Bijtgrage honden

En daar waren ze weer hoor. De artikelen met de veelzeggende titel ‘Bijtgrage honden’. Ik ging er onmiddellijk op aan. Bijtgraag. Alsof zo’n hond ’s morgens wakker wordt, zich uitrekt en denkt: Zo, eens kijken wie ik vandaag eens lekker in zijn kuit zal hangen.

De honden waar in die artikelen naar wordt verwezen, zijn volgens mij helemaal niet ‘bijtgraag’. Sterker nog, ik vraag me af of er honden bestaan die voor hun plezier een rondje mensen happen. Maar de lijstjes vliegen je alweer om de oren: Pitbulls, Bully’s, Staffords, Rottweilers. Alles met een brede kop, een gespierd lijf en een uitstraling die niet direct doet denken aan een vrijwilliger in de plaatselijke bibliotheek.

Levensgevaarlijk, zo’n hond.

Als eigenaar van twee Engelse Staffords besef ik heel goed dat ik verantwoordelijk ben voor het gedrag van mijn honden. Juist omdat een Stafford sterk is en, als het echt misgaat, behoorlijk wat schade kan aanrichten. Daarom moet ik ervoor zorgen dat het niet misgaat. Dat heet verantwoordelijkheid. Een tamelijk ouderwets begrip dat tegenwoordig niet veel mensen meer kennen.

Als we met Stef en Kaatje wandelen, komen we regelmatig mensen tegen die hun hond los laten lopen. Zo’n hond ziet Stef en denkt, daar ga ik even lekker mee spelen. Vervolgens stormt hij met de subtiliteit van een sloopkogel op hem af. Stef denkt iets anders. Stef is oud. Hij heeft pijn aan zijn heupen en knieën en zijn behoefte aan spontaan sociaal contact is ongeveer even groot als die van mij wanneer iemand om zeven uur ’s morgens aanbelt.

‘Wil je je hond terugroepen?’

Dan volgt vrijwel altijd hetzelfde antwoord:

‘Hij doet niks hoor!’

Dat zegt het baasje met de geruststellende glimlach van iemand die zojuist een handgranaat zonder pin je tuin in heeft gegooid en erbij vermeldt dat hij meestal niet afgaat.

‘Nee,’ zeg ik dan. ‘Maar Stef wel.’

Want stel je eens voor: je bent oud, alles doet zeer en een onbekende rent op je af om zonder overleg een potje vrij worstelen te beginnen. Ik denk dat menig mens dan ook niet reageert met, ‘Wat gezellig, zullen we meteen even knuffelen?’

Stef grauwt. En als de andere hond zijn waarschuwingen negeert, kan hij van zich afbijten. We hebben inmiddels een geel lintje aan zijn tuigje hangen met daarop: Geef mij ruimte. Duidelijker kunnen we het nauwelijks maken.

Het vervelende is alleen dat wanneer Stef of Kaatje zich verdedigt, de Stafford het al snel heeft gedaan. Want kijk nou eens naar die kop. Daar kan natuurlijk onmogelijk iets redelijks achter zitten. Bij kleine honden ligt dat toch anders. Als een Jack Russell zich als een bezeten perforator in een broekspijp vastzet, klinkt het al snel:

‘Ach kijk nou, hij denkt dat hij groot is. Wat grappig.’

En wanneer een Chihuahua met doodsverachting naar iemands neus springt, wordt er gelachen. Want hij weegt maar drie kilo. Dat zal de plastisch chirurg geruststellen.

Natuurlijk zijn er honden waarmee extra zorgvuldig moet worden omgegaan. Sterke honden kunnen nu eenmaal meer schade aanrichten wanneer het misgaat. En ja, er zijn ook eigenaren die een Bully aanschaffen omdat ze het stoer vinden als hun hond eruitziet alsof hij bij de deur van een nachtclub werkt. Mensen die honden ophitsen, slecht socialiseren of vooral geïnteresseerd zijn in een zo agressief mogelijke uitstraling.

Daar ligt wat mij betreft een belangrijk deel van het probleem.

