WiFi

wifi

“De Wifi doet het niet”, geïrriteerd blijf ik op het wifi-icoontje klikken. Helaas, de computer blijft aangeven dat ik niet verbonden ben met het wereldwijde web. Als de storing meer dan tien minuten aanhoudt, pak ik mijn telefoon en zoek het nummer van Ziggo. “U bent verbonden met de helpdesk van Ziggo, wij verzoeken u een keuze te maken uit het nu volgende menu.” Met een zucht volg ik de instructies en wordt vervolgens in de wacht gezet. Wel vijf minuten. Wat een ellende. Gelukkig blijkt het een kwestie van een paar vinkjes weer aanzetten en is na een uurtje het leed weer geleden. De wereld ligt weer onder het bereik van een muisklik.

Mijn oud-collega Marijke is verhuisd naar Gambia. Zij is haar droom achterna gegaan en heeft een nieuw leven opgebouwd in het verre Afrika. Zij heeft inmiddels al twee dagen geen internet. Geen wifi, niet met een draad, helemaal niks. Een telefoontje naar de provider vertelde haar dat het waarschijnlijk aan haar eigen instellingen zou liggen. Dus, alles gecheckt, niets gevonden en nog maar eens gebeld. Oh, dan zou het waarschijnlijk toch bij de aanbieder liggen. Ze zouden morgen contact met haar opnemen. En al die tijd zit Marijke zonder internet, zonder verbonden te zijn met de wereld. Zij is genoodzaakt alle vragen die ze heeft op te schorten en te roeien met de riemen die ze heeft. Als zij belt en om een monteur verzoekt, en vervolgens vertelt waar ze woont, wordt er bedenkelijk gezucht. Zo ver, dat is echt wel een uur rijden, poeh. Ze wordt ingepland maar men weet nog niet voor wanneer. Uiteindelijk, na een paar dagen, komt de monteur langs en onderzoekt alle mogelijkheden. Om dan toch tot de ontdekking te komen dat het probleem niet ligt bij Marijke, maar bij de instellingen op kantoor. Ach, hoe toevallig. De man vertrekt onverrichterzake. Marijke’s geduld wordt weer op de proef gesteld. Misschien heeft ze volgende week wel weer de beschikking over alle moderne toepassingen.

Het is een manier van leven. Je raakt er aan gewend. Het is ook een manier van onthaasten. Uiteindelijk is het ook helemaal niet zo erg om een dagje niet op Facebook of LinkedIn te kunnen kijken. Het is mooi om een keer zo met je neus op de feiten gedrukt te worden.

 

 

 

 

 

 

Aquarium

Innsbruck ziekenhuis

De aanblik van een groot aquarium brengt mij direct weer een aantal jaren terug. Wat voor een ander heel rustgevend kan zijn, bezorgt mij weer dat beklemmende gevoel dat ik had in Innsbruck, in het Landeskrankenhaus. In de wachtkamer op de afdeling neurochirurgie stond een enorm exemplaar. Wekenlang heb ik er iedere dag naar zitten kijken.

We waren op vakantie, mijn man, mijn zus en ik. Heerlijk een paar weken niks doen in de zon. Oostenrijk was een van onze favoriete bestemmingen en het was de eerste keer dat we er weer waren na de dood van mijn zwager. We gingen het rustig aan doen, geen bergen beklimmen, geen moeilijke wandelingen. Gewoon door de kleine stadjes en dorpjes slenteren en misschien een keer met de kabelbaan naar boven.

De middag ervoor hadden we heerlijk in de zon gezeten. Met een boek en een drankje. Ik weet nog dat ik tegen mijn zus zei “Smeer je schouders in of ga in de schaduw zitten. Je weet dat je er niet tegen kunt.” Maar één van de meest voorkomende eigenschappen in mijn familie is eigenwijsheid. Dus ze bleef rustig zitten.

