Al heel lang familie

 

fish-brothers-1252121-640x480

Familie zoek je niet uit, die heb je nu eenmaal. En soms is daar dan ineens een familielid bij die toch wel bijdraagt aan het begrip ‘vriendschap’. Zijn neef is daar een voorbeeld van. Hij is een paar jaar ouder dan hij, dus hij kent hem al zijn hele leven. Vroeger moesten ze iedere zondag mee naar oma. Daar zag de hele familie elkaar. Een gewoonte die je tegenwoordig niet veel meer tegenkomt. Al denk ik dat er niet veel kinderen zijn die er naar verlangen. Het was ook vaak een bezoeking, zeker als het buiten mooi weer was.

Toen ze wat ouder werden, gingen ze ook meer samen ondernemen. Wat een heerlijk moment toen zijn neef de respectabele leeftijd van 16 jaar bereikte. Met een bromfiets konden ze toch sneller op pad. De arme Tomos werd volgeladen met visspullen zodat ze zeker een hele dag vooruit konden. Ik weet eigenlijk niet of ze veel vis vingen. Dat vertellen de visserslatijnen verhalen niet. Wel werd me duidelijk dat de samenstelling van visvoer enorm belangrijk was. De hoeveelheid hennep en duivenpoep die werd toegevoegd bepaalde toch een groot deel van het succes. En de smaak van de boterhammen, als ze vergeten waren de handen te wassen voor het eten.

Soms sloeg de vermoeidheid bij hem toe en was het moeilijk vasthouden, achter op die Tomos. Toen hij bij een val tijdens het rijden zijn splinternieuwe hengel brak, was het lastig thuis komen. Gelukkig hadden zijn ouders wat dat betreft een rotsvast vertrouwen in hem. Zijn vader ging op hoge poten verhaal halen bij de hengelsportzaak. “Het kan toch niet zijn dat een hengel breekt bij de eerste de beste grote vis die je aan de haak slaat.” 

Door de jaren veranderde het leven maar bleef de vriendschap. Er kwamen echtgenotes in beeld, kinderen, met alle perikelen daar omheen. Maar voor raad en advies bleef hij zijn neef opzoeken. Andersom kon hij zijn neef ook helpen. Zo onhandig als hij zelf was bij het invullen van belastingpapieren, zo weinig bedreven was zijn neef bij het hanteren van gereedschap. Tot op het niveau dat zijn kinderen vaak zeiden “laat maar pap, we bellen jouw neef wel even, die kan dat wel.”

Het leven was niet altijd leuk maar ook dat deelden ze met elkaar. Avonden konden ze samen bomen, onder het genot van een drankje. De weekenden, die ze samen op pad gingen, zijn dierbaar. En niet alleen om de gesprekken, ook om het onbezorgde plezier dat ze met zijn allen hadden. Hij moest er wel aan wennen, vissen met je neef is heel wat rustiger dan wanneer diens zonen erbij zijn. Vooral de jongste was een regelrechte verhalenverteller. Dat startte op het punt dat hij zijn ogen open deed en pas wanneer hij ’s avonds sliep was het weer stil. Maar ook dat was onderdeel van het plezier. 

Inmiddels zijn ze jaren verder en is de vriendschap een van de ankers in zijn leven. Hij ziet zijn neef niet iedere dag maar weet dat hij er is. En als ze elkaar zien, is het weer als vanouds. Alsof ze weer klaar staan om samen op pad te gaan. De Tomos is verruild voor een Toyota maar het gevoel is nog hetzelfde.

 

 

 

September

september

Ik kan er niks aan doen, september is mijn meest favoriete maand van het jaar. De zomer is heerlijk, zeker als het mooi weer is, maar niks kan op tegen de charme van het najaar. Het beseffen dat er een ander tijdperk aan komt, dat de kleuren nog een keer feller worden, de ochtenden ruiken naar dat zoete gevoel van heimwee. Denken over wat is geweest en wat we allemaal hebben meegemaakt. Het grote voordeel van niet meer piepjong zijn. 