Daarom vind ik het helemaal geen gek idee om eigenaren van bepaalde krachtige honden te verplichten een cursus te volgen. Leer mensen honden lezen. Leer ze signalen herkennen. Leer ze dat socialiseren iets anders is dan je hond losgooien in een park en roepen: ‘Hij zoekt het zelf wel uit.’ Maar laat dat dan vooral het begin zijn. Want verantwoordelijkheid hoort niet alleen bij de eigenaar van een Stafford, Rottweiler of Bully. Iedere hondeneigenaar heeft die verantwoordelijkheid. Ook degene met de Jack Russell. Zelfs degene met dat trillende Chihuahuaatje in een roze jasje. Want klein zijn is geen vrijstelling voor slecht gedrag. Niet bij honden. En trouwens ook niet bij mensen.

Verkeerd gegeten

Ik had iets gegeten wat niet goed voor me was. Wat precies, daar zijn we het nog niet helemaal over eens. Het vrouwtje noemt het iets wat je absoluut niet had mogen eten. Ik noem het iets dat toevallig onder handbereik was. Dat is toch echt een groot verschil.

In ieder geval begon mijn buik een paar uur later rare dingen te doen. Eerst ging het rommelen. Toen begon het te borrelen. En daarna klonk het alsof er ergens diep in mij een complete verbouwing was begonnen.

Ik ging liggen.

‘Stef?’

Ik bleef heel stilletjes liggen.

‘Wil je een snoepje?’

Normaal gesproken kom ik voor het woord snoepje overeind alsof ik zojuist ben gestoken door een wesp. Nu niet, ik keek alleen even op en legde mijn kop weer neer.

Toen wist het vrouwtje dat het ernstig was.

Ze kwam naast me zitten en aaide over mijn buik. Ai, dat deed zeer, ik piepte een beetje.

‘Ach, mannetje toch.’

Ja inderdaad.

Ik voelde me verschrikkelijk. Mijn buik deed pijn, mijn poten wilden niet, mijn eten hoefde ik niet en zelfs Kaatje kreeg geen reactie toen ze met haar neus tegen mijn oor duwde. Ze keek me verbaasd aan. Waarschijnlijk dacht ze dat ik dood was. En dat ze eindelijk mijn kussen in kon pikken. Het vrouwtje dacht ondertussen ongeveer hetzelfde als Kaatje, alleen dan zonder dat gedeelte over dat kussen.

Ze belde de dierenarts en we konden meteen komen. Normaal probeer ik daar altijd duidelijk te maken dat ik prima in orde ben en dat iedereen vooral van mijn achterwerk af moet blijven. Deze keer liet ik alles gebeuren. Voelen, luisteren, prikken. Als iemand had voorgesteld mijn staart te amputeren, had ik waarschijnlijk gedacht, vooruit maar, als mijn buik maar ophoudt. Ik kreeg een spuit. En we kregen medicijnen mee voor thuis.

Langzaam werd het rustiger daarbinnen. Geen bouwvakkers meer. Geen zware machines. Alleen een wat vermoeid gerommel. Thuis kroop ik in mijn mand. Het vrouwtje ging naast me zitten.

‘Niet meer van die domme dingen eten, hoor Stef?’

Ik keek haar aan. Nee, natuurlijk doe ik dat niet meer. Nooit meer. Tenminste, voorlopig.

Heimweeseizoen

Het begint altijd heel onschuldig. Ik doe ’s ochtends de achterdeur open en ineens ruikt de lucht anders. Frisser. Vochtiger. Alsof iemand ’s nachts stiekem de zomer heeft opgeruimd en de herfst alvast in de gang heeft gezet. Nog niet helemaal binnen, maar hij heeft zijn jas al aan de kapstok gehangen.

De avonden worden korter. Om half negen moet er ineens weer een lamp aan en ergens diep vanbinnen denk ik, dat is wel heel erg vroeg? Terwijl ik heel goed weet dat dit ieder jaar hetzelfde liedje is.

De herfst is het seizoen van de heimwee. In de zomer heb ik daar geen last van. Dan zijn er terrassen, lange avonden en mensen die vinden dat je vooral moet genieten omdat het mooi weer is. Geen tijd voor melancholie. Er moet rosé gedronken worden.

Maar zodra de eerste bladeren vallen, gebeurt er iets. Dan denk ik terug aan vroeger.

Aan huizen waar ik al lang niet meer woon. Mensen die er niet meer zijn. Een jas die aan een bepaalde kapstok hing. Zondagen waarop iedereen er nog gewoon was, zonder dat iemand besefte hoe bijzonder dat eigenlijk was.

