten het veld op. Hij keek eens rond. Shunka en Sky waren er maar Bobby en Noa zag hij niet. Dat was jammer, hij wilde wel graag weten hoe het met hen ging. Wel waren er een paar nieuwe honden. Een ervan was wel heel zenuwachtig volgens hem, die bleef maar blaffen. Hij zag ook dat hij hapte naar de hand van zijn vrouwtje. Hmm, dat moest hij zelf toch niet proberen. Dan legde ze hem vast weer op zijn rug, zo gênant.

Omdat Noa er niet was, mocht hij beginnen. Hij nam alle hindernissen vliegensvlug, hij kon het nog! Heerlijk. Lekker springen en rennen. Het uur was veel te snel voorbij.

Thuis had het baasje zijn eten al klaar staan. Een volle bak, lekker. Hij kroop voldaan en warm op de bank. Want als hij eerlijk was, was hij toch wel een beetje moe. Hij was ook geen achttien meer.

Als het niet meer met woorden lukt

Het klinkt raar maar het wordt toch echt tijd dat we de Corona-pandemie achter ons laten. Om heel veel redenen maar ook omdat een aantal mensen nu toch echt serieus aan het doordraaien is. Gedurende de hele periode worden er al mensen bedreigd, helaas, maar als je als een soort mislukte maar wel zwaarbewapende Rambo rond gaat lopen, ben je toch wel heel ver van de realiteit af beland.

Wat denkt zo’n man dan? “Hé, ik ben het niet eens met anderen, virologen, wetenschappers, mensen met een andere mening, ik neem van de zaak mijn raketwerpertje mee en ga wat stennis schoppen.” Gevaarlijk dat zo iemand bij Defensie werkt. Niet dat dat te voorkomen is, maar als militair, politie-agent of zelfs maar lid van een schietvereniging heb je natuurlijk wel meer mogelijkheden om aan een wapen te komen. Althans, dat denk ik, want misschien is het darkweb een veel betere plaats, daar heb ik geen ervaring mee. En eenlingen die dit soort plannen beramen, zijn bijna niet te volgen. Maar goed, die Rambo dus, die loopt rond in een natuurpark in België, als ik het nieuws mag geloven, en probeert te ontsnappen aan de maatschappij zoals wij die kennen. Nou weet ik niet waar de viroloog Marc van Ranst woont, maar ik mag toch hopen dat dat op een veilige afstand is. En als ze die man dan straks pakken, krijgt hij dan straf? Of een aai over zijn bol en de opmerking “niet meer doen hoor jongen”?

Je zult maar bedreigd worden door zo’n gevaarlijke gek.

Natuurlijk moet Willem Engel het dan weer opnemen voor zijn zielsverwant. Van Ranst zou het over zichzelf hebben afgeroepen. Natuurlijk, dat zou ik in zijn plaats ook zeggen. Waar haalt die man die denkbeelden toch vandaan. Zou hij nou echt nog steeds denken dat Corona een verzinsel is van de overheid om ons onder de duim te houden? Dat er helemaal nog nooit mensen aan het virus zijn dood gegaan?

En zoals altijd valt de hele Social Media er weer overheen. Voor- en tegenstanders hakken op elkaar in en iedereen weet het weer beter. Ik zou me kostelijk amuseren ware het niet dat sommige commentaren zo vreselijk asociaal zijn dat ik bijna de neiging krijg om te kijken wie er achter die tekst zit. Vaak is zo’n account afgeschermd en dat snap ik ook wel. Tenslotte wil je wel anoniem blijven als je mensen zo behandelt.

Wat ik dan wel weer meesterlijk vind, is de opmerking waar Van Ranst zijn betoog op Twitter mee opent, “Wanneer we ooit geconfronteerd worden met een salsapandemie, ga ik met veel plezier luisteren naar wat jij als dansleraar te zeggen hebt.” Laten we in vredesnaam hopen dat dat dan nooit gebeurt.

De voorraad weer op peil gebracht

Mijn schoonmoeder vond mij niet direct een goede huisvrouw. En eerlijk is eerlijk, als je de ouderwetse standaarden bekeek, was ik dat ook niet. Mijn linnenkast was een rommeltje, natuurlijk had ik voldoende handdoeken en theedoeken maar niet dat ik niet iedere week moest wassen. Mijn schoonmoeder kon geloof ik wel een maand zonder een keer naar de wasmand te kijken. Niet dat ze dat deed, ook op dat gebied was haar huishouden altijd keurig op orde. Alles netjes gevouwen op kleur en grootte in de kast.