Natuurlijk is niet alles eenvoudig te verwerken. Soms moet je accepteren dat bepaalde dingen niet meer vanzelf gaan. Als je jong bent, en overtuigd van je eigen gelijk, maak je voor jezelf een planning. Ik ga dit doen, dat doen, en als ik dan 55 jaar oud ben, ga ik met pensioen. Dan heb ik gezorgd dat dat mogelijk is, ik hoef dan alleen nog maar te doen wat ik leuk vind. Maar plannen is wel mooi, het leven zorgt toch altijd dat het anders loopt.  

Zo kan het voorkomen dat je te kampen krijgt met een ziekte, of een aandoening. “Leer er mee leven”, is de boodschap. Makkelijk gezegd, lastiger gedaan. Vooral als je in je hoofd gewoon 35 blijft. En vooruit wilt. Het moeilijkste is accepteren dat bepaalde zaken steeds meer moeite kosten. Lachend roepen we tegen elkaar dat we een nachtje doorhalen echt niet meer trekken. Dat we dan twee dagen moeten bijkomen. De waarheid is dat het gewoon echt niet meer lukt. Bijwerkingen van medicijnen zorgen daarvoor. Niet slikken is geen optie, dan is het helemaal niet te doen

Accepteren. Vroeger vond ik dat een vies woord. Als je maar wilt, kun je alles. Helaas is dat niet waar, en kom je daar door schade en schande achter. Het maakt wel dat je milder wordt. Wat dan weer een voordeel is.

Gelukkig zijn we nog niet oud. En is het anders inrichten van je leven ook weer een mooie uitdaging. Het is een cliché maar als er ergens een deur sluit, gaat er echt weer een andere open.

September, ik koester het gevoel van heimwee. Eens per jaar mag dat. En dan weer snel verder, zonder om te kijken.

 

 

Pubertijd

balletschoenen

Mijn pubertijd was niet mijn meest populaire periode. Ik was geen bevallige puber, ik was onhandig, groeide ongelijk en had altijd puistjes op het moment dat er een voor mij en mijn klasgenoten belangrijk feest op stapel stond.

Ook kom ik uit een gezin waar mode en meedoen niet belangrijk gevonden werd. Mijn moeder had een heel eigen mening over de wijze waarop zij haar kinderen wilde opvoeden. Populair zijn onder klasgenoten hoorde daar niet bij. Ik ben de oudste van vier meiden. Ik hoop dat ik het voor mijn zussen wat makkelijker heb kunnen maken maar ik vrees dat zij weer tegen hun eigen problemen aan liepen.

Oh ik weet het nog zo goed. Ik moest op dansles. Mijn moeder was onvermurwbaar. Dat hoorde nou eenmaal bij de opvoeding. Maar ik heb het maatgevoel van een aardappel. Bovendien ben ik verre van lichtvoetig ondanks mijn geringe gewicht. Gelukkig ging een vriendinnetje ook naar dezelfde dansschool dus ik hoefde in ieder geval niet alleen. Natuurlijk bleek zij een natuurtalent en liepen alle populaire jongens achter haar aan. Mijn lot was een iets te dikke knul met rood haar en duizend sproeten. Alleen wil je als veertienjarige niet verrast worden met een surprise op de Sinterklaas-dansavond. Als enige. Daar stond ik, met een pakje waar een porseleinen hondje uit tevoorschijn kwam. Ik heb het lang bewaard, dat wel.

Mijn vriendin was lang en slank en had mooi blond haar. Ik was klein, spichtig en mijn bruine krullen sprongen alleen de verkeerde kant uit, hoe veel ik er ook aan probeerde. Niet dat ik het haar niet gunde hoor, ze was lief en we hadden veel plezier samen, ik kon alleen wel eens zuchten als ik haar hoorde klagen over dingen waar ik zelf een moord voor zou doen.

Zij had altijd wel een aanbidder. Ik niet, ik was het maatje van een jongen die later niet op vrouwen bleek te vallen. Ook een lieve schat, dat wel, maar niet iemand die in die zin bijdroeg aan mijn zelfvertrouwen. Ik werd er af en toe wanhopig van, als pubermeisje droom je er toch van om prom-queen te worden. Het zat er niet in voor mij.