Dat is misschien wel het gemene van heimwee. Je verlangt niet alleen terug naar plaatsen. Je verlangt terug naar een tijd waarin je nog niet wist wat je later allemaal zou moeten missen. Een bekende geur kan me helemaal terugbrengen naar die tijd.

Natte bladeren. Houtrook. Soep die uren op het fornuis staat. Zelfs de eerste mandarijnen kunnen me zonder enige waarschuwing veertig jaar terug in de tijd slingeren. Sinterklaas met de familie.

Toch heeft herfstheimwee ook iets moois. Want blijkbaar heeft het zoveel voor me betekend dat het jaren later nog steeds terugkomt zodra de wind draait. Dus laat die herfst maar komen. Met zijn regen, zijn donkere avonden en zijn bladeren die zich verzamelen in iedere hoek van de tuin zodat je je rug verrekt om ze op te ruimen.

Ik steek een kaars aan. En denk even terug. Niet omdat vroeger alles beter was.

Maar omdat mensen het verdienen om gemist te worden.

Ouder worden

Ik hoor in gedachten mijn moeder regelmatig klagen. Ouder worden heeft best wel voordelen. Je hoeft niemand meer aardig te vinden omdat het zo hoort, je mag ongegeneerd klagen over tocht en niemand kijkt vreemd op als je om half tien ’s avonds zegt dat het een mooie dag is geweest. Daar staat tegenover dat het dagelijks leven steeds vaker allerlei hindernissen oplevert.

Neem bijvoorbeeld de wasmachine. Die doet het jarenlang braaf en besluit dan op een donderdagochtend ineens dat hij genoeg heeft van dit bestaan. Hij blijft halverwege het programma staan, met daarin twee handdoeken, drie onderbroeken en een hoeslaken dat inmiddels bezit lijkt te hebben genomen van de trommel.

De deur is beslist niet meer open te krijgen. Echt, hoe dan.

Dan de rollator. Een prachtig hulpmiddel, zolang hij rijdt. Maar ergens tussen de voordeur en de stoep weet één wiel zich altijd vast te zetten in een kier die voor het blote oog niet eens zichtbaar is. En dan kun je duwen wat je wilt, de rollator blijft gewoon staan. Je valt er half overheen en kunt je nog net vasthouden. Verder vallen zou weer een scala aan blauwe plekken hebben opgeleverd.

De rollator blijft staan, maar jij gaat door.

Ook moderne apparaten werken niet mee. De telefoon belt als het niet hoeft en weigert als het moet. Je belt je ene dochter en krijgt de andere aan de telefoon. Alle apparaten krijgen steeds meer toeters en bellen. ‘Dat is handig,’ wordt er dan gezegd. Nee hoor, dat is niet zo. Een flessenopener is handig, of een blik en veger. Het is niet handig als je steeds vaker je kinderen moet bellen omdat je weer eens op een verkeerde knop hebt gedrukt. Zeker niet als die van je persoonsalarm is.

Maar goed, dan komt er in ieder geval wel weer iemand op de koffie. Als het koffieapparaat werkt, tenminste.

Voorbeeld

Er zijn vrouwen die een voorbeeld zijn omdat ze de wereld toespreken vanaf een podium, gehuld in een keurig mantelpak en gebruik makend van ingewikkelde termen over moeilijke onderwerpen. En er was Dolly Parton. Die sprak de wereld ook toe, gewapend met een blonde pruik van een verdieping hoog, een voorkomen waar zij zelf de meeste spot mee dreef en op hakken waar de gemiddelde vrouw al na een meter van gaat huilen.

Ik vond haar geweldig.

Ze heeft nooit geprobeerd eruit te zien zoals anderen vonden dat een verstandige, succesvolle vrouw eruit hoorde te zien. Nee, ze maakte juist haar handelsmerk van ‘te veel’. Te veel haar, te veel make-up, te veel glitter. En ze maakte er zelf de meeste grappen over. Tenslotte kostte het heel veel geld om er zo goedkoop uit te zien.

