Ontruimingsoefening

fire-detector-1502143_1920

Eens in de zoveel tijd is het weer zover. BHV ontruimingsoefening. Zelfs de BHV-ers, waar ik toe behoor, zijn niet precies op de hoogte van de datum en het tijdstip van de oefening. Dus zit ik nietsvermoedend te werken als het alarm iedereen doet opschrikken. Je kunt het niet missen, je eerste reactie is om je handen voor je oren te slaan. “Oh ja”, denk ik, “oefening, dat is waar ook.¨ Ik graai in mijn la naar mijn flatteuze geel fluorescerende vestje en loop de gang op. Waarom doen ze die oefening altijd als ik mijn torenhoge hakken aan heb. Inwendig grommend sjouw ik de hele gang door. Oh ja, de toiletten. Ik ken ze, ze verbergen er zo iemand die in het complot zit.

Gelukkig zijn mijn collega’s goed opgevoed en gaat iedereen gedwee mee naar buiten. De verzamelplek is bekend. Ook de sollicitant, die voor zijn tweede gesprek een workshop moest verzorgen, volgt breed grijzend de meute. Wat er voor af gaat, komt er achter niet meer bij, ik zie het hem denken.

Ik meld me bij onze receptie. Een collega heeft de leiding genomen en stuurt me met een andere collega een bepaalde afdeling in. Daar stuit ik op een recalcitrante collega. Ik kan het risico niet nemen, het kan zijn dat hij speciaal geïnstrueerd is. “Kom joh, mee naar buiten.” Hij moppert en bromt dat hij eerst zijn jas moet gaan halen. Ik twijfel even. “Ok, maar dan loop ik met je mee.” Want ik ken hem, als ik niet meeloop gaat hij rustig weer aan het werk. Hij knikt en schikt, braaf gaat hij mee.

Buiten staan alle collega’s te wachten tot we alle ruimtes hebben gecontroleerd. Gelukkig schijnt de zon en is het niet koud. Iedereen staat te keuvelen. Tenslotte hebben de meesten wel in de gaten dat het om een oefening gaat. En die oefening is geslaagd, binnen 10 minuten hebben we 250 mensen naar buiten gedirigeerd en alles gecontroleerd. Ook de ‘controleurs’ zijn tevreden, de oefening is goed verlopen. Natuurlijk zijn er altijd wel wat verbeterpunten maar we hebben geen grote steken laten vallen. Er is niemand achtergebleven, zelfs de clandestien verborgen verstekelingen zijn ontdekt en mee naar buiten gesleept.

De oefening wordt afgesloten, iedereen mag weer naar binnen. Veel haast wordt er niet gemaakt, daar is het te lekker weer voor. De BHV-ers blijven nog even achter voor de evaluatie. Ik wiebel nog even van de ene hak op de andere. Een collega komt naar me toe. “Ik wil wel verslag hoor”, lacht ze. Nou Annelies, bij deze.

 

As

cemetery-51550_1920

Volgend jaar is het twintig jaar geleden dat mijn vader overleed. Twintig jaar. Ik weet het nog als de dag van gisteren. Ik zie mezelf nog staan, naast mijn bureau. Ik kwam net op mijn werk, ik had net koffie gehaald. Mijn telefoon ging, het was mijn moeder. Ik weet nog dat ik dacht “waarom belt ze, we zijn gisterenavond nog geweest, heb ik misschien iets vergeten?” Ik had nooit gedacht dat het overlijden van mijn vader de boodschap zou zijn.

Mijn vader was ook niet ziek. Hij was 66 jaar oud en voor zijn leeftijd zo gezond als een vis. Hij ging ‘s avonds slapen en werd nooit meer wakker. Op zich een gezegende manier om te gaan. Aan de ene kant hard voor ons nabestaanden, aan de andere kant ook weer niet. We hebben nooit hoeven toekijken hoe hij ziek was, hij is tot het einde gewoon ons pap gebleven.

In het kleine dorpje waar hij zijn hele leven onderwijzer was geweest, is de urn met zijn as begraven in een klein graf. Een eenvoudige steen met wat planten er om heen. Mijn vader was nooit zo uitbundig. Veel kwam ik er niet, de herinnering aan mijn vader was er toch wel.

