Dorp

Zaterdagmorgen, vroeg, ik loop de deur uit en kijk over de boten in het jachthaventje. De verscheidenheid in de dobberende schepen. Sommigen imposant, anderen koddig, maar allemaal de trots van hun eigenaar. Achter de haven strekt de polder zich uit, er is een enkel boerenbedrijf gevestigd.  Ik loop het straatje uit en sla rechtsaf, richting het dorp. Daar is de dame gevestigd die al sinds jaar en dag mijn haren verft in de meest uiteenlopende kleuren. De meeste klanten zijn inmiddels vertrouwd, haar hondje weet precies waar hij snoepjes kan scoren en bij wie hij straffeloos op schoot kan kruipen. Het is alsof je bij een heel goede kennis op bezoek gaat.

Niet dat er veel gebeurt, in ons dorp. Het is een slaperig onderdeel van een suf stadje. Veel mensen zouden er nog niet begraven willen worden. Maar ik vind het er heerlijk. Ik heb niks met de echte dorpelingen te maken, ik woon aan de rand. Als ik de drukte wil opzoeken, ben ik in een kwartiertje in een ‘echte’ stad. Oké, ik moet nadenken als ik boodschappen ga doen. Als ik iets vergeten ben, kan ik met een diepe zucht de hele reis opnieuw ondernemen. Ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die denken “nou nee, mij niet gezien, zo’n saai dorp.” En inderdaad, er zijn best wel nadelen. Iedereen kent iedereen en iedereen weet ook wat te vertellen over iedereen. Ik maak me geen illusies, als mensen tegen mij over anderen praten, praten ze ook tegen anderen over mij. 

Je leest soms berichten in de krant over mensen die zijn overleden zonder dat dit door iemand is opgemerkt. Die in volledige eenzaamheid in hun huis zijn gestorven. Ik weet zeker dat de nieuwsgierigheid van de mensen in een dorp dit merendeels voorkomt. De buren houden elkaar in de gaten. Maar ze kennen in ieder geval elkaars naam. Hoe vaak komt het niet voor dat bewoners van een enorm appartementengebouw elkaar in de lift tegenkomen en zwijgend naast elkaar staan. Niet wetende of ze naast een medebewoner staan of naast een gast. Er wordt amper gesproken, een groet kan er nog net van af.

Zeker, een dorp heeft zijn nadelen. Er is geen hippe uitgaansgelegenheid, je vindt er geen echt moderne winkels. Maar je hebt er nog wel de ruimte. Niet iedereen zit op elkaar gepakt. Je kunt er tenminste nog ademhalen.

Verdraagzaamheid

Kamperen in het hoogseizoen is een sport apart. Het voor- en naseizoen kenmerkt zich door rust. Mensen laten elkaar met rust en iedereen in zijn waarde. Maar het lijkt wel of in het hoogseizoen de drukte zorgt voor kortere lontjes.

Onze hond, zoals bekend, is een enthousiasteling. Hij snapt niet dat er mensen zijn die hem niet leuk vinden. Omdat wij dat wel snappen, proberen wij hem zo goed mogelijk bij deze mensen uit de buurt te houden. Tenslotte hebben zij ook vakantie. Maar af en toe wil hij toch wel eens even gedag gaan zeggen. Zo ook op die prachtige dag met Hemelvaart. Alle bekenden waren al begroet, alleen die overbuurman nog niet. We kenden de mensen niet dus ik liep er al achteraan. En ja hoor “mevrouw, ik heb het niet op honden.” Geduldig legde ik uit dat Stef hem alleen maar wilde begroeten en dat ik er voor zou zorgen dat hij op ons eigen plekje zou blijven. Alsof Stef dit had gehoord en het er niet mee eens was, liep hij nog een kwartier later weer naar de overkant. Deze keer had de meneer zich goed voorbereid. Gewapend met het campingreglement liep hij op me toe. Hij hield het blad 10 centimeter voor mijn neus en vinnigde “honden moeten vast, dat staat in het reglement.” Ik moest mijn best doen om niet hoorbaar te zuchten. “Meneer, ik begrijp wat u bedoelt en ik zal Stef bij ons houden, maar ik ga hem niet vast doen. Hij zit nooit vast.”  

Dit was duidelijk niet het antwoord dat de man voor ogen had. Regels zijn regels, daar dient ieder zich aan te houden. Zelf had hij ook alles volgens de voorschriften neergezet. Caravan keurig, auto exact op zijn eigen plaats. Hij verwachtte duidelijk excuses en een grote halsband voor de hond.