Maar achter die enorme kunstwimpers zal echt geen dom blondje. Ze schreef honderden liedjes, bouwde een zakelijk imperium op en hield jarenlang de regie over haar eigen werk. Toen Elvis Presley I Will Always Love You wilde opnemen, weigerde ze de publicatierechten af te staan. Dat moet voor een jonge vrouwelijke songwriter in die tijd ongeveer hetzelfde zijn geweest als tegen de president zeggen dat het belastinggeld beter besteed kan worden. Maar Dolly bepaalde zelf wel wat ze deed. Toen jaren later Whitney Houston het nummer opnam en het een wereldhit werd, bewees ze haar gelijk.

Maar wat Dolly vooral bijzonder maakte, was dat ze haar succes niet alleen gebruikte om nog meer glitterjurken te kopen maar dat ze heel veel goede doelen steunde. Ze liet gratis boeken sturen naar jonge kinderen zodat ze konden lezen. Ze ondersteunde talloze onderzoeken en via haar stichting werden heel veel mooie initiatieven geholpen.

Dolly liet zien dat zakelijk instinct niet alleen maar aanwezig is bij mannen of vrouwen in een grijs maatpak. Dat je best ambitie kunt hebben als je een rondborstige country-zangeres uit Tennessee bent. En zeker, ze werd altijd onderschat en er werd ook vaak om haar gelachen. Maar wat deed ze dan, ze glimlachte. Want uiteindelijk was zij degene die het laatst lachte.

Jarig

Gisteren werd mijn grote vriend Stef veertien. Veertien jaar oud. In hondenjaren is dat ongeveer de leeftijd waarop je als mens je kunstgebit ’s nachts in een glaasje legt in de badkamer, ruzie maakt met de afstandsbediening van de televisie en tegen iedereen vertelt dat vroeger alles beter was.

Vorige week moest de kleine man daarom voor zijn jaarlijkse APK naar de dierenarts. Deze keer niet even luisteren naar zijn hart, voelen aan zijn heupen en klaar. Nee, een uitgebreide check-up deze keer. Bloedonderzoek, hartecho, voelen, luisteren, kijken en een hele waslijst afvinken. Met als uiteindelijke vraag, is zijn gezondheid en conditie voor zover in orde.

En het antwoord is, jazeker.

Voor een hond van veertien is Stef verrassend fit. Zeker, de onderdelen beginnen hier en daar wat gebruikssporen te vertonen. Hij is doof. Stokdoof. Behalve wanneer er ergens een zakje hondenkoekjes wordt opengemaakt. Dan blijkt gehoor ineens een rekbaar begrip. Maar dat kan natuurlijk ook door zijn neus komen. Zijn reuk is nog uitstekend.

En hij heeft staar, waardoor hij de wereld waarschijnlijk bekijkt alsof er permanent een laagje vaseline op zijn bril zit. Zijn hart heeft medische begeleiding nodig en zijn heupen en knieën zijn door de artrose inmiddels ook niet meer van het type jonge god. Maandelijkse injecties houden hem op de been. Letterlijk.

Maar hij loopt. Hij eet. Hij snuffelt. Hij geniet. Hij speelt met Kaatje. Hij bemoeit zich met dingen die hem niets aangaan en bepaalt nog altijd zelf waar hij wel en vooral niet heen wil. En dat doet hij met verve.

Daar ben ik ongelooflijk dankbaar voor.

Want als je zo’n oude hond hebt, verandert er iets. Je telt niet meer vanzelfsprekend in jaren. Je bent blij met maanden. Met weken. Soms gewoon met een ochtend waarop hij al rekkend en strekkend van de bank stapt en denkt, oh, is het al dag, dan zullen er wel brokjes zijn.

Natuurlijk weet ik dat veertien heel oud is. Daar hoef je geen dierenarts voor te zijn. Zijn lijf verzamelt gebreken alsof het koopzegeltjes zijn en vroeg of laat is het boekje vol.

Maar voorlopig gelukkig nog niet.

Voorlopig schuifelt Stef door het leven met zijn gammele knieën, zijn matige zicht, zijn slechte gehoor en zijn gereviseerde hart. Een soort klassieke auto waarvan het dashboard permanent drie waarschuwingslampjes laat branden, maar die iedere ochtend toch gewoon weer start. Zo’n oude diesel die even moet schudden voor hij wil gaan lopen.

