Weggooien

kleding

Onbewust nonchalant gooien wij eigenlijk enorm veel weg. “Ach, dat is uit de mode, dat gebruik ik niet meer, gooi maar weg.” We staan er niet eens bij stil, eens in de zoveel tijd komen de mannen van de Gemeentereiniging de container halen en dat was dat. We klagen in de zomer alleen over de frequentie van de gft-bak en de enorme populatie maden die dat soms met zich meebrengt.

In Gambia, bij Marijke, is dat heel anders. Zij krijgt van tijd tot tijd vanuit Nederland, van familie of vrienden, spullen toegestuurd. Al dan niet verpakt in een behoorlijke container. Kleding vindt gretig aftrek. ”Dat is voor mijn broer, voor mijn zus, voor mijn nicht.” Zelfs een laptop, zonder voeding en netsnoer, wordt dankbaar meegenomen. “Ik weet niet of hij werkt hoor!” Dat geeft niet, daar wordt een oplossing voor gezocht. Soms schaam ik me dan een beetje. Het zijn toch allemaal zaken die wij niet meer willen. Afdankertjes.

Marijke zelf heeft de helft van haar huisraad al weggegeven. Ik ken haar. De jaren in Gambia hebben gemaakt dat steeds meer afscheid neemt van wat ze eigenlijk toch niet nodig heeft. Al die spullen die maar op zolder staan, omdat het ‘zonde is om weg te doen’, maar al jarenlang stof staan te verzamelen. We gebruiken het nooit meer en eigenlijk is het enkel ballast. Een bijkomend voordeel voor haar is natuurlijk dat ze ook geen winterkleding meer nodig heeft. Tja, als ze terugkomt naar Nederland voor familiebezoek. Maar daar is wel een mouw aan te passen. Haar enige zonde zijn boeken. Papieren boeken, anders is het niet echt. Ze heeft er zelfs een grote boekenkast voor laten maken.

Gaandeweg, door te luisteren naar dit soort verhalen, kom ik er achter ik dat al die rommel, die ook op mijn zolder staat te verstoffen, helemaal niet nodig heb. Ik ga ruimen, opruimen, weggooien en weggeven. Heerlijk rust. Helaas denk ik dat ik Marijke niet blij kan maken met een paar oude schaatsen, die moeten dan toch echt maar naar de kringloop.

Maar ik weet zeker, als Marijke weer zaken weggeeft, en kijkt naar de blijdschap van de mensen, dat ze dan meer terugkrijgt dan zij gegeven heeft.

 

 

 

 

 

Nederlanders

boodschappen buitenland

In het Franstalige gedeelte van België stond ik bij de Carrefour-supermarkt in de rij voor de kassa. Ik had een fles wijn en een stokbrood en alle tijd van de wereld. Het kijken naar mensen is een van mijn favoriete bezigheden dus er was genoeg te doen. Voor me stond een gezelschap van een wat oudere man en vrouw en een jonger stel. Ik schatte hen pa, ma, zoon en schoondochter. Duidelijk Nederlanders, iets dat me direct deed besluiten mijn mond te houden en niets te zeggen. De schoondochter was zwanger, het pluizige baardje van haar jonge echtgenoot en zijn blozende wangen maakten dat ik me afvroeg of het wellicht een ‘ongelukje’ was.

Zij hadden de boodschappen al op de band gelegd. Weinig spannends. Het enige dat er uitsprong was een fleurige vliegenmepper. Ik vroeg me af of ze kampeerden. Dan is een vliegenmepper kansloos. Dat weet ik. De jongeman hing verveeld over het karretje en blokkeerde de doorgang. Hij leek niet helemaal gelukkig met de situatie, misschien was zijn idee van vakantie meer een swingende week op Ibiza. En nu zat hij opgescheept met zijn ouders in een suf Belgisch dorp.

“Ga wat naar voren, dan kan die mevrouw haar spullen ook op de band leggen.”

Pluisje keek achterom maar mij. Hmm, twijfelgeval, hij kon het risico wel nemen.

“Hoezo, ze wacht maar even hoor.” 

Het afrekenen stuitte natuurlijk op de nodige taalbarrières maar uiteindelijk werd de buitenlandse bankkaart geaccepteerd en konden de boodschappen in de tassen geladen worden. De vraag “wilt u de bon” werd door moeder niet begrepen, net zo min als “wilt u zegeltjes”. Haar vragende blik deed de kassière besluiten alles bij elkaar te vouwen en met een glimlach in de handen van de vrouw te duwen. Die stopte alles in haar enorme huishoudbeurs, waarna het veilig in haar handtas verdween. Om thuis nog eens na te kijken.

Ook ik had inmiddels mijn spulletjes op de band gelegd en stond vlak bij de kassa. De tassen van het gezin werden opgetild, uiteraard door de mannen en men maakte aanstalten te vertrekken. En toen kon ik het niet laten. “Fijne vakantie nog!”, wenste ik hen. Geschrokken werden vier hoofden gedraaid. De blik in hun ogen was goud waard.