En als ik nu nog uitblonk in andere zaken, maar ook dat was niet het geval. Ik kon niet mooi zingen, was a-muzikaal, nog steeds trouwens, kon niet tekenen en bij de gymles werd ik altijd als betrekkelijk laatste gekozen. Bij mijn moeder hoefde niet aan te kloppen met mijn onzekerheden, ik geloof niet dat zij het probleem zag. Ik sleepte me door mijn middelbare schooltijd heen, niet ongelukkig, maar ook niet voluit enthousiast. Leren ging me gelukkig wel goed af, dat was dan nog een geluk.

Wat was ik blij toen ik met diploma’s op zak op zoek kon naar een baan. Nu zou het allemaal wel goed komen. Vol vertrouwen zag ik de toekomst tegemoet. 

Gelukkig bleek inderdaad in mijn latere leven dat je als laatbloeier heel gelukkig kunt worden. Het is echt nog goed gekomen met mij. Ik heb nog steeds geen maatgevoel en sporten zit nog altijd niet in mijn genen maar verder doe ik het goed, al zeg ik het zelf. Zelfs met mijn zelfvertrouwen is het goed gekomen. Vooral na het emigreren van mijn vriendinnetje.

 

 

 

 

Sociale controle

Pillen

In het appartementencomplex van mijn schoonvader is de sociale controle groot. Dat begint al bij de ingang. Een groot aanplakbiljet wijst mensen erop dat honden hier te allen tijde aangelijnd moeten zijn. Dat snap ik, stel je voor dat iedereen zijn viervoeter vrolijk laat ronddartelen. Om dit gebod te handhaven, zitten er vrijwel altijd kritische oudjes in het zitje in de hal. Zij monsteren iedereen die binnenkomt. Ik heb van mijn schoonvader de sleutel van de toegangsdeuren gekregen maar dat is geen reden om mij niet wantrouwend te bekijken. Ze vragen nog net niet wat ik kom doen.

Laatst was ik door mijn schoonvader op pad gestuurd om kleding op te halen. Hijzelf was halsoverkop opgenomen in het ziekenhuis. Gelukkig herstelde hij spoedig en kon hij zich al weer zorgen maken over welke kleding ik precies moest halen. Dat overhemd, die broek en vergeet mijn telefoon niet. Gewapend met mijn lijstje toog ik naar zijn huis. Door de automatische schuifdeuren, daarna verschafte ik me de toegang tot de hal. Argwanend draaiden die hoofden en bekeken me. “Ah, de schoondochter, dat kan.” Ik stapte de lift in, gemak dient de mens, en liet me naar de juiste etage brengen. Daar stond de buurman van pa te rommelen met zijn plastic bloemen en handbeschilderde dakpan, overgebleven van een rommelmarkt uit antieke tijden. Ik groette de man en liep naar de voordeur. “Hij is er niet hoor, hij is vanmiddag naar het ziekenhuis gebracht. De ambulance heeft hem opgehaald.”

“Ja, dat weet ik, ik kom even spullen voor hem halen.”

De buurman ging er eens voor staan. “Hoe gaat het nu met hem?”

Ik keek stiekem op mijn horloge. Gelukkig, het kon wel even.

“Ach, hij krijgt een kuur en dan hopen we hem weer op de been te krijgen.”

“Ja, ik ken dat. Ik heb zelf ook zoveel last. De dokter zegt dat er niks meer aan te doen is.”

Inwendig slaakte ik een hele diepe zucht. Als ik ergens een hekel aan heb, is het aan oude mensen die vanuit het niets tegen een wildvreemde gaan klagen. Pa klaagt nooit. 