Maar nu, na bijna twintig jaar, moet er een beslissing genomen worden. Wat doen we met het graf. Kopen we voor veel geld voor de komende twintig jaar nieuwe grafrechten? Wie weet wat er in die periode allemaal kan gebeuren. Voor mijn moeder hoeft het niet, ook zij komt niet vaak op het kerkhof. Maar wat doen we dan?

Eigenlijk waren we het snel eens, mijn moeder, mijn zussen en ik. We gaan de as van mijn vader na twintig jaar alsnog uitstrooien. Dat mag. Voor de tweede keer in korte tijd zal ik dan weer met een urn in mijn handen staan. Weer de resten van een dierbare zo heel dichtbij. Het is niet dat ik er bovenmatig veel moeite mee heb maar het is toch iets dat je niet iedere dag doet. Het voert je toch weer terug in de tijd. Herinneringen aan vroeger, de beelden komen weer terug. Ach, wat is het lang geleden.

Het is nog niet zo ver, we moeten nog een afspraak maken om het graf te laten openen en de urn op te halen. En nog bedenken waar we hem precies gaan uitstrooien. Er zijn genoeg plaatsen die mijn vader dierbaar waren. We gaan een mooi plekje zoeken. Ter nagedachtenis.

 

Rentenieren

bench-1839735_1280

Het zat in de planning, al een hele tijd. Hij riep het eigenlijk al vanaf de tijd dat hij net goed en wel als zelfstandige was begonnen. “Op mijn 55e stop ik met werken!” De datum wist hij ook al, net als het jaartal. Het klonk als een grap en zo was het in de beginjaren ook bedoeld. Op je 55e, goh, dat duurt nog zo lang.

Maar de jaren gingen voorbij. Hij had veel plezier, werkte hard en liep zeker ook tegen problemen en verdriet aan. Net als ieder ander mens, helemaal niet bijzonder. Zijn 55e verjaardag kwam heel langzaam dichterbij gekropen. Hij lette er niet op, was er niet mee bezig. Hij merkte wel dat het werken hem steeds zwaarder viel, tenslotte had hij al jaren veel van zijn lichaam gevergd. Hij begon er over na te denken, stopte het weg, dacht er weer eens over en merkte toen tot zijn verbazing dat zijn maatje er ook mee bezig was. Ze kwam met het voorstel om het nu echt te doen, stoppen met werken.

Het klonk aanlokkelijk. Maar ook griezelig. Hij stopte het maar weer weg. Toch, steeds vaker, kroop  het naar boven in zijn gedachten. En hij ging er over praten. Want hoe moest dat dan?

Na veel samen praten werd de knoop werd doorgehakt. Hij verkocht alle spullen, zocht een goede collega die zijn klanten overnam en stopte. Het ging niet zonder slag of stoot, het verlies van zijn vader overschaduwde zeker de eerste maanden.

En stoppen met werken bleek helemaal niet zo makkelijk als hij dacht. Natuurlijk, hij hoefde niets meer, dat was fijn. Maar die haast, die zat nog altijd in zijn lijf. Ik moet dit, ik moet dat. Hij was gewend iedere minuut voor zichzelf te moeten verantwoorden. De planning die hij iedere week opstelde, moest wel gehaald worden. Hij bleef maar plannen. En eigenlijk hoefde hij niks meer. Vakantie was geweldig, maar dit was geen vakantie. Wat moest hij nu gaan doen. Het maakte hem onrustig.

Uiteindelijk merkte hij dat het moeten inderdaad alleen in zijn eigen hoofd zat. Dat gaf wel rust. Hij mocht zo lang denken als hij wilde, hij hoefde nu niet te beslissen. En er zou best wel iets op zijn pad komen. Wat dat was, wist hij nog niet. Maar dat gaf niet, dat zou vanzelf wel komen. En tot die tijd, ging hij lekker genieten van het “rentenieren”.