Ik geloof wel dat dit een generatiedingetje was. Mijn moeder heeft nog handdoeken in de linnenkast liggen die stammen uit de eerste jaren van haar huwelijk. En dat is toch al weer een tijdje geleden. Wij plagen haar er wel eens mee. Ze ondergaat dat goedmoedig en wijst er fijntjes op dat wij, haar dochters, dat straks erven. Nou gaan wij er van uit dat mijn moeder 120 jaar oud wordt, dus dat duurt gelukkig nog even.

Wat de generatie van onze ouders ook belangrijk vond, was een goed gevulde voorraadkast. Toen wij mijn schoonouders gingen verhuizen van hun eengezinswoning naar een senioren-appartement, vond ik in de grote kelderkast doosjes van Honig met een logo dat ik niet kende. Zo oud was het al. Conserven die al vijf jaar over de datum waren, we hebben heel wat weg gegooid. De koelkast was ook altijd goed gevuld. Ook later, toen mijn schoonvader alleen achter bleef, zorgde hij altijd voor een uitgebreide voorraad. Waar mijn koelkast aan het einde van de week wel wat gaten vertoont, zag die van hem er altijd goed gevuld uit. Als hij ’s avonds ergens trek in had, was er altijd wel een stukje kaas of worst voor handen. Mijn wekelijkse boodschappenexercitie met hem zorgde altijd weer voor veel vermaak.

Omdat twee van mijn zussen altijd voor de boodschappen van mijn moeder zorgen, heb ik me eigenlijk nooit gerealiseerd hoe dat bij haar was. Natuurlijk kom je tijdens een bezoekje niks te kort maar ik heb me nooit afgevraagd of zij ook weken vooruit kan. Tot laatst, mijn zus die belast is met “de grote boodschappen” was geblesseerd. Ze vroeg me of ik een keer voor haar wilde invallen. Nou, geen enkel probleem natuurlijk. Ik haalde mijn moeder op en samen togen we naar de Appie. Ik heb mijn ogen uitgekeken maar me ook kostelijk vermaakt. Mijn moeder houdt van lekker eten, dat heb ik wel gezien. Ze krijgt ook veel koffievisite en bij koffie hoort een koekje. Dus daarvan gingen ook verschillende pakjes in de kar. Toen ik bij de kassa de berg spullen overzag, realiseerde ik me dat mijn maatje en ik daar twee weken van kunnen eten. Met zijn tweeën.

Kennis van auto’s

Mijn maatje is altijd een fan geweest van auto’s. Niet van bolides als Ferrari, die zijn alleen maar mooi om naar te kijken maar hebben nooit op het verlanglijstje gestaan. Zelfs niet als hij de Staatsloterij zou winnen. Nee, stoere, robuuste auto’s, dat was mooi. Door zijn werk was het ook zeker gerechtvaardigd een stevige auto te hebben. Tenslotte moesten er ladders op het dak en later een zware aanhanger meegenomen worden.

Maar naast onze ‘werkauto’ hadden we ook een auto nodig waar ik mee naar mijn werk kon, waar ik boodschappen etc. mee deed en waar we in het weekend mee op pad konden. We hebben veel verschillende merken gehad maar de laatste jaren, hoe opmerkelijk, waren het steeds Toyota’s. In soorten en maten.

Ik weet nog dat we een Toyota Avensis hadden besteld. Mijn maatje wilde liever niet standaard dus er werden wat opties toegevoegd. Waardoor de levering iets langer duurde dan gepland. En omdat we onze vorige auto al verkocht hadden, moest er iets komen ter overbrugging. Dat vond ik altijd sport, ik wilde graag iets wat echt oud was, waar ik niet zuinig op hoefde te zijn. De dealer die onze auto had gekocht, had precies staan wat ik wilde. En omdat het een sympathieke man was, mocht ik het autootje lenen, voor de maanden dat we moesten wachten. Uiteraard had hij dan onze auto ook eerder, maar ik vond het toch een mooi gebaar.

Het kleine rode autootje, een automaat ook nog, bracht ons overal naar toe. We reden naar zee, ik laadde al mijn boodschappen in de koffer, stiekem vond ik het een prima karretje. Mijn maatje peilde de olie, ik gooide er benzine in, niks aan de hand.

Tot die ochtend dat ik nietsvermoedend de snelweg opdraaide richting werk. Het was druk, het was ochtend dus ik sukkelde met een kalm gangetje achter mijn voorgangers aan. Met mijn gedachten al bij de dag die zou komen. Op een gegeven moment hoorde ik een bijzonder geluid. Ik keek om me heen, wat kon dat nou zijn. Het duurde even tot ik besefte dat mijn auto dat geluid maakte. En dat het steeds harder werd. Het leek wel of iemand met een hamer tegen de onderkant van de motorkap sloeg. Heel snel. Ik gaf gas om te kijken of het dan minder werd. Hmm. Helaas. Even later stond ik een beetje moedeloos op de vluchtstrook.