Ik mompelde iets tegen de man van ‘druk’, ‘laat’, ‘geen tijd’ en schoof snel het appartement van mijn schoonvader binnen. Gered, gelukkig. Ik pakte de gevraagde spullen in en maakte me snel uit de voeten. De buurman stond nog steeds buiten, ik verdacht hem ervan mij op te wachten. Dus ik zwaaide nadrukkelijk en liep door. “Wens hem beterschap!”, hoorde ik achter me roepen. Ik stak mijn hand op ter bevestiging. Pa wordt wel beter, die heeft longontsteking. En gelukkig geen ongeneselijke bemoeizucht.

 

Schietsport

 

stopwatch.jpg

Jarenlang zijn wij lid geweest van een schietvereniging. Dat klinkt veel enger dan het is. Natuurlijk zijn er uitwassen, in welke sport zijn die niet, maar het overgrote deel van de sportschutters is een verantwoordelijk mens, die met een klein kaliber pistool zoveel mogelijk het midden van de kaart wil raken. En een tien wil schieten.

Door een vriendschappelijke uitwisselingswedstrijd kwamen wij eens in de drie, later eens in de twee jaar terecht in Oostenrijk, bij een grote schietvereniging vlak bij de Bodensee. En we leerden daar het verschil kennen tussen het verenigingsleven in Oostenrijk en dat in Nederland.

Bij de vereniging waar wij destijds lid waren, waren de bestuursleden heel belangrijk. Over het algemeen mannen die thuis niets te vertellen hadden en het enorm interessant vonden hun hele clubavond door te brengen in wat zij noemden, ‘de bestuurskamer’. Uiteraard met de deur dicht, we mochten als simpele leden eens horen wat zij daar bespraken. Stel je voor. Zij hadden ook allemaal een streepje voor, als er wedstrijden waren, mochten zij kiezen op welk tijdstip ze wilden schieten. Ik stond met een slaperig hoofd op zondagochtend om 09.00 uur op de baan, dat zou hen niet overkomen.

Een algemene ledenvergadering was altijd een happening. Het bestuur zat achter de tafel, de voorzitter hanteerde met verve de hamer. Helaas hadden wij onder de leden ook een juridisch meer dan gemiddeld  onderlegd persoon, met een vilein gevoel voor humor. Hij genoot er van moeilijke vragen te stellen en dan heel rustig te wachten op de reactie. Als hij ging staan, zag je voorzitter al zuchten. Daar kwam weer een riedel moeilijke woorden. Terwijl je, als je met die man aan de bar zat, vreselijk met hem kon lachen. Hij deed het expres.

In Oostenrijk ging dat toch anders. Ik ben ervan overtuigd dat ook zij weleens moeilijkheden hadden, maar daar merkte je nooit iets van. Het was een hechte club, die ook de feestdagen samen vierden. Maar ook lief en leed samen deelden. Leden die om welke reden dan ook niet meer konden schieten, waren nog altijd van harte welkom. Wat werden wij daar altijd gastvrij ontvangen en wat hebben wij daar veel gelachen.

Maar ook in moeilijke tijden, toen we hen nodig hadden, waren zij er voor ons. Zonder vragen werden we geholpen en leefden ze met ons mee. 

We zijn al lang geen lid meer van de vereniging. Het strenge regiem in Nederland haalde het plezier voor ons uit de sport. Hoe goed we ook begrijpen waarom dat gebeurt en hoe belangrijk dat is. En helaas kwam er toen ook een einde aan de wedstrijden in Oostenrijk. Maar het contact is gebleven. En binnenkort gaan wij kijken hoe het met iedereen gaat.

 

Stom

samen

‘Stom’, veel mensen kennen het wel. Het lijstje van Linda de Mol waarbij (veelal bekende) Nederlanders mogen vertellen wat ze stom vinden. Het varieert van heel suffe tot heel hilarische onderwerpen. Zoveel mensen, zoveel meningen. Natuurlijk heb ik ook een dergelijk lijstje, met kleine en grotere ergernissen. Maar er is één ding, dat vind ik niet alleen stom, dat vind ik ook schandelijk. En eigenlijk is dat ook niet het goede woord, eigenlijk heb ik er geen woord voor. 