Ik wilde de zaak niet op de spits drijven maar vertelde hem nog een keer duidelijk dat ik Stef niet vast ging leggen. Naar wat hij verder vertelde heb ik niet meer geluisterd, ik ben met hond en al weggelopen. Gelukkig is Stef een slimme hond en is hij verder niet meer bij de overbuurman gaan kijken.

Ik weet wel, strikt genomen heeft hij gelijk. Maar wij houden Stef altijd goed in de gaten en normaal gesproken blijft hij echt bij ons. En ik durf te zeggen dat onze overbuurman meer last heeft gehad van de hond van zijn buren. Die lag keurig vast, maar wel de hele dag te blaffen.

 

 

Vakantie

Zo tegen de zomer beginnen de vakantiekriebels weer om zich heen te grijpen. Mijn lief en ik hebben ook al plannen gemaakt. Wij zijn geen wereldreizigers maar houden ervan een aantal weken per jaar, dat hoeft niet aaneensluitend, op ons gemak te genieten van een andere omgeving, lekker eten en relaxed een glaasje drinken.

Dat doet me gelijk terugdenken aan de zomervakanties van vroeger. Als kind leken de schoolvakanties in de zomer eindeloos. Zes weken niet naar school, er leek geen eind aan te komen. Ook mijn ouders waren niet van die reizigers dus wij gingen dagtrips maken. Met twee volwassenen en drie kinderen op pad in de Simca 1000 van mijn vader. Kinderzitjes, nooit van gehoord, zelfs de autogordels ontbraken op de achterbank. We hadden ook geen Playstations of dvd-spelers in de hoofdsteunen, wij deden ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’. “Nee, we zijn er nog niet.”

Mijn moeder pakte een grote tas in met broodjes en appels. Een thermoskan koffie voor mijn vader en haarzelf, pakjes drinken met een rietje voor ons kinderen. We zongen liedjes en bezochten pretparken en dierentuinen. ’s Avonds waren we moe en voldaan en sliepen heerlijk in ons eigen bed. 

Natuurlijk waren we wel eens jaloers op kinderen die met hun ouders een paar weken naar het buitenland gingen. Die hadden grote verhalen over alle avonturen die zij hadden beleefd. Wij waren thuisgebleven, hoe saai was dat.

Eén keer gingen we een week naar zee. Weken van tevoren waren we al zenuwachtig. Wat moesten we allemaal meenemen. Badkleding, badhanddoeken, we gingen heerlijk naar het strand. Helaas ben je in Nederland niet zeker van het weer en was mijn moeder na drie dagen regen en ‘mens-erger-je-niet’ spelen het zo beu dat ze aankondigde dat we morgen naar huis gingen. Wij kinderen protesteerden luidkeels maar ze was onvermurwbaar. De dag erna stonden we allemaal onder een warme douche en bedachten dat dat toch wel beter was dan kou lijden onder een paar piesstraaltjes in een hokje dat in de zomer niet verwarmd werd. De week erna gingen we met de bus naar Phantasialand. Op een bloedhete dag, want natuurlijk was het weer na onze thuiskomst omgeslagen en vielen de mussen voor wekenlang van het dak.

Toch heb ik geen slechte herinneringen aan onze zomers. Ze waren misschien niet zo spannend maar we leerden wel hoe wel onszelf konden vermaken. Ik ondernam met mijn zussen fietstochten door de velden rondom het dorp waar wij woonden. In onze fantasie beleefden we de meest prachtige avonturen. Helaas zijn al die polders en weilanden volgebouwd en mogen kinderen niet meer zonder begeleiding zo ver van huis. Ik kan er met weemoed aan terugdenken.

 

Longontsteking

Het vreemde is dat echt bijna alles went. Ik merkte het vanmiddag weer. Mijn telefoon ging en het schermpje melde dat het een “privé nummer” was. Dat maakt me altijd een beetje achterdochtig want meestal zijn dat mensen die je iets willen verkopen. En dan het liefst zaken die je echt helemaal niet nodig hebt. Maar goed, soms heb ik een welwillende bui dus ik beantwoordde de oproep. “Goedemiddag”, klonk een opgewekte stem “u spreekt met huppelepup van de Spoedeisende Hulp Tweestedenziekenhuis.” Normaal gesproken toch geen instantie die je graag aan de lijn krijgt. Maar als je schoonvader een abonnement op het ziekenhuis heeft, raken sommige dingen normaal.

En inderdaad, pa was weer opgenomen, met longontsteking. Ik bedacht wat ik die middag nog moest doen en vroeg aan de vriendelijke stem of het levensbedreigend was. “Neuh”, zei die, “dat denk ik niet, hij is behoorlijk ziek maar het gaat alweer iets beter met hem.”

