
Zodra de temperatuur boven de vijfentwintig graden stijgt, gebeurt er iets wonderlijks met de mens. En een van de dingen die verdampt in de warmte is het besef voor decorum. Er blijft niks meer van over, lijkt het wel.
De korte broek komt tevoorschijn. Niet zomaar een korte broek, nee: een exemplaar dat ergens tussen optimisme en zelfbedrog in hangt. Vaak gekocht in een jaar waarin nog werd gedacht dat “een maatje minder” een realistisch levensdoel was. Hij sluit nog net, maar alleen omdat de knoop vecht voor zijn leven. Je ziet hem denken, vandaag sterf ik in dienst van de mode. De rits had het al eerder opgegeven.
Daarboven verschijnt het mouwloze hemd. Een kledingstuk dat bij sommige mensen het beste omschreven kan worden als een waarschuwing. Armen die normaal gesproken keurig onder textiel leven, worden ineens publiek bezit. Witte bovenarmen, rode schouders, oksels met een eigen ecosysteem. De zomer is genadeloos democratisch.
Mannen lopen in kleding die op het strand nog niet zou voldoen. Laat staan in een drukke winkelstraat. Vrouwen hijsen zich in te krappe, luchtige jurkjes die bij windkracht twee veranderen in een medisch noodgeval. Of erger, in een milieudelict. Teenslippers klappen door winkelstraten als vermoeide eenden, terwijl voeten worden tentoongesteld die duidelijk niet op deze publieke taak voorbereid waren.
Ik moet zeggen, de meeste mensen dragen deze kledingstukken wel vol zelfvertrouwen. Hoofd omhoog, schouders naar achter. Alsof het geen misdrijf is de rest van de wereld bloot te stellen aan het aanzicht van delen van het lichaam die beter verborgen hadden kunnen blijven.
Het lijkt wel of mensen denken dat het dragen van te strakke shirts en te korte broeken bijdraagt aan het afkoelen van je lijf. Terwijl dat toch echt niet zo is. Een linnen hemd lijkt me vele malen frisser dan zo’n strak hemdje. En het is esthetischer een stuk meer verantwoord.









