Hittegolf

Zodra de temperatuur boven de vijfentwintig graden stijgt, gebeurt er iets wonderlijks met de mens. En een van de dingen die verdampt in de warmte is het besef voor decorum. Er blijft niks meer van over, lijkt het wel.

De korte broek komt tevoorschijn. Niet zomaar een korte broek, nee: een exemplaar dat ergens tussen optimisme en zelfbedrog in hangt. Vaak gekocht in een jaar waarin nog werd gedacht dat “een maatje minder” een realistisch levensdoel was. Hij sluit nog net, maar alleen omdat de knoop vecht voor zijn leven. Je ziet hem denken, vandaag sterf ik in dienst van de mode. De rits had het al eerder opgegeven.

Daarboven verschijnt het mouwloze hemd. Een kledingstuk dat bij sommige mensen het beste omschreven kan worden als een waarschuwing. Armen die normaal gesproken keurig onder textiel leven, worden ineens publiek bezit. Witte bovenarmen, rode schouders, oksels met een eigen ecosysteem. De zomer is genadeloos democratisch.

Mannen lopen in kleding die op het strand nog niet zou voldoen. Laat staan in een drukke winkelstraat.  Vrouwen hijsen zich in te krappe, luchtige jurkjes die bij windkracht twee veranderen in een medisch noodgeval. Of erger, in een milieudelict. Teenslippers klappen door winkelstraten als vermoeide eenden, terwijl voeten worden tentoongesteld die duidelijk niet op deze publieke taak voorbereid waren.

Ik moet zeggen, de meeste mensen dragen deze kledingstukken wel vol zelfvertrouwen. Hoofd omhoog, schouders naar achter. Alsof het geen misdrijf is de rest van de wereld bloot te stellen aan het aanzicht van delen van het lichaam die beter verborgen hadden kunnen blijven.

Het lijkt wel of mensen denken dat het dragen van te strakke shirts en te korte broeken bijdraagt aan het afkoelen van je lijf. Terwijl dat toch echt niet zo is. Een linnen hemd lijkt me vele malen frisser dan zo’n strak hemdje. En het is esthetischer een stuk meer verantwoord.

Piepen en kraken

Als je net als ik, zoals mijn collega’s altijd zeggen, de Tachtigjarige Oorlog hebt meegemaakt en in de Slag bij Heiligerlee in de frontlinie hebt gestaan, dan draait je lijf al best een tijdje mee. En dan gaat een verbouwing en een verhuizing niet in je koude kleren zitten. 

Sterker nog, je voelt het in je knieën, je rug, je nek, je schouders en in dat ene onduidelijke stukje lijf waarvan je tot gisteren niet eens wist dat het bestond. Verhuizen op mijn leeftijd is niet zomaar “even wat dozen sjouwen”. Het is een meerdaags revalidatieprogramma zonder fysiotherapeut, met stoflongen en blauwe plekken. En met het krijgen van de slappe lach omdat je shocking klem zit in het trapgat omdat je dacht dat die kast makkelijk naar beneden zou gaan. 

Vroeger tilde ik zonder nadenken drie boodschappentassen, een stofzuiger en een wasmand tegelijk. Nu verrek ik al een spier bij het optillen van een stapeltje tijdschriften. En toch liep ik stug door. Met een doos waarop “licht en breekbaar” staat, maar die gevuld blijkt met boeken, servies en vermoedelijk het grafmonument van Toetanchamon. 

Mijn lijf heeft inmiddels een eigen klachtencommissie opgericht. Mijn rug heeft schriftelijk bezwaar ingediend. Mijn knieën zijn in staking. Mijn heupen communiceren alleen nog via doffe pijnscheuten. En mijn armen hangen erbij alsof ze elk moment willen aftreden wegens wanbeleid. 

Het verraderlijke is dat je tijdens het sjouwen nog denkt dat er niks aan de hand is. Werken op karakter en pure ontkenning houden je overeind. Maar zodra je ’s avonds op de bank gaat zitten, begint de afrekening. Dan verandert je lichaam in een krakende oude houten vloer. Alles piept, kraakt en weigert dienst. Opstaan voor een drankje wordt een strategische militaire operatie. Naar de wc gaan vraagt planning en moed. Het telefoonnummer van de huisarts is onder handbereik. 

Als het klaar is, ben je er blij mee, wordt er dan gezegd. Ja, ja. Als ik tegen die tijd nog kan zitten. Of lopen. Of mijn armen boven schouderhoogte kan krijgen om de gordijnen dicht te doen. 

Maar goed, verhuizen is ook opruimen, loslaten en opnieuw beginnen. Alleen had niemand erbij gezegd dat het zo zeer zou doen. 

Voetbalgekte

Het is weer zover. De straten kleuren oranje, vlaggetjes verschijnen uit het niets aan gevels en auto’s rijden rond alsof ze per ongeluk in een pot oranje verf zijn gevallen. Op televisie staat het bol met voorbeschouwingen, nabeschouwingen, analyses en deskundigen die met ernstige gezichten bespreken waarom een linksback net iets verder naar voren had moeten staan.

En ik? Ik snap er niet zo veel van.