 

Eindelijk weer behendigheid

two-dogs-in-the-tunnel-750598_1920

Na een behoorlijk aantal maanden wachten is het vanavond dan eindelijk weer zo ver. Stef mag weer naar zijn geliefde behendigheidsles. Hij is voor zijn laatste controle bij de dierenarts geweest en deze heeft verklaard dat hij meer dan 100% is genezen. Zelfs de artrose, veroorzaakt door het te lang doorlopen met zijn ernstige blessure, is helemaal verdwenen. Stef mag weer rennen en vliegen naar hartelust. Dus belde ik de mensen van de hondenclub om te vragen of we weer konden komen. En dat kon, gelukkig.

Natuurlijk wist Stef van niks. Het was voor hem al zo lang geleden, mijn maatje en ik vroegen ons af of hij het nog wel zou weten. Maar die donderdagavond kreeg hij geen eten op zijn normale tijd. Dat vond hij al verdacht. Geen brokjes, wat was dat nou? Ik liep naar boven om me om te kleden. Ik moet wel voldoende snoepjes in mijn broekzakken kunnen stoppen, tenslotte draait het allemaal om de beloning. Stef stond al achterdochtig te kijken toen ik beneden kwam. Binnen een paar seconden drong het tot hem door. We gingen weer, hij mocht weer. In zijn enthousiasme sprong hij me bijna omver. Weer een paar blauwe plekken erbij, ach.

We kunnen lopen naar de club, het is bij ons om de hoek. En ik was blij dat het niet veel verder was, Stef trok bijna mijn arm uit de kom. En ja hoor, zijn sportmaatjes waren er nog. Er werd weer gesnuffeld “ja, je bent het echt”. Alsof we er geen jaar tussenuit waren geweest.

Het toeval wilde dat er die avond een clubwedstrijd was. Drie rondes volgens een vastgesteld parcours. Stef kon niet wachten tot hij aan de beurt was, hij sprong heen en weer van enthousiasme. En eindelijk mochten wij dan van start. Vol verwachting keek hij naar me en volgde naar de eerste hindernis. Hij wist het nog, keurig ging hij zitten om op het startsein te wachten. Pas halverwege maakte hij in zijn enthousiasme een fout. De tweede en derde ronde gingen foutloos, de derde maakte hij zelfs de snelste tijd. Wat was ik trots op die kleine man. De instructeur keek tevreden. Wel moesten we het bij die drie rondes laten, nog niet te veel inspanning. “Morgen zal hij wel spierpijn hebben.”

Na een vrolijk “tot volgende keer” gingen we allebei voldaan naar huis. Stef begroette zijn baasje en klom op de bank. Even later lag hij tevreden te snurken. En ik, ik genoot.

 

Geur van herinneringen

gold-shrub-1328562_1280

Het is echt een cadeautje, prachtige herfstdagen met hoge temperaturen. Lekker buiten, schoppen door de afgevallen bladeren maar nog geen dikke jas aan. Heerlijk. ‘s Ochtends is het fris, soms zelfs mistig. Maar dat geeft niet, het enige nadeel van de hoge temperaturen is namelijk dat het niet ruikt naar herfst. Het is te droog in de natuur. Dat komt vast nog wel, dus daar zal ik niet over klagen.

Ik hou zo van die geur. Ik weet wel, het is eigenlijk gewoon maar rottend blad, maar ik blijf maar snuiven. Geuren kunnen zo snel herinneringen oproepen. Het brengt me in een oogwenk terug naar mijn jeugd.

Mijn ouderlijk huis had een ouderwetse parketvloer. Mijn moeder boende die, op haar knieën, met een grote zachte lap en ouderwetse boenwas. Door het jaar heen werden de stukken bijgehouden waar veel gelopen werd maar eens in het jaar, in het voorjaar, werd de hele vloer onder handen genomen. Het hele huis rook dan naar boenwas. Als mijn moeder klaar was, kocht ze een grote bos forsythia. Ik zie de ouderwetse vaas nog zo voor me. De combinatie van boenwas en die mooie gele bloesem betekent voor mij nog altijd lente.

