Selfie

Met de komst van de smartphone is ook een heel bijzonder fenomeen ontstaan. Een fenomeen waar het nut er van volledig aan mij voorbij gaat. De selfie. Mensen die zich in allerlei bochten wringen om een foto van zichzelf te maken met een bijzondere achtergrond. Omdat de armen van een mens maar een beperkte lengte hebben, zijn de portretten over het algemeen niet om aan te zien. Wallen, rimpels, onderkinnen, het komt allemaal prominent in beeld. De hoek van waaruit de meeste foto’s worden genomen is zo slecht dat als de foto door een ander was genomen, je desnoods een rechtszaak had aangespannen om publicatie te voorkomen.

Natuurlijk gaat het om de omgeving, de situatie. En daarvoor gaan we ver. Een zeehond die even ligt te rusten op het strand wordt onder het mom van “misschien mankeert hij wel wat” belaagd door wandelaars die hun kans schoon zien. “Leuk Piet, ga er eens naast staan.” Een meer heldhaftige wandelaar waagt het de arme zeehond aan te raken. Het dier raakt meer en meer gestrest en, jawel, haalt uit naar de fotograaf. En ik denk “goed van je”. Want niet de gebeten fotograaf is het slachtoffer, dat is de zeehond die er helemaal niks van snapt. De dierenbescherming kan waarschuwen wat ze wil, wij Nederlanders weten het toch altijd beter.

Natuurlijk is dit niet alleen een Nederlandse kwaal, het komt overal voor. Zo las ik dat in Tasmanië de bewoners van Maria Island een eed hebben afgelegd om wombats te beschermen. Toeristen belagen deze knaagdiertjes met hun zachte pels met hun selfiestick. En met welk doel? Ze bereiken er alleen maar mee dat de jongen van deze dieren door hun stress zichzelf verwonden of erger. En als er dan een keer een dier is dat zijn kans schoon ziet en zichzelf beschermt, dan is het huis te klein. Alles voor de social media.

Waar ik dan wel weer om kan lachen, is het nieuws over een vrouw die met een geladen vuurwapen poseert voor haar vriend en hem per ongeluk doodschiet. Ik weet het, het is heel tragisch, maar hoe dom kun je zijn. Uiteraard gebeurde dat in de Verenigde Staten, het land waar je in de supermarkt een geweer koopt en je revolver bewaart in het nachtkastje. Waarschijnlijk was het zijn wapen en vond zij het wel spannend om het ding vast te houden. Koel staal, gevaarlijk, dodelijk, supersexy. “Uitkijken hoor, hij is geladen, niet je vinger aan de trekker.” De vrouw in kwestie staat te stuntelen, want een wapen is zwaarder dan je in eerste instantie denkt. “Oeh, dat valt toch nog best tegen”, ze probeert zwoel te kijken en oeps, er klinkt een knal. Op zich ook raar, want ook de trekkerdruk is veel zwaarder dan je zou verwachten. Misschien was het een excuus, wie zal het zeggen.

Een selfie, het internet is er van vergeven. En dat geeft niet, dat moeten mensen vooral zelf weten. Maar jongens, neem jezelf toch alsjeblieft niet zo serieus. Zelfs de zelfportretten van Vincent van Gogh misten een onderdeel.

Samen boodschappen doen

Ik stond in de supermarkt in de rij voor de kassa. Vrijdagmiddag, mijn laatste adres dus ik had de tijd. Voor me stond een echtpaar waarvan de man waarschijnlijk niet goed had opgelet tijdens de lange tocht door de gangen met artikelen. Bij alles wat de vrouw uit het karretje haalde en op de band deponeerde, had hij commentaar. Hij pakte zelfs spullen in zijn hand om ze aan alle kanten te bekijken.

“Waarom moet je twee bosjes bloemen hebben?”

“Deze zijn in de reclame.”

De caissière voelde even de noodzaak om in te grijpen. “De tulpen zijn in de reclame mevrouw, niet deze rozen.”

De man sloeg zijn ogen te hemel en zuchtte. Even weifelde de vrouw maar dan legde ze de bloemen toch op de band. “Zo”, leek ze te denken. Ik keek en genoot.

