Bang voor het donker

Vroeger keek ik voor ik ging slapen toch altijd stiekem even onder mijn bed. Om er zeker van te zijn dat er geen draken onder zaten. Spoken waren gevaarlijker, die verstopten zich niet onder je bed maar kwamen uit een onverwachte hoek. En het nadeel was dat alle engerds alleen tevoorschijn kwamen in het donker. Dat donker was dan ook niet mijn favoriete periode. Gelukkig was er dan altijd mijn vader die met zijn rustige stem zorgde dat ik gerust ging slapen. Spoken bestaan niet en draken zijn al heel lang geleden uitgestorven.

De grootste angsten bestonden voor opgroeiende meisjes zoals ik uit de vraag of we op school wel populair genoeg waren. Zijn mijn kleren wel leuk, zit mijn haar niet stom? Als ik maar niet net een puistje krijg voor we naar het schoolfeest gaan. Vindt hij mij nu wel leuk of niet, als ik mezelf maar niet voor schut zet. Zie je wel, hij vindt mij helemaal niet leuk, ik wist het wel, ik was er al bang voor. Afgunstig keken we naar klasgenoten die schijnbaar zeker van zichzelf door het leven gingen. Die altijd naar de laatste mode gekleed waren en nooit last hadden van bultjes en andere ongerechtigheden. In ieder geval niet op een cruciaal moment.

De hele pubertijd konden we niet wachten tot we volwassen waren. Dat was het ultieme, een baan, een relatie, een eigen huis. Dan zou het allemaal goed komen. Met enige afgunst keken we naar die modieuze vrouwen die op een terrasje lachend aan een glas wijn nipten. Nonchalant, zelfverzekerd. Nooit meer onzeker, geweldig.

Maar als volwassene ontmoet je hele andere angsten. Volwassen angsten. Die hebben niks meer te maken met puistjes. Het met een zelfbestudeerd gebaar van nonchalance op een hip terras aan een nog hipper drankje nippen heeft niks met zekerheid te maken. En dat is iets waar je door schade en schande achter komt. De angst voor eenzaamheid is misschien nog wel de ergste. 

Dat is namelijk de angst om te verliezen. Niet je huis, maar je thuis, je anker. En hoe je dat hebt ingericht, dat is niet belangrijk. Iedereen doet dat op zijn eigen manier. Of je alleen woont, met een man of met een vrouw, het gaat er om dat je een veilige haven hebt. Een basis van waaruit je kunt functioneren.

Uiteindelijk blijkt dan ook geld helemaal niet belangrijk te zijn. Geluk is niet te koop, hoeveel je ook bereid bent te betalen. Als je geluk lijkt te vervliegen, betaal je uiteindelijk toch de absolute hoofdprijs, het verandert je, de onschuld verdwijnt. De inspanning die je moet verrichten om het terug te krijgen, vergt het uiterste van een mens. Daarna ben je nooit meer dezelfde.

Een lange periode reed ik iedere dag met een enorme knoop in mijn maag van mijn werk naar huis. Wat zou ik daar aantreffen? Er waren serieuze problemen in mijn haven, mijn hele zekerheid stond op losse schroeven. Langzaam ging het beter maar het duurde heel lang voor ik weer rustig durfde te ademhalen. En dan nog was het maar een wankel evenwicht, er hoefde maar iets kleins te gebeuren of mijn evenwicht was weer verstoord. Net als vroeger, zo wordt het nooit meer. En soms verlang ik dan toch stiekem terug naar de draken en demonen van mijn jeugd. En naar mijn vader die ze kwam verjagen.

 

 

Training voor jonge honden

Je ziet ze binnenkomen, de nieuwbakken baasjes met hun honden. Voor de eerste keer naar gehoorzaamheidstraining, blakend van onzekerheid. Ze zijn door hun omgeving gestuurd. “Dat moet je doen, daar leer je echt heel veel van, je hond gaat heel goed naar je luisteren.”