En datzelfde heb ik met het najaar. Dat begon voor mijn gevoel eigenlijk al eerder, aan het einde van de zomervakantie. Die duurde voor ons kinderen voor het gevoel een eeuwigheid, Aan het einde van die vakantie mochten we met mijn vader mee naar school. Als onderwijzer ging hij altijd zijn klaslokaal in orde maken voordat het weer overspoeld werd door lawaaierige kinderen. Wij mochten dan op ieder tafeltje een schriftje, pennen, potloden en gummetjes neerleggen. Ook die materialen hadden hun eigen specifieke geur. Wat later, toen ik op de middelbare school zat, rook ik datzelfde als we schoolinkopen gingen doen. Ik kan het niet omschrijven, het is de geur van een nieuw schrift wat nog helemaal onbeschreven is. Sommige leerlingen schreven verder in hun schrift van vorig jaar. Dat was voor mij ondenkbaar, ik moest een nieuw jaar beginnen in een nieuw schrift. Voeg daarbij de geur van de herfst tijdens de fietstocht naar school en mijn melancholie is compleet,

Zo zijn er in de loop van de tijd veel geuren bij gekomen. IJkpunten in mijn eigen eenvoudige geschiedenis. De geur van desinfectiemiddel in het ziekenhuis, de geur van houtvuur op een zomeravond, het zijn allemaal herinneringen. Mooie en minder mooie. Ik hoop er nog veel te kunnen maken.

 

Los op elkaar

 

Ik blijf me verbazen. Mijn maatje is altijd op zoek naar nieuwe informatie over hoofdpijn dus hij is ook lid van een Facebook-groep met dit onderwerp. Het brengt hem heel veel nuttige informatie, zeker. Daarom blijft hij ook regelmatig kijken. Maar ook in deze groep van zogenaamde lotgenoten gaan sommige mensen volledig los in hun commentaar op elkaar. Ik lees mee en vermaak me.

Niet iedereen is hetzelfde en niet iedereen gaat hetzelfde om met hoofdpijn. Er zijn mensen die niet meer functioneren en dus ook niet meer kunnen werken. Maar er zijn ook mensen die doorbikkelen en zichzelf hebben voorgenomen zich niet te laten kennen. Geen van tweeën doen het goed of fout. Althans, in mijn ogen. Het is maar net hoe je zelf met zaken om kunt gaan en hoe heftig je aandoening zich manifesteert. Maar dat is maar een mening. En sommigen zijn toch echt een andere toegedaan.

Laatst nog. Een groepslid vroeg in het algemeen hoe medeleden omgaan met een bepaalde aandoening. Een levendige discussie ontspon zich. Maar iedereen was het er wel over eens dat je hier serieus mee om moet gaan, of het nu een gevolg is van de je aandoening of je “gewoon” overkomt.  Therapieën werden aangeraden, levenswijzen werden voorgesteld. Tot er iemand was die het nodig vond dit in het belachelijke te trekken. Hij was blijkbaar wel een ervaringsdeskundige maar er van overtuigd dat alleen zijn zienswijze de juiste was. Dat in combinatie met een neerbuigende toon was voldoende om een stroom aan commentaren uit te lokken. De beledigingen, al dan niet gespeld in behoorlijk Nederlands, vlogen in het rond.

Gelukkig heeft de groep een verantwoordelijke beheerder en deze greep direct in. Voor de zoveelste keer wees zij er op dat de groep bestaat uit lotgenoten die alleen verbonden zijn door hun aandoening dus niet allemaal hetzelfde zijn. En dat we met respect met elkaar om gaan. De aanstichter van de discussie vond het blijkbaar genoeg en verliet de groep. Waarschijnlijk hebben meerdere mensen een zucht van verlichting geslaakt.

Ik was het helemaal eens met de handelswijze van de beheerders. Maar het is toch wel een ‘guilty pleasure’ van me om eens door zo’n discussie heen te scrollen. Wat mensen toch verzinnen om elkaar te beledigen, ik vind het onvoorstelbaar. En die mensen kennen elkaar niet eens, hebben elkaar nog nooit ontmoet en in de ogen gekeken. Toch zijn ze er van overtuigd dat de ander echt van de pot gerukt is en vooral zijn of haar gore bek moet houden. Dit zijn citaten, ik heb het niet zelf verzonnen.