Die ochtend bleef mijn zus lang in haar caravan. Te lang. Op een gegeven moment vond mijn man toch dat ik maar eens moest gaan kijken. Dus ik deed de deur open. En daar zat ze, op de grond, wezenloos voor zich uit te kijken. Ik tikte tegen haar wang maar toen ze niet reageerde werd ik bang. Ik rende naar de receptie en belde de hulpdiensten. In het kleine stedelijke ziekenhuis werd ze onderzocht. Waarschijnlijk was het een zonnesteek. Nog even een klein onderzoek om wat uit te sluiten en dan mocht ze mee naar huis.

Maar wat ze wilden uitsluiten bleek aan de hand. Ze had een bloeding in haar hoofd. Dus werd ze vervoerd naar het regionale ziekenhuis. Daar konden ze een drain aanbrengen om de druk van de hersenen te halen en dan zou het allemaal wel goed komen. Ik moest om vijf uur maar even bellen om te vragen hoe het ging. Daar stond ik, in een ziekenhuis waar ik nog nooit was geweest. En ik ging bellen, mijn man, mijn familie. De schrik was groot.

Met een taxi liet ik me terugbrengen naar de camping. De middag kroop om. Het wilde maar geen vijf uur worden. Eindelijk, eindelijk kon ik bellen. Ik werd een paar keer doorverbonden. Achteraf een veeg teken. De arts die ik tenslotte aan de telefoon kreeg, vertelde me helder en zakelijk dat het niet goed ging met mijn zus. Ze had een aneurysma in haar hoofd en men was bezig haar klaar te maken voor transport met de traumahelikopter naar Innsbruck. Daar zou ze met spoed geopereerd worden. Wij konden ook maar beter zien dat we in het ziekenhuis kwamen want ze wisten niet of ze de nacht zou halen.

In de uren en dagen die volgden heb ik geleerd wat het is om bang te zijn. Bang om iemand waar je van houdt te verliezen. Je denkt dat je het weet maar als de dreiging dan reëel is, besef je pas wat angst met je kan doen. Tijdens de rit naar Innsbruck, in het donker, door eindeloos veel tunnels, heb ik mijn zus drie keer begraven.

Mijn zus heeft een aantal weken in coma gelegen maar is goddank weer hersteld. De enorme littekens op haar hoofd zijn niet meer te zien doordat haar haar er overheen groeit. Ze is nog steeds eigenwijs, gelukkig. En ik heb nog altijd een antipathie tegen tropische vissen.

 

 

Paniek

Stef

Ik ben best een zorgvuldig mens, al zeg ik het zelf. Niet dat heel erg opgeruimd ben, maar ik hou meestal alles goed in de gaten. Vandaar dat de schrik ook groot was toen iemand kwam aanlopen met twee lege doosjes waar ooit muizengif in had gezeten. En onze hond heel vrolijk kwispelend in haar kielzog mee liep. Verschrikt wrikte ik zijn bek open en zag dat in zijn vervaarlijke kiezen een heel vreemd blauw goedje zich had genesteld.

Nu wil het feit dat Stef, onze hond, op dieet is. Het arme dier heeft de hele dag honger. Natuurlijk is dit voor zijn eigen bestwil. Heeft hij er erg in dat hij geen taille meer over houdt als wij hem zijn gang laten gaan. Dus alles wat ook maar riekt naar iets eetbaars, is voor het arme dier een regelrechte uitdaging.

Muizengif, wat nu. Een telefoontje naar de dierenarts vertelde dat ik direct moest komen. Het gif moest uit zijn maag, en wel direct. Stef snapte er niks van. Hij had toch lekker gesnoept, wat deden die mensen allemaal raar. Ik gooide hem bijna achter in de auto en reed met behoorlijke vaart richting dierenkliniek. Het is maar goed dat de buitenlandse chauffeur die voor me reed en de weg niet exact wist, mijn verwensingen niet allemaal kon horen. De arme man zou behoorlijk overstuur zijn geweest.