Dus kreeg hij gisteren zijn veertien kaarsjes. Niet letterlijk natuurlijk. Ook zijn ingewanden zijn al oud. Je moet het noodlot ook niet tarten.

Warm

Het was weer warm deze week. Gelukkig is het in mijn kantoor lekker koel. Stef en Kaatje maken daar ook dankbaar gebruik van. Ik heb dus heerlijk kunnen werken aan mijn boek, deze week. Het verhaal over verlies, rouw, opkrabbelen en weer gelukkig worden. En dan geschreven vanuit het perspectief van mijn trouwe vriend Stef. Een blog is er daardoor even niet van gekomen. Volgende week weer.

Wolkenpraat

Ze zitten samen op een wolk. Niet zo’n dun sliertje waar je elk moment doorheen zakt, maar een stevige, comfortabele wolk met uitzicht. Beneden ligt de wereld die ze hebben achtergelaten. De huizen, de straten en vooral de mensen van wie ze zoveel hielden.

‘Ze hebben het moeilijk,’ zegt de een.

De ander knikt. ‘Dat zie ik.’

Ze kijken hoe hun geliefden proberen door te gaan. Hoe ze ’s morgens opstaan terwijl ze eigenlijk onder de dekens willen blijven. Hoe ze automatisch twee borden pakken en pas daarna beseffen dat er nog maar een nodig is. Hoe ze iets grappigs willen vertellen, om zich vervolgens te herinneren dat degene aan wie ze het altijd vertelden er niet meer is.

Vanaf hun wolk zien ze alles. De tranen die stiekem worden weggeveegd. De foto’s die te lang worden bekeken. De gesprekken met een lege stoel. Ze zien hoe zwaar verdriet kan zijn en hoe langzaam een mens leert om het mee te dragen.

‘Zullen we iets doen?’ vraagt de een.

‘Wat dan?’

‘Een veertje laten vallen? Een liedje op de radio? Een vlinder op het juiste moment?’

‘Dat doen we toch al?’

Ze glimlachen. Het is hun wolkenpraat geworden. Samen bedenken ze kleine tekens, ze zien dat die beneden ook worden herkend. Niet altijd maar dat hoeft ook niet. Misschien is liefde soms gewoon aanwezig zonder dat er bewijs voor nodig is.

Langzaam zien ze iets veranderen. Er wordt weer gelachen. Eerst voorzichtig, alsof lachen niet mag. Later voluit. Er worden nieuwe plannen gemaakt. Verjaardagen worden weer gevierd. Er komt opnieuw licht in de huizen. Er komt zelfs een nieuw huis. Samen zijn ze gelukkig. Het verdriet is niet verdwenen. Het heeft alleen een andere plek gekregen. Niet meer getekend op hun gezicht, maar geborgen in hun hart.

‘Kijk,’ zegt de een. ‘Ze redden het.’

‘Natuurlijk redden ze het,’ antwoordt de ander. ‘We hebben hen toch niet voor niets zo sterk gemaakt?’

Ze kijken naar beneden en zien hoe hun geliefden verder leven. Met gemis, met herinneringen, maar ook met geluk.

Dan schuiven ze wat dichter tegen elkaar aan op hun wolk.

‘Ik ben trots op hen.’

‘Ik ook.’

En ergens beneden kijkt iemand plotseling omhoog.

De laatste van de familie

Mijn oude tante is overleden. Ze is negentig jaar oud geworden, een leeftijd waarvan mensen al snel zeggen dat het ‘een gezegende leeftijd is.’ Alsof een lang leven het afscheid gemakkelijker maakt voor de kinderen. Rouw laat zich niet sturen, dat weet ik maar al te goed.

Ze was de oudste van haar gezin, maar ze is als laatste overleden. Haar jongere broer en zussen gingen haar allemaal voor. Daarmee verdween niet alleen een tante, maar ook de laatste vertegenwoordiger van een familie die ooit aan een grote tafel zat, ruziede om kleine dingen, samen feestvierde en over anekdotes verhaalde waarvan niemand nu nog kan controleren of ze waar zijn of niet. Tante kwam uit een familie van verhalenvertellers. En een fraai gezegde luidt, ‘je mag een mooi verhaal nooit verpesten door de waarheid.’