Het is mooi om te zien hoe mensen met hun hond deze gehoorzaamheidstraining volgen. Want het heet hondentraining maar uiteindelijk worden de mensen getraind. In leidinggeven wel te verstaan. Dan wordt ook vaak pijnlijk duidelijk hoe ongeschikt veel mensen hier voor zijn. Ze rennen over het veld, al commando’s roepend, de hond meestal in opperste verwarring achterlatend. “Moet ik nu links of rechts, volgen of af?” De instructrice zucht inwendig en legt het nog maar een keer uit. “Rustig blijven, duidelijke commando’s geven en zorgen dat de lichaamstaal hetzelfde zegt. En belonen, jij werkt tenslotte ook voor een salaris.” Ook de cursist raakt nu in verwarring. “Hoe doe ik dat dan? Hoe straal ik uit dat ik erop vertrouw dat mijn hond mijn aanwijzingen volgt terwijl ik zelf na het geven van mijn commando mijn vingers al kruis in de hoop dat mijn hond zelfs maar een klein beetje doet wat ik wil?”

Uiteindelijk valt of staat het toch allemaal met uitstraling. De alfa-wolf vraagt niet of de roedel zich kan vinden in het inplannen van een middag met jacht. Hier hoeft geen brown paper sessie voor gepland te worden, er hoeft niet gebrainstormd te worden. Verslaglegging is ook absoluut onbelangrijk. De alfa-wolf vindt dat het tijd is en vertrekt. Hij kijkt niet eens om of zijn roedel hem volgt. Integendeel, hij is er van overtuigd dat het zo is. Het nadeel van deze manier van leidinggeven is natuurlijk wel dat achter iedere boom een jonge wolf met een kettingzaag staat, klaar om de stoelpoten onder de grote leider vandaan te zagen.

Je ziet ze binnenkomen, de nieuwbakken managers met hun nieuw aangeschafte kostuums. Onwennige stropdassen, blakend van onzekerheid. Ze zijn gestuurd door hun direct leidinggevende. “Dat moet je doen, daar leer je echt heel veel van, je medewerkers gaan dan echt veel meer van je aannemen.” En dus nemen ze plaats in de schoolbanken, ondanks dat het nog niet zo lang geleden is toch weer een beetje onwennig. Ze kijken tersluiks opzij naar hun medestudenten. “Zijn zij slimmer dan ik, beter dan ik, sla ik geen raar figuur.” Tijdens het geijkte voorstelrondje proberen ze zich wat opgepoetster voor te doen, ook een gevatte opmerking te maken. Tenslotte moet je wel boven het gemiddelde uitsteken, anders val je niet op.

Ze leren dat coachend leidinggeven beter is. In rollenspellen maken ze elkaar respectvol attent op verbeterpunten. Vol goede moed gaan ze ’s avonds naar huis. Morgen gaan ze het allemaal anders doen. Helaas wordt de dag erna duidelijk dat de meesten er niet of nog niet geschikt voor zijn. Ze rennen door het bedrijf, al instructies afgevend, de medewerkers achterlatend in opperste verwarring. “Moet ik nu links of rechts af? Volgen of eigen initiatief tonen?” De jonge manager zoekt verwoed in zijn trainingsmateriaal, hoe coach ik nu de medewerkers? Want ook hij is beducht voor de collega met de kettingzaag, die achter de koffieautomaat staat, klaar om de stoelpoten onder de nieuwe leider vandaan te zagen.

De management-trainer houdt zijn hart vast. Hij weet dat niet iedere leider een manager is. En lang niet iedere manager een leider. Het enige dat hij kan doen is de instrumenten aanreiken, oefenen en zijn vingers kruisen. Vaak voelt hij zich net een hondentrainer.

 

Ziekenhuisopname

Onlangs werd mijn schoonvader opgenomen in het ziekenhuis. Niet voor de eerste keer, helaas, zijn ouderdom komt echt met de nodige gebreken. En dus togen we weer dagelijks naar het bezoekuur. Tenslotte kun je de man niet in de steek laten.