De veroorzaker van deze discussie neemt niet meer deel aan de groep. Gelukkig zijn er op andere plaatsen voldoende andere heethoofden die van zich doen horen. Facebook, Twitter, je kunt er je hart ophalen. Ik geef nooit commentaar, ook niet als mijn handen jeuken. Maar ik lees graag mee.

 

Napoleon

napoleon-33073_1280

Napoleoncomplex is een informele term uit de psychologie. Het is een vorm van minderwaardigheidscomplex. Alfred Adler was de eerste die de term gebruikte, waarmee hij doelde op een overgecompenseerd gevoel van minderwaardigheid.

De naam is ontleend aan Napoleon Bonaparte. Adler zag hem als voorbeeld van iemand die extreem ambitieus gedrag vertoonde om minderwaardigheidsgevoelens over zijn geringe lengte te compenseren. Zo zei Napoleon ooit tegen maarschalk Ney: “U bent dan wel langer, maar ik ben groter”.

Napoleon was met ongeveer 1,67 m overigens niet kleiner dan de meeste Europeanen van zijn tijd. De wijdverbreide opvatting over zijn geringe lengte valt vooral terug te voeren op Engelse spotprenten uit het begin van de negentiende eeuw. Bovendien leek hij relatief klein omdat hij zich omringde met lijfwachten die allemaal flink langer dan gemiddeld waren.

(Bron: Wikipedia)

Mijn eerste baas was zo’n Napoleon. Een klein mannetje met een ego dat ver boven hem uit steeg. Natuurlijk had hij zijn kwaliteiten maar die lagen voornamelijk in het verleden. Automatisering hield zijn geheim streng voor hem verborgen. Mijn collega’s en ik maakten daar dankbaar misbruik van. Hij wilde namelijk ook niet toegeven dat hij er weinig van begreep. De nieuwste apparatuur was ook altijd voor hem. Als een collega een nieuwe laptop nodig had, kreeg hij die van de manager en werd voor hem een nieuwe besteld. “Hij krijgt weer een nieuwe bureaulamp”, was steevast het commentaar van een nuchtere collega. Deze gaf hem ook altijd een blanco diskette als er een update kwam van het rekenprogramma dat wij altijd gebruikten. De arme man heeft het nooit geweten. We hebben het hem ook nooit verteld.

De mooiste anekdote vond ik die keer dat diezelfde collega stiekem op de laptop van onze manager een wachtwoord had ingesteld. “Eens zien hoe lang het duurt tot hij er achter komt.” Er gingen weken voorbij maar er gebeurde niks. Blijkbaar had hij nog niet geprobeerd in te loggen. Alle collega’s kenden het wachtwoord, qwerty, wat door onze automatiseringsafdeling standaard werd gebruikt. Het mocht natuurlijk niet teveel opvallen, we moesten wel allemaal dezelfde smoes kunnen gebruiken.

De laptop stond eenzaam op zijn bureau. Niemand keek er verder naar om. Tot het moment dat een collega, het hoofd van onze administratie, een laptop nodig had om thuis wat zaken af te maken. En zich wendde tot onze manager. “Zeg, kan ik jouw laptop vanavond lenen, ik kom anders echt in tijdnood.” De arme man durfde geen nee te zeggen. Die avond ging om negen uur mijn telefoon. “Uh, ik heb iets heel doms, ik ben mijn wachtwoord vergeten en nu kan Gerard niet inloggen”. Ik had veel moeite mijn lach te houden, inwendig schudde ik en viel bijna van de bank. “Oh, ik weet het niet, ik denk dat het gewoon ‘qwerty’ is, dat gebruikt automatisering toch altijd.” Een zucht van verlichting klonk aan de andere kant. “Ach ja, dat zal het zijn.”

De dag erna schoof hij schichtig binnen. Ik vertelde het verhaal in geuren en kleuren aan mijn collega’s. Wat hebben we gelachen. Wat moet die man zich ongelukkig hebben gevoeld. Maar goed, uiteindelijk veroorzaakte hij het zelf. En eerlijk is eerlijk, veel heeft hij er niet van geleerd. Tot aan zijn pensioen is hij een zeer belangrijk man geweest. In zijn eigen ogen.