Begrijp me niet verkeerd. Ik gun iedereen zijn hobby. Sommige mensen verzamelen postzegels, anderen lopen marathons en weer anderen kijken negentig minuten naar tweeëntwintig mannen die achter een bal aanrennen. Prima. Maar de collectieve hysterie die losbarst zodra er een belangrijk toernooi begint, blijft voor mij een raadsel.

Ineens veranderen normale mensen in voetbalanalisten. De buurman, die vorige week nog niet wist hoe hij zijn grasmaaier moest starten, blijkt opeens alles te weten over tactieken, buitenspelregels en de mentale gesteldheid van de bondscoach. Op kantoor wordt een voetbalpool georganiseerd. Superleuk, daar niet van, maar hoe kan ik dat nou invullen, ik weet van toeten noch blazen.

Het mooiste vind ik nog de emoties. Wanneer Nederland wint, spreken we in koor over “wij”. Wij hebben gewonnen! Alsof we persoonlijk een doelpunt hebben gemaakt. Verliest het elftal, dan wordt er gesproken over “ze”. Ze hebben het verprutst. Wonderlijk hoe dat werkt.

Tijdens een wedstrijd probeer ik soms mee te kijken. Echt waar. Ik geef het een kans. Maar na tien minuten ben ik afgeleid door een interessante vlieg op het raam, een verdwaalde stofpluis op het tapijt of de vraag waarom de scheidsrechter eigenlijk nooit een regenjas draagt. Tegen de tijd dat er een doelpunt valt, ben ik meestal al vergeten tegen wie er gespeeld wordt.

Toch heeft voetbalgekte ook iets moois. Het brengt mensen samen. Vrienden kijken gezamenlijk wedstrijden, onbekenden vieren feest op straat en heel even lijkt iedereen dezelfde taal te spreken. Supporters van rivaliserende clubs staan gebroederlijk naast elkaar met een biertje in hun hand en juichen voor hetzelfde team. En ik vraag me af, waarom kan het nu wel?

Voetbal, het blijft een bijzonder fenomeen.

Stef en Kaatje verhuizen ook

Stef en Kaatje wisten al een tijdje dat er iets vreemds aan de hand was. We waren constant bezig met het vullen van dozen. Die werden dan in de woonkamer gezet. De kasten werden steeds leger. Maar er verdwenen ook steeds meubels. Zoals de bank die op een dag werd opgehaald door twee onbekende mannen. Voor een hond is dat ongeveer hetzelfde als wanneer iemand onaangekondigd je favoriete boom uit het park verwijdert.

Kortom, er klopte iets niet.

Even later gingen ze ook nog logeren. Dat gebeurde vaker, dus daar maakten ze zich niet druk om. Dat was altijd gezellig. Wat wel raar was, was dat ze na de logeerpartij niet teruggingen naar hun eigen huis. Gingen ze nu alweer logeren? Dit was echt niet hun huis.

Kaatje stapte als eerste naar binnen. Zelfverzekerd, alsof ze persoonlijk de bouwkundige keuring kwam uitvoeren. Stef bleef even staan. Hij keek liever eerst of het gebouw niet toevallig instortte.

Binnen begon de grote inspectie.

De hal? Vreemd.

De keuken? Vreemd.

De woonkamer?

Wacht eens even…

Daar lagen hun eigen kussens.

Stef dook er meteen bovenop alsof hij bang was dat iemand hem alsnog zou meenemen. Kaatje inspecteerde ondertussen de speelgoedmand. Daar lag haar favoriete speeltje, een touwknoop. Half kaal, een beetje vies en eigenlijk niet meer als knoop herkenbaar, maar duidelijk haar eigendom.

Heel verwarrend. Het huis rook anders, maar hun spullen roken hetzelfde. De muren waren onbekend, maar de waterbak stond er gewoon. De tuin was nieuw, maar de snoepjespot was meeverhuisd. Dat laatste stelde beide snoepkonten aanzienlijk gerust. De rest van de dag liepen ze door het huis alsof ze rechercheurs waren in een ingewikkelde zaak. Elke kamer werd onderzocht. Elke deur getest. Elke hoek voorzien van een uitgebreide geuranalyse. Stef ontdekte al snel een zonnige plek bij het raam. Die werd zonder overleg uitgeroepen tot zijn nieuwe kantoor. Kaatje vond een strategische positie in de keuken. Precies tussen het aanrecht en de eettafel. Een plek waar de kans op vallende kaasblokjes statistisch gezien het hoogst was.

Tegen de avond waren de eerste conclusies getrokken.

Ja, het huis is anders.

Ja, alles ruikt vreemd.

Maar baasje en vrouwtje zijn er.

Hun manden zijn er.

Hun speeltjes zijn er.

En inmiddels begonnen de kamers ook steeds meer naar Stef en Kaatje te ruiken. Toen ze die avond tevreden op de bank in slaap vielen, leek het mysterie opgelost. Dit was misschien nog geen oud huis. Maar het begon wel langzaam hun huis te worden. En eerlijk gezegd, zolang de snoepjespot is meeverhuisd, zijn honden meestal verrassend flexibel.