Nu zij er niet meer is, voelt het alsof er een deur naar vroeger definitief is dichtgevallen. Zij wist nog hoe de familieleden toen waren, wie altijd te laat kwam, wie de baas speelde en wie stiekem het laatste koekje uit de trommel pakte. Zij kende de stemmen, de gewoontes en de kleine eigenaardigheden die op oude foto’s niet te zien zijn. Zij kon nog vertellen over kermissen waar ze stiekem vriendjes ontmoetten. Heel stiekem, want opa was geen makkelijke man.

Haar afscheid was zeker verdrietig. Er waren tranen, omhelzingen en stiltes waarin niemand precies wist wat hij moest zeggen. Maar tegelijkertijd was het ook een gezellig weerzien. Familieleden die elkaar jaren niet hadden gesproken, stonden ineens met een kop koffie naast elkaar alsof de tijd even was teruggedraaid.

Er werden herinneringen opgehaald. Over vakanties, verjaardagen, ondeugende streken en familiefeestjes die in de loop der jaren steeds mooier en waarschijnlijk ook steeds minder waar zijn geworden. Het ‘och ja, weet je nog,’ was niet van de lucht.

Er werd gelachen. Soms voorzichtig, soms gewoon hardop. Want bij een afscheid hoort niet alleen verdriet. Het leven van iemand bestaat gelukkig uit veel meer dan het moment waarop het eindigt.

Tante was de oudste, maar hield het uiteindelijk het langste vol. Ze heeft iedereen zien gaan. Dat moet ook niet makkelijk zijn geweest. Wij blijven achter met de verhalen. En zolang we die blijven vertellen, zit die oude familie toch nog een beetje samen aan tafel.

Kermis

Op een gewone avond tijdens de Tilburgse kermis gebeurt er iets bijzonders. Heel Tilburg trekt de kledingkast open, kijkt naar het aanbod en denkt, wat kan ik aantrekken zodat niemand mij ooit nog vergeet? Helaas wordt die vraag vaak veel te letterlijk genomen.

Vanaf een uur of zeven verandert de binnenstad in een openlucht catwalk zonder jury, regels of nooduitgang. Mannen lopen rond in strakke, veelkleurige overhemden die bij iedere ademhaling op knappen staan. De bovenste drie knoopjes zijn open, want ergens in Tilburg bestaat blijkbaar het idee dat borsthaar een accessoire is. Daarbij een spijkerbroek die zo strak zit dat de eigenaar alleen nog kleine pasjes kan zetten. Alsof hij niet naar de kermis gaat, maar onderweg is naar een spoedoperatie.

De dames hebben zich ook uitgesloofd. Luipaardprint blijkt geen patroon, maar een Tilburgse basiskleur. Jurken zitten zo nauw dat organen vermoedelijk tijdelijk zijn verplaatst. Er zijn hakken waarop niemand kan lopen, maar dat hoeft ook niet, want na twee witte wijn staan de meeste dames toch tegen een oliebollenkraam geleund.

Tussen al dit geweld lopen de echte paradijsvogels. Mensen met glitterjassen, lichtgevende schoenen, felgekleurde kapsels en genoeg goud om een middelgrote nationale reserve te vormen. Zij hebben tenminste een plan. Niet per se een goed plan, maar het is wel een plan.

De Tilburgse kermis is niet alleen kijken. Je ruikt ook alles. Hamburgers, vis, suikerspinnen, verschraald bier, parfum dat met een hogedrukspuit is aangebracht en de lichte paniek van iemand die zojuist heeft ontdekt dat de attractie veel harder gaat dan verwacht.

Bij de grijpmachines worden complete huishoudbudgetten omgezet in een grote pluchen beer. Die verdwijnt bij thuiskomst direct naar de zolder. Er is namelijk helemaal geen plaats op de kinderkamer voor zo’n enorm ding. Bij de schiettent bewijzen mannen aan hun geliefde dat zij haar kunnen beschermen, zolang de aanvaller een metalen eendje op een rail is. En de loop van de luchtbuks niet jammerlijk krom is.

En overal wordt gekeken. Naar elkaar, naar zichzelf in winkelruiten en vooral naar mensen die nóg erger gekleed zijn. Want dat is het mooie van de Tilburgse kermis. Hoe volledig je zelf de plank ook misslaat, er loopt altijd iemand voorbij die de complete werkplaats heeft gemist.