In de dierenkliniek kreeg Stef een heerlijk blikje eten. Dit maakte zijn dag in één keer goed. Arme dier, wist hij veel. Want nog geen minuut daarna kreeg hij een injectie in zijn poot. “Lieve hond”, vond de dierenarts, “hij doet niet eens lelijk naar me.” En toen was het wachten tot hij ziek werd. Zijn maag moest immers leeg. Ik zag mijn arme vriendje ziek worden. Hij snapte er niks van. Maar Stef is een taaie hond, hij wilde zich niet laten kennen. Niet voor het vrouwtje, niet voor die vreemde meneer die hem zo vreselijk voor de gek had gehouden. De maximale dosis misselijkmaker moest er aan te pas komen voor Stef zich overgaf en de inhoud van zijn maag deponeerde precies naast de kranten die de dierenarts voor dat doel op de grond had uitgespreid. En één keer was niet voldoende, tot drie keer toe werd er een flinke klodder groene smurrie neergelegd. De dierenarts trok handschoenen aan om het op te ruimen. Hij vertelde me dat Stef wat suffig zou zijn, de rest van de dag, maar dat het leed volgens hem wel geleden was.

 Pas later, toen ik al lang en breed thuis was, sloeg de paniek toe. Mijn arme maatje, hoe verkeerd had het af kunnen lopen. Ik zou het mezelf nooit vergeven hebben. Stef heeft er gelukkig niks van overgehouden. Maar wat ben ik die collega dankbaar dat ze die lege doosjes heeft ontdekt. Het had heel anders kunnen lopen.

 

 

 

 

Ouderwets gezellig eten

“Pa, heb je zin om zaterdag bij ons te komen eten?” “Zeker jongen, dat lijkt me erg gezellig.” “Heb je voorkeuren, is er iets dat je lekker zou vinden?” “Nee hoor, helemaal niet, alles is goed.” “Oh, dan kijken we wel, dan vraag ik wel wat ze wil maken.” “Konijn zou wel erg lekker zijn.”

En dus stond er op zaterdagmorgen al vroeg een grote pan met konijnebouten te pruttelen op het vuur. Konijn moet, volgens mijn schoonvader, op de ouderwetse manier bereid worden. Geen flauwekul, geen poespas, gewoon uien, spekjes, laurierblad en kruidnagel. Natuurlijk voeg ik stiekem nog wel wat toe, maar dat vertel ik niet. Ik zorg ook altijd dat er wat extra is, zodat hij dat mee kan nemen.

Er moeten ook geen liflafjes bij, gewoon gebakken aardappelen en ouderwetse groenten, spruiten of rode kool. Mijn schoonvader is niet van de nouvelle cuisine. Gewoon eerlijk eten, geen onzin. Op zich kan ik daar wel in meegaan, het is bij gelegenheid ook gewoon heerlijk.

Tegen etenstijd arriveert mijn schoonvader, met de deeltaxi. Een prima uitvinding voor hem, hij heeft onderweg ook nog wat aanspraak. Bovendien kent hij de halve wereld dus hij komt altijd wel een bekende tegen. We helpen hem uit zijn jas, proberen de hond te kalmeren die hem in zijn mateloze enthousiasme omver zou springen en nemen zijn wandelstok van hem over. Hè, hè, het zit. “Koffie?” Hij kijkt, hij heeft eigenlijk liever een borreltje, tenslotte is het bijna etenstijd.

Na even gezellig geborreld te hebben, komt het konijn op tafel. Niet in een sjieke schaal maar gewoon in de grote wildpan waar ik zo zuinig op ben. Pa kijkt vergenoegd toe. De konijnenbout wordt tot het laatste botje schoongepeuzeld. Het is een genot om naar te kijken. Tevreden ziet hij dat er nog een konijnenbout over is. “Meenemen voor morgen?” “Ja dat is goed, dan eet ik die lekker bij de boterham.”

Na een gezellige avond keuvelen breng ik hem weer naar huis. De deeltaxi is op dat tijdstip lastig, je weet nooit wanneer hij exact voor de deur staat. Gewapend met stok en bakje met konijn hijst hij zichzelf in de auto. Het duurt even maar we hebben de tijd. Onderweg naar huis neemt hij de afgelopen uren nog even door. Hij heeft een gezellige avond gehad.

Het zijn misschien maar eenvoudige genoegens maar ik kan er enorm van genieten. En pa ook, dat weet ik zeker.