Zijn kwaal was deze keer van een ernstiger aard dan normaal. Normaal wordt hij met benauwdheid opgenomen, aan de zuurstof en de prednison gelegd en is hij met één of twee dagen toch wel weer de burgemeester van de zaal. Deze keer was de schrik wat groter en de praatjes wat minder. Gelukkig was hij in goede handen en langzaam maar zeker ging het de goede kant uit. En konden we ons dus weer gewoon ergeren aan zijn commentaar en opmerkingen.

Dat begon meestal met het telefoontje dat je ’s middags kreeg. “Als jullie vanavond komen, moet je even een overhemd voor me meebrengen.” “Een overhemd pa, je mag nog niet eens je bed uit. En er hangt een overhemd.” Maar goed, de man wil netjes voor de dag komen, dus het overhemd wordt gehaald. “Heel mooi, hang daar maar in de kast.” In gedachten salueer ik en doe braaf wat er van me gevraagd wordt. “Die man daar in de hoek gaat morgen naar een verzorgingstehuis.” Ach, wat sneu, wat zullen we zijn oorverdovende gesnurk missen. Het is een aardige man hoor, maar het feit dat hij geen gebit lijkt te bezitten, is enorm van invloed op het volume dat hij verspreidt als hij slaapt.

“Is er vandaag nog een dokter geweest?”

“Ach hou op, ze zijn de hele morgen met me aan het sjouwen geweest, ik heb een echo moeten laten maken en onderzoeken gehad.”

“En hebt u de uitslag al?”

“Ja, ik krijg meer prednison.”

“Maar wat was de uitslag dan.”

“Ja, dat ik meer prednison krijg.”

Stilte…

“Hoe smaakt het eten?”

“Mmmm, het smaakt me nog helemaal niet.”

“Hebt u wel wat gegeten?”

“Ja, wat soep en wat vla.”

“Oh.”

Stilte…

Stiekem kijken we op de klok.

Ah, de dame die komt vragen wat de patiënten willen drinken, een welkome afwisseling. Pa vraagt 2 bekers karnemelk en een beker thee. Ik weet zeker dat hij liever een biertje zou hebben maar dat zit er niet in. Dat zit er voorlopig helemaal niet in en dat weet hij ook wel. Het weerhoudt hem natuurlijk niet van het mopperen op “al die zoetigheid” zoals hij vruchtensap aanduidt. De dame vraagt iedereen op de zaal wat er gewenst wordt en deelt blijmoedig de bekers rond. Ik heb bewondering voor haar, je moet er toch maar tegen kunnen, tegen de klagers en tegen de lolbroeken. “Doet u mij maar een borrel zuster.” Ik weet niet welke van de twee het ergste is.

En eerlijk is eerlijk, alle lof voor de verpleegkundigen. Ze brengen het toch iedere dag maar weer op om op deze kamer met oude mannen met een vriendelijke lach een zonnestraaltje te brengen. Nu lijkt me een kamer vol heren nog makkelijker en prettiger dan een zaaltje waar alleen zure oude dames liggen, dat dan weer wel.

Ook een familiegesprek is nog een hele opgave voor zo’n arts. Leg maar eens uit aan iemand die niet luistert dat hij echt behoorlijk ziek is maar niet mankeert wat hij zelf denkt en ook tegen iedereen vertelt. Wij waren blij, hij bleef achter in opperste verwarring. Wat mankeer ik nou precies?

Mijn schoonvader is voorlopig nog niet thuis, we zullen nog zeker een paar weken na ons werk vlug vlug wat eten naar binnen moeten gooien om nog een beetje op tijd in het ziekenhuis te zijn. Gelukkig hebben we steun en worden we afgelost als we willen, maar het zal toch prettig zijn als hij weer in zijn leunstoel voor het raam van zijn huisje zit. Al commanderend en wel.