 

 

Janus de Leugenaar

.facebook_1502186140512

In het dorp waar opa de Kok vandaan kwam, hadden de mensen over het algemeen bijnamen. Je had er bijvoorbeeld de Pater, de Paus en de Neus. Opa werd in het dorp aangesproken met de titel Janus de Leugenaar. Niet zozeer omdat hij mensen consequent beloog maar de verhalen die hij kon vertellen over de jacht waren legendarisch.

Zo vertelde hij een keer dat hij met een prachtig schot een enorme eend had geschoten. Deze viel helaas in het water van een klein vennetje waarna opa met een lange stok bezig moest om de eend naar de kant te krijgen. Hij poerde en poerde en haalde met zijn prikstok niet alleen de eend maar ook een dikke paling aan de wal. Hier schrok hij zo van dat hij achterover viel. En wat denk je, boven op een haas. Die kon ook gelijk mee voor het avondmaal.

Wij luisterden met volle aandacht naar opa en zijn verhalen. Natuurlijk mocht je niet lachen, dan werd hij boos. Zijn ruiten pet schoof met het verstrijken van de avond steeds meer naar de achterkant van zijn hoofd. Druk gebaarde hij om ons te overtuigen van de formaten van zijn buit. Het kleine borreltje met suiker moest regelmatig worden gered. Hij dronk er maar één, hooguit twee, meer spraakwater had hij niet nodig.

Ook had opa weinig respect voor de ‘moderne’ boeren. Hij, als ouderwetse keuterboer, had tenminste nog een echte moestuin gehad. Dat zielige gedoe van tegenwoordig. Nee, vroeger, toen stak hij twee kroppen sla en zijn kruiwagen was vol. Daar moest je nu eens om komen. De boeren van vroeger waren tenminste ook geen watjes. Die spanden het paard uit als het zich bezeerd had en stonden zelf aan de ploeg.

Het allermooiste verhaal vond ik dat van de eenden in één schot. Opa was in zijn element, hij werd omringd door een aandachtig gehoor. Zorgvuldig legde hij zijn denkbeeldige jachtgeweer aan, mikte, mikte. “En met één schot, schoot ik wel vijftig eenden.” Dit werd zijn jachtmaat toch iets te gortig en hij zei, “maar Janus, vijftig, het is zo heel veel, laat het nou de helft eens zijn.”

Waarop opa de legendarische woorden sprak: “Nou, en is dat dan nog niet veel!”

 

 

Alleen

Eigenlijk ben ik nooit alleen. Thuis zijn er mijn man en mijn hond, als ik werk zijn er mijn collega’s. Er zijn vrienden, bekenden, ik ben een gezegend mens. Maar soms, heel soms, zijn er avonden dat ik helemaal alleen ben. Dat heeft meestal een minder prettige reden, mijn lief heeft af en toe zoveel last van zijn hoofdpijn dat hij na het eten uitgeput in zijn bed kruipt. Ik blijf dan achter met de hond en bedenk wat ik ga doen. Televisie kijken, muziek luisteren, lezen. Vaak kruip ik achter mijn laptop en schrijf over de dingen die ik heb meegemaakt of waar ik over na heb gedacht.

Ik vind dat niet vervelend. Wel voor mijn man, dergelijke hoofdpijnclusters gun je niemand, maar zo’n avond alleen is niet erg. De stilte is een aangenaam tegenwicht voor de drukte in mijn hoofd. De dingen hebben de tijd om weer even op zijn plaats te vallen. Gewoon nadenken over wat er allemaal aan de hand is en hoe ik daar mee om moet gaan. Het zijn geen hoogdravende zaken, de meeste dingen wijzen zichzelf. Je moet alleen soms de tijd nemen om er over na te denken.

De tijd waarin wij leven geeft de mensen weinig rust. We doen het onszelf aan, daar ben ik van overtuigd maar het gebeurt of je nu wilt of niet. Volgeplande agenda’s, iedereen gaat mee in de ratrace. Ik kan het niet bewijzen maar ik denk dat het zeker meespeelt in het feit dat er zoveel mensen over de rand vallen. Het is best moeilijk om je leven zo in te richten dat er ruimte blijft in je hoofd. We zijn dag en nacht bereikbaar, mensen posten hun halve leven op Social Media. Natuurlijk alleen de leuke dingen, daardoor lijkt het of iedereen een geweldig leven heeft. Zonder tegenslagen en narigheden. Als je niet uitkijkt, ga je je eigen leven beschouwen als saai. En saai is niet modern.

Zo’n avondje stilte brengt voor mij weer perspectief. Mijn leven is niet saai, verre van, maar er gebeuren echt niet alleen maar leuke dingen. Ondanks dat ik een gelukkig mens ben, zijn er soms problemen die echt niet in een dag zijn opgelost. Dat hoeft niet op Facebook, daar heeft de wereld niks mee te maken.