“Dus hij hoeft niet naar de IC?”

“Nee hoor, hij mag straks gewoon naar de afdeling. Ik hou u wel even op de hoogte en bel wel wanneer hij zover is.”

“Gelukkig”, zei ik, “dan kom ik hem zo snel mogelijk vanavond opzoeken.”

Ik belde mijn man om hem het nieuws te vertellen. “Alweer?”, was zijn behoorlijk nuchtere antwoord. Ook hij was niet heel erg onder de indruk.

Natuurlijk zijn we ’s avonds gelijk naar het ziekenhuis gegaan. Pa was diep in slaap, moe van alle lotgevallen en de koorts. Een vriendelijke verpleegster stond ons te woord. Pa was al weer wat opgeknapt, ze hadden hem zuurstof en antibiotica gegeven en nu was het een kwestie van afwachten. Waarschijnlijk zou met een week het leed wel weer geleden zijn. Ze maakte pa wakker. Die wist even niet waar hij was en welke dag het was, zo diep had hij geslapen. Nadat hij wat water had gedronken, wisten we hem er van te overtuigen dat hij echt pas een halve dag was opgenomen.

We verlieten het ziekenhuis met een hele lijst opdrachten. Er moesten zaken opgehaald worden en afspraken afgebeld worden. Oh, en we moesten ook zijn telefoon meebrengen, dan kon hij de familie bellen. Het komt wel goed met pa. Gelukkig.

 

Einde van een tijdperk

Ome Jan is overleden. Het zegt de meesten niets maar voor ons is het het einde van een tijdperk. Ome Jan, de echtgenoot van een zus van mijn schoonmoeder. Een eigenwijze boerenmens, prachtig in zijn soort. Een man die zijn gezin bestierde als een heerser, rechtvaardig, maar zijn wil was wet.

Voor ome Jan was het leven betrekkelijk eenvoudig. Wat hij niet begreep, schoof hij terzijde. Op zondag ging hij naar de kerk en dronk daarna zijn borreltje. ’s Middags, na zijn dutje, schoffelde hij het snijbonenbed en haalde het onkruid tussen de andijvie vandaan. De moestuin stond er altijd tiptop bij. Ik heb een keer in mijn onschuld verteld dat ik hield van andijvie. Hij vroeg de autosleutel en bij thuiskomst, toen ik dacht een kropje andijvie uit de kofferbak te halen, bleek deze volledig afgevuld. Zelfs mijn moeder, van huis uit niet bang voor wat groenten in de vriezer, schrok van de hoeveelheid. Ik geloof dat we voor een heel jaar genoeg hadden. Voor de hele familie.

Hij was ook super gastvrij. Als je langskwam, moest je koffie drinken, een drankje nemen en zeker ook mee-eten. “Nee” was geen antwoord, gewoon aanschuiven en naar de verhalen luisteren.

Verhalen over vroeger, zijn tijd als kolenboer en boerenzoon. Een mooi leven, altijd buiten. Dat was hem ook aan te zien, grote verweerde handen, een gezicht dat getekend was door de buitenlucht. Een mooie man. En dan niet op de manier van de modellen die tegenwoordig als mannelijk doorgaan terwijl zij een parfum aanprijzen. Gewoon, zonder opsmuk, haar gekamd en klaar.

Wel een ouderwetse man. Tante Sjaan zorgde voor het eten en het huishouden, ome Jan zorgde voor het inkomen. Samen vormden zij een hecht team. Zo’n huwelijk waar je onbewust een beetje jaloers op bent. Zo vervlochten met elkaar. De verhoudingen waren helder en duidelijk, ieder zijn eigen taak. Hij droeg zijn vrouw op handen, zij verzorgde haar man tot in de puntjes en op zijn tijd hadden ze verhitte discussies. Meestal over de kinderen, waarvan hij vond dat zij ze te veel verwende.

Op een gegeven moment trok ome Jan zich meer en meer terug. De familie vond het af en toe vreemd en vroeg zich af wat hij mankeerde. Daar praatte hij nooit over, dat gaf geen pas. Hij wilde ook niet dat er een dokter werd ingeschakeld. Dan zou hij misschien zijn huis wel moeten verlaten. En dat was onbestaanbaar. Hij was er getrouwd, hij wilde er ook sterven.

En dat is nu gebeurd. Hij is in zijn slaap heengegaan. Rustig, te zien aan de houding waarin hij altijd sliep. Zonder iemand wakker te maken, zonder iemand lastig te vallen. Zoals hij altijd alles deed. Op zijn eigen, eigenwijze manier.