Lang verhaal kort, mijn maatje heeft samen met een collega de auto naar mijn werk gesleept. Daar werd hij aan een inspectie onderworpen en het bleek dat de olie die mijn maatje had toegevoegd niet precies op de juiste plaats terecht was gekomen.

Mijn collega sprak de legendarische woorden “het motortje is kapot, zet hem maar buiten”. Nader onderzoek wees uit dat ik niet helemaal onoplettend was geweest. Door een aantal, laten we maar zeggen, technische aanpassingen van de auto, was het lampje niet aangesloten. Het zou nooit zijn gaan branden. Maar toch, met lood in mijn schoenen ging ik de garagehouder bellen. Een behulpzame collega, nadat hij had kunnen stoppen met lachen, adviseerde me om brutaalweg een nieuwe auto te vragen. Tenslotte had hij me dit slechte exemplaar geleverd. Dat durfde ik niet, schoorvoetend vertelde ik wat er was gebeurd. De man reageerde heel laconiek, ik geloof dat de auto later zelfs aan mijn technische collega heeft verkocht.

De weken die volgden, heeft mijn maatje mij gebracht en gehaald, overal waar ik naar toe moest. We waren allebei zielsblij dat onze nieuwe auto werd afgeleverd. Want hoe goed we het ook samen kunnen vinden, het is toch fijn om je eigen vrijheid te hebben.

Potten en pannen

Toen mijn maatje en ik net gingen samenwonen, was ik beslist geen keukenwonder. De maaltijden die ik dagelijks op tafel slingerde blonken niet uit. Op geen enkel gebied. Ik weet nog dat ik voor de eerste keer peultjes ging koken. Geen idee hoe lang dat moest of hoeveel water erbij moest. Gewoon in het pannetje en op het gas. Wel schoongemaakt, dat had ik bij mijn moeder wel gezien. Na een tijdje kwam er een bijzondere geur uit de keuken. Het pannetje was droog gekookt en de peultjes waren slechts nog met grote moeite van de bodem te krabben. Potje erwtjes van Hak van maar? Ik heb zelfs een keer een gekookt ei aan laten branden. En dan moet je toch van goeden huize komen.

Toch baalde ik daar wel van. Vooral als mijn schoonmoeder een bakje hutspot met hachee meebracht. “Want het eten van je moeder is toch altijd het lekkerste.” Ik kon wel lelijk kijken maar op dat moment kon ik het niet weerleggen. Ook de erwtensoep die we van mijn moeder kregen was ongeëvenaard. Het was niet anders.

Het omslagpunt kwam, vreemd genoeg, tijdens een kampeervakantie in de Elzas. Vlak bij de camping was een grote winkel van Staub. Nooit van gehoord maar er stond een afbeelding van pannen op het pand dus we gingen gewoon uit nieuwsgierigheid even kijken. Er ging een wereld voor me open. Ik had nooit verwacht dat er zoveel verschil was in pannen. En dat pannen zoveel verschil kunnen maken. Ik kocht mijn eerste braadpan en vanaf dat moment ging het een stuk beter. Ik waagde me zelfs aan de wat moeilijkere gerechten.

Mijn maatje vindt het prima. Hij houdt wel van lekker eten. Ik kreeg er plezier in en durfde op een gegeven moment zelfs voor anderen dan alleen mijn maatje te koken. Nu geniet ik ervan als de tafel vol zit en iedereen geniet. Ik ga graag naar een restaurant maar thuis mensen uitnodigen en zorgen dat iedereen lekker eet, vind ik eigenlijk net zo leuk. En gelukkig vind ik ook altijd weer mensen die willen komen eten. Soms brengen ze zelfs bakjes mee. Net als mijn jongste zus, die eerst een maaltje stoofvlees voor zichzelf veiligstelde voordat ze aan tafel ging. “Je hebt vast genoeg gemaakt, heb ik morgen lekker ook nog eten.”

Dingen die ik voor de eerste keer maak, probeer ik nog wel uit op mijn maatje. Niet alleen vanwege het risico dat het mislukt maar ook omdat hij nog altijd een kritische fan is. De hete bliksem van zijn moeder is nog altijd lekkerder dan die ik maak. Maar dat is dan toch ook wel vrijwel het enige.

Oh, en er mislukt echt nog wel eens wat. Vaak de meest simpele gerechten. De schnitzels die ik laatst op tafel zette, waren iets te hard gegaan. Ik heb het zwarte paneermeel er maar afgekrabd. Ach, spinazie en gebakken aardappelen zijn ook lekker.