Een hele goede vriend woont samen met zijn vriend in een mooi appartement in de stad. Hij heeft een goede baan, fijne vrienden, kortom een prima leven. Toch zijn er mensen die hem dit leven op zijn eigen manier niet gunnen. Dat bleek onlangs maar weer eens.

Hij was op zaterdagavond even de stad in gelopen voor een biertje. Alleen, zijn partner had andere verplichtingen. Dat kwam weleens een enkele keer meer voor, geen enkel probleem. Na een gezellig borreluurtje besloot hij dat het mooi geweest was en ging naar huis. Op een gegeven moment voelde hij dat hij gevolgd werd. Hij keek niet om maar versnelde wel zijn pas. Dat was blijkbaar voor het groepje sukkels dat hem achtervolgde de trigger. Zij zetten het op een lopen. Hij probeerde te ontkomen maar tegen zes man leg je het al snel af. 

Wat er toen gebeurde, is met geen pen te beschrijven. Het ergste nog was op een gegeven moment de berusting die over hem heen kwam. “Laat het maar gebeuren, ik zie wel of en hoe ik morgen wakker word”. Gelukkig zijn er ook normale mensen op deze wereld en kwam er hulp. Het zestal zette het op een lopen. Hij werd geholpen en wist op zijn laatste krachten het politiebureau binnen te lopen. “Hebben ze wat gezegd”, was de vraag. Het enige dat hij zich wist te herinneren waren de woorden “het is toch een vieze homo.”

Natuurlijk, er zijn instanties, hij heeft veel steun aan Roze in Blauw en Slachtofferhulp. Maar het feit ligt er. Dat je in Nederland, anno 2017, nog steeds niet mag zijn wie je bent. Dat er nog altijd mensen zijn die een dermate beperkt verstand hebben dat ze niet begrijpen dat niet iedereen hetzelfde is. En menen dit ‘recht te mogen zetten’. Wat wij die mensen gewenst hebben is ook niet voor herhaling vatbaar.

Homohaat, het was altijd iets dat ver weg was. Niet bij ons, niet bij onze vrienden. Helaas, we zijn weer een stukje vertrouwen in de mensheid verloren.

 

 

 

 

Weggooien

kleding

Onbewust nonchalant gooien wij eigenlijk enorm veel weg. “Ach, dat is uit de mode, dat gebruik ik niet meer, gooi maar weg.” We staan er niet eens bij stil, eens in de zoveel tijd komen de mannen van de Gemeentereiniging de container halen en dat was dat. We klagen in de zomer alleen over de frequentie van de gft-bak en de enorme populatie maden die dat soms met zich meebrengt.

In Gambia, bij Marijke, is dat heel anders. Zij krijgt van tijd tot tijd vanuit Nederland, van familie of vrienden, spullen toegestuurd. Al dan niet verpakt in een behoorlijke container. Kleding vindt gretig aftrek. ”Dat is voor mijn broer, voor mijn zus, voor mijn nicht.” Zelfs een laptop, zonder voeding en netsnoer, wordt dankbaar meegenomen. “Ik weet niet of hij werkt hoor!” Dat geeft niet, daar wordt een oplossing voor gezocht. Soms schaam ik me dan een beetje. Het zijn toch allemaal zaken die wij niet meer willen. Afdankertjes.

Marijke zelf heeft de helft van haar huisraad al weggegeven. Ik ken haar. De jaren in Gambia hebben gemaakt dat steeds meer afscheid neemt van wat ze eigenlijk toch niet nodig heeft. Al die spullen die maar op zolder staan, omdat het ‘zonde is om weg te doen’, maar al jarenlang stof staan te verzamelen. We gebruiken het nooit meer en eigenlijk is het enkel ballast. Een bijkomend voordeel voor haar is natuurlijk dat ze ook geen winterkleding meer nodig heeft. Tja, als ze terugkomt naar Nederland voor familiebezoek. Maar daar is wel een mouw aan te passen. Haar enige zonde zijn boeken. Papieren boeken, anders is het niet echt. Ze heeft er zelfs een grote boekenkast voor laten maken.