De rij achter me groeide gestaag maar het kon mij niet schelen. Ik amuseerde me en keek verwachtingsvol naar de komende ontwikkelingen.

“Hebben wij altijd dit merk koffie?”

“Ja, en leg nou maar in het karretje.”

De vrouw leek toch een beetje ongelukkig te worden. Haar bewegingen werden langzamerhand vinniger. De caissière werkte door en de man moest aanpoten om alles bij te houden. En toen gebeurde het onvermijdelijke, de man liet wat vallen. Een doosje met 12 eieren kletste tegen de grond, tussen de wieltjes van het boodschappenkarretje en de stevige ouderwetse schoenen van de man. Het eigeel spatte alle kanten uit en veranderde de keurige broekspijpen van de geschrokken man tot een plakkerige smeerboel.

Even was het alsof de hele supermarkt zijn adem inhield. De caissière hield een doosje doodstil boven de scanner. De mensen achter me in de rij stopten even met ongeduldig zijn. De man keek naar zijn schoenen, naar zijn vrouw en weer naar zijn schoenen. De vrouw stond roerloos. Gelukkig kwam het praktische meisje achter de kassa toen direct in actie. “Schoonmaakploeg, kassa 5 alsjeblieft”.

Ik denk dat de man te overdonderd was om iets te zeggen. Of hij schaamde zich zo dat hij daarom zijn mond dicht hield. Toen de meeste troep was opgeruimd vertrok hij met zijn vrouw richting uitgang. Ik zag hen ruziën. Ik grijnsde maar eens naar de caissière, “ze hebben nog steeds ruzie.” “Ach”, zei het meisje, “dat is iedere week zo, ik ben er aan gewend.”

Als ik die vrouw was, ging ik volgende keer alleen. Of naar een supermarkt met een zelfscan-systeem.

Je zal het maar hebben

Soms komen er toch wel eens programma’s op televisie waarvan je denkt, ja, daar moet ik even naar kijken. Onlangs werden we attent gemaakt op het programma “Je zal het maar hebben”. Het aangekondigde onderwerp was Clusterhoofdpijn. Een bekend item, mijn maatje heeft hier al bijna 20 jaar last van. De timer van de televisie werd ingesteld, anders zouden we het toch weer vergeten waarschijnlijk.

Mijn maatje vond het wel spannend. Want een aanval ondergaan, is toch wat anders dan iemand zien die een aanval heeft. Maar, eerlijk is eerlijk, het werd integer in beeld gebracht. De patiënt in kwestie werd gelukkig niet gepresenteerd als een zielig hoopje mens maar als iemand die toch de kracht opbracht om iets van het leven te maken. Ondanks het feit dat ze iedere nacht geconfronteerd werd met haar hoofdpijn en ze gemiddeld maar vier uur sliep. Ze praatte zonder zelfmedelijden over dat ze als gevolg van haar aandoening het werk wat ze het liefste zou doen, op had moeten geven. Een clusterhoofdpijnpatiënt is niet in staat nachtdiensten te draaien. In een goede periode komen de aanvallen alleen ‘s nachts. In een hevige periode gaat het 24 uur door, werken is dan helemaal een uitdaging.

Het programma behandelt per aflevering twee ‘gevallen’. In de Clusterhoofdpijn-groep werd aandacht besteed aan het hoofdpijnonderwerp. Logisch, iedereen voelt zijn eigen pijn het meest. Maar ik was toch wel onder de indruk van de jongen die ook gevolgd werd. Selwin, een jongen van 24 jaar met het syndroom van Nager. Ik had er nog nooit van gehoord maar Selwin heeft vergroeiingen, hij heeft hele korte armen, geen duimen, een vergroeide kaak. Maar wat Selwin ook heeft, is een grenzeloos optimisme. Hij heeft een baan, veel vrienden, een eigen auto waar hij supertrots op is. Een hij heeft dromen. En daar heb ik bewondering voor. Mensen die ondanks hun tegenslagen toch dromen houden. En zich niet laten kisten.