Gaandeweg, door te luisteren naar dit soort verhalen, kom ik er achter ik dat al die rommel, die ook op mijn zolder staat te verstoffen, helemaal niet nodig heb. Ik ga ruimen, opruimen, weggooien en weggeven. Heerlijk rust. Helaas denk ik dat ik Marijke niet blij kan maken met een paar oude schaatsen, die moeten dan toch echt maar naar de kringloop.

Maar ik weet zeker, als Marijke weer zaken weggeeft, en kijkt naar de blijdschap van de mensen, dat ze dan meer terugkrijgt dan zij gegeven heeft.

 

 

 

 

 

Nederlanders

boodschappen buitenland

In het Franstalige gedeelte van België stond ik bij de Carrefour-supermarkt in de rij voor de kassa. Ik had een fles wijn en een stokbrood en alle tijd van de wereld. Het kijken naar mensen is een van mijn favoriete bezigheden dus er was genoeg te doen. Voor me stond een gezelschap van een wat oudere man en vrouw en een jonger stel. Ik schatte hen pa, ma, zoon en schoondochter. Duidelijk Nederlanders, iets dat me direct deed besluiten mijn mond te houden en niets te zeggen. De schoondochter was zwanger, het pluizige baardje van haar jonge echtgenoot en zijn blozende wangen maakten dat ik me afvroeg of het wellicht een ‘ongelukje’ was.

Zij hadden de boodschappen al op de band gelegd. Weinig spannends. Het enige dat er uitsprong was een fleurige vliegenmepper. Ik vroeg me af of ze kampeerden. Dan is een vliegenmepper kansloos. Dat weet ik. De jongeman hing verveeld over het karretje en blokkeerde de doorgang. Hij leek niet helemaal gelukkig met de situatie, misschien was zijn idee van vakantie meer een swingende week op Ibiza. En nu zat hij opgescheept met zijn ouders in een suf Belgisch dorp.

“Ga wat naar voren, dan kan die mevrouw haar spullen ook op de band leggen.”

Pluisje keek achterom maar mij. Hmm, twijfelgeval, hij kon het risico wel nemen.

“Hoezo, ze wacht maar even hoor.” 

Het afrekenen stuitte natuurlijk op de nodige taalbarrières maar uiteindelijk werd de buitenlandse bankkaart geaccepteerd en konden de boodschappen in de tassen geladen worden. De vraag “wilt u de bon” werd door moeder niet begrepen, net zo min als “wilt u zegeltjes”. Haar vragende blik deed de kassière besluiten alles bij elkaar te vouwen en met een glimlach in de handen van de vrouw te duwen. Die stopte alles in haar enorme huishoudbeurs, waarna het veilig in haar handtas verdween. Om thuis nog eens na te kijken.

Ook ik had inmiddels mijn spulletjes op de band gelegd en stond vlak bij de kassa. De tassen van het gezin werden opgetild, uiteraard door de mannen en men maakte aanstalten te vertrekken. En toen kon ik het niet laten. “Fijne vakantie nog!”, wenste ik hen. Geschrokken werden vier hoofden gedraaid. De blik in hun ogen was goud waard.

 

 

Janus de Leugenaar

.facebook_1502186140512

In het dorp waar opa de Kok vandaan kwam, hadden de mensen over het algemeen bijnamen. Je had er bijvoorbeeld de Pater, de Paus en de Neus. Opa werd in het dorp aangesproken met de titel Janus de Leugenaar. Niet zozeer omdat hij mensen consequent beloog maar de verhalen die hij kon vertellen over de jacht waren legendarisch.

Zo vertelde hij een keer dat hij met een prachtig schot een enorme eend had geschoten. Deze viel helaas in het water van een klein vennetje waarna opa met een lange stok bezig moest om de eend naar de kant te krijgen. Hij poerde en poerde en haalde met zijn prikstok niet alleen de eend maar ook een dikke paling aan de wal. Hier schrok hij zo van dat hij achterover viel. En wat denk je, boven op een haas. Die kon ook gelijk mee voor het avondmaal.