Mijn maatje heeft zich ook nooit laten tegenhouden door zijn clusterhoofdpijn. Natuurlijk, in de periodes van 15 aanvallen of meer per dag functioneert hij niet. En als dat lang duurt, moeten er drastischer maatregelen getroffen worden. Maar hij heeft een bloedhekel aan mensen die zielig in een hoekje gaan zitten. Het kan namelijk altijd erger. Ook hij keek met bewondering en ontroering naar het verhaal van Selwin. En besloot voor de zoveelste keer maar weer eens dat hij toch wel geluk had, met hetgeen hij heeft, want het kan altijd erger.

(https://programma.bnnvara.nl/jzhmh/media/582308?fbclid=IwAR2sKhT3_CcfSQ2I6EuCOJrzX98tsnkIzI3wMCOF44C2YXFNwzb7Ck-DPVo)

Erbij horen

Een aantal jaren geleden heeft in China een, inmiddels volwassen, man zijn nier verkocht om met het geld dat hij daar voor kreeg een iPhone en iPad te kopen. Uiteraard zonder hier zijn ouders van op de hoogte te brengen. Wat zullen die arme mensen geschrokken zijn. De jongen wilde graag aan zijn klasgenoten bewijzen dat hij een coole gast was. Gelukkig zijn de mensen die dit mogelijk maakten opgespoord en veroordeeld. Het bericht kwam onlangs weer in het nieuws omdat de man nu lijdt aan nierfalen. Hij is inmiddels aan bed gekluisterd. Wel in het bezit van een iPad om dit wat draaglijker te maken. Dat dan weer wel. Hoe dom kan iemand zijn.

Of is het niet alleen dom? Is de druk om er bij te horen zo groot dat je er zelfs dat soort drastische en onherroepelijke maatregelen voor neemt? Er zijn zelfs sites voor jongeren die je vertellen hoe je hier mee omgaat. Dat je jezelf moet blijven en geen dingen moet doen die je echt niet wilt. Wat voor mij wil zeggen dat dat dus wel gebeurt. Dat mensen zich laten leiden door wat de groep wil. En daardoor buiten hun eigen comfortzone stappen. Zelfs crimineel gedrag gaan vertonen, alleen maar om indruk te maken.

Als kind wilde ik er ook graag bij horen. Welk kind wil dat nu niet. In de laatste klassen van de lagere school vormde zich al een groepje populaire meisjes. Ze droegen hippe kleren en mochten bij de kapper om meer vragen dan alleen puntjes er af. Hun moeders begrepen dat het heel belangrijk is om goede schoenen te dragen, maar dat die schoenen in de ogen van meisjes wel heel erg stom zijn. Mijn moeder was toch meer van het individualisme, geloof ik. Ze vond het ook niet zo belangrijk dat haar dochters ‘er bij hoorden’. Ik ben echt wel eens uitgelachen. Nu weet ik dat die meisjes mij niet veel zouden kunnen brengen maar toen voelde dat toch anders.

In de eerste klassen van de middelbare school was het al niet veel anders. Meisjes zijn veel geslepener dan jongens. Jongens schelden of vechten en dan is het klaar. Meisjes stoken en zijn achterbaks. Ik mag dat zeggen, ik ben ook een meisje. Smoezen en dan stil houden als jij binnen komt. Steelse blikken, stiekem lachen. Ik heb het allemaal gezien. En waarom? Alleen maar omdat je misschien niet precies volgens de laatste mode gekleed was.
Gelukkig heb ik er niks aan overgehouden. Ik hoefde niet naar een praatgroep. Hulpsites via internet bestonden sowieso nog niet dus ik klaarde het in mijn eentje. Zoals zoveel meisjes in die tijd. Want een groepje populairen kan alleen maar bestaan bij de gratie van de ‘gewone kinderen’.

Ik weet niet of de groepsdruk in deze tijd groter is dan toen ik puber was. Ik weet niet of er toen meer gepest werd dan nu. Ik ben nooit gepest, gelukkig. En ik heb gelukkig nooit lichaamsdelen verkocht. Misschien ook wel omdat toen nog niemand van Steve Jobs en zijn iPhone had gehoord. En de Commodore 64, ach, die was toch een stuk minder sexy.