Wij luisterden met volle aandacht naar opa en zijn verhalen. Natuurlijk mocht je niet lachen, dan werd hij boos. Zijn ruiten pet schoof met het verstrijken van de avond steeds meer naar de achterkant van zijn hoofd. Druk gebaarde hij om ons te overtuigen van de formaten van zijn buit. Het kleine borreltje met suiker moest regelmatig worden gered. Hij dronk er maar één, hooguit twee, meer spraakwater had hij niet nodig.

Ook had opa weinig respect voor de ‘moderne’ boeren. Hij, als ouderwetse keuterboer, had tenminste nog een echte moestuin gehad. Dat zielige gedoe van tegenwoordig. Nee, vroeger, toen stak hij twee kroppen sla en zijn kruiwagen was vol. Daar moest je nu eens om komen. De boeren van vroeger waren tenminste ook geen watjes. Die spanden het paard uit als het zich bezeerd had en stonden zelf aan de ploeg.

Het allermooiste verhaal vond ik dat van de eenden in één schot. Opa was in zijn element, hij werd omringd door een aandachtig gehoor. Zorgvuldig legde hij zijn denkbeeldige jachtgeweer aan, mikte, mikte. “En met één schot, schoot ik wel vijftig eenden.” Dit werd zijn jachtmaat toch iets te gortig en hij zei, “maar Janus, vijftig, het is zo heel veel, laat het nou de helft eens zijn.”

Waarop opa de legendarische woorden sprak: “Nou, en is dat dan nog niet veel!”

 

 

Alleen

Eigenlijk ben ik nooit alleen. Thuis zijn er mijn man en mijn hond, als ik werk zijn er mijn collega’s. Er zijn vrienden, bekenden, ik ben een gezegend mens. Maar soms, heel soms, zijn er avonden dat ik helemaal alleen ben. Dat heeft meestal een minder prettige reden, mijn lief heeft af en toe zoveel last van zijn hoofdpijn dat hij na het eten uitgeput in zijn bed kruipt. Ik blijf dan achter met de hond en bedenk wat ik ga doen. Televisie kijken, muziek luisteren, lezen. Vaak kruip ik achter mijn laptop en schrijf over de dingen die ik heb meegemaakt of waar ik over na heb gedacht.

Ik vind dat niet vervelend. Wel voor mijn man, dergelijke hoofdpijnclusters gun je niemand, maar zo’n avond alleen is niet erg. De stilte is een aangenaam tegenwicht voor de drukte in mijn hoofd. De dingen hebben de tijd om weer even op zijn plaats te vallen. Gewoon nadenken over wat er allemaal aan de hand is en hoe ik daar mee om moet gaan. Het zijn geen hoogdravende zaken, de meeste dingen wijzen zichzelf. Je moet alleen soms de tijd nemen om er over na te denken.

De tijd waarin wij leven geeft de mensen weinig rust. We doen het onszelf aan, daar ben ik van overtuigd maar het gebeurt of je nu wilt of niet. Volgeplande agenda’s, iedereen gaat mee in de ratrace. Ik kan het niet bewijzen maar ik denk dat het zeker meespeelt in het feit dat er zoveel mensen over de rand vallen. Het is best moeilijk om je leven zo in te richten dat er ruimte blijft in je hoofd. We zijn dag en nacht bereikbaar, mensen posten hun halve leven op Social Media. Natuurlijk alleen de leuke dingen, daardoor lijkt het of iedereen een geweldig leven heeft. Zonder tegenslagen en narigheden. Als je niet uitkijkt, ga je je eigen leven beschouwen als saai. En saai is niet modern.

Zo’n avondje stilte brengt voor mij weer perspectief. Mijn leven is niet saai, verre van, maar er gebeuren echt niet alleen maar leuke dingen. Ondanks dat ik een gelukkig mens ben, zijn er soms problemen die echt niet in een dag zijn opgelost. Dat hoeft niet op Facebook, daar heeft de wereld niks mee te maken.