Kermis

Op een gewone avond tijdens de Tilburgse kermis gebeurt er iets bijzonders. Heel Tilburg trekt de kledingkast open, kijkt naar het aanbod en denkt, wat kan ik aantrekken zodat niemand mij ooit nog vergeet? Helaas wordt die vraag vaak veel te letterlijk genomen.

Vanaf een uur of zeven verandert de binnenstad in een openlucht catwalk zonder jury, regels of nooduitgang. Mannen lopen rond in strakke, veelkleurige overhemden die bij iedere ademhaling op knappen staan. De bovenste drie knoopjes zijn open, want ergens in Tilburg bestaat blijkbaar het idee dat borsthaar een accessoire is. Daarbij een spijkerbroek die zo strak zit dat de eigenaar alleen nog kleine pasjes kan zetten. Alsof hij niet naar de kermis gaat, maar onderweg is naar een spoedoperatie.

De dames hebben zich ook uitgesloofd. Luipaardprint blijkt geen patroon, maar een Tilburgse basiskleur. Jurken zitten zo nauw dat organen vermoedelijk tijdelijk zijn verplaatst. Er zijn hakken waarop niemand kan lopen, maar dat hoeft ook niet, want na twee witte wijn staan de meeste dames toch tegen een oliebollenkraam geleund.

Tussen al dit geweld lopen de echte paradijsvogels. Mensen met glitterjassen, lichtgevende schoenen, felgekleurde kapsels en genoeg goud om een middelgrote nationale reserve te vormen. Zij hebben tenminste een plan. Niet per se een goed plan, maar het is wel een plan.

De Tilburgse kermis is niet alleen kijken. Je ruikt ook alles. Hamburgers, vis, suikerspinnen, verschraald bier, parfum dat met een hogedrukspuit is aangebracht en de lichte paniek van iemand die zojuist heeft ontdekt dat de attractie veel harder gaat dan verwacht.

Bij de grijpmachines worden complete huishoudbudgetten omgezet in een grote pluchen beer. Die verdwijnt bij thuiskomst direct naar de zolder. Er is namelijk helemaal geen plaats op de kinderkamer voor zo’n enorm ding. Bij de schiettent bewijzen mannen aan hun geliefde dat zij haar kunnen beschermen, zolang de aanvaller een metalen eendje op een rail is. En de loop van de luchtbuks niet jammerlijk krom is.

En overal wordt gekeken. Naar elkaar, naar zichzelf in winkelruiten en vooral naar mensen die nóg erger gekleed zijn. Want dat is het mooie van de Tilburgse kermis. Hoe volledig je zelf de plank ook misslaat, er loopt altijd iemand voorbij die de complete werkplaats heeft gemist.

Wachtruimte

In de wachtkamer van het ziekenhuis zit een man geduldig op zijn afspraak te wachten. Hij heeft zijn jas nog aan, zijn handen keurig op zijn knieën en de blik van iemand die zich heeft voorgenomen dit bezoek waardig te ondergaan. Misschien moet hij een onderzoek ondergaan. Misschien wacht hij op een uitslag. Of wellicht heeft hij gewoon ergens pijn en wil hij daar over praten. Hij weet alleen nog niet dat zijn echte beproeving binnenkort naast hem komt zitten.

Ik zie een vrouw van middelbare leeftijd binnenkomen met haar hoogbejaarde moeder. De oudere vrouw duwt voorzichtig haar rollator naar een stoel en gaat krakerig zitten. De dochter neemt omzichtig plaats, met de daadkrachtige uitstraling van iemand die al jaren voor iedereen zorgt en daar graag uitgebreid verslag van doet.

Na enkele minuten wordt haar moeder binnengeroepen.

Zij blijft zitten.

En dan begint het.

Ze attaqueert de man naast haar en vertelt hem dat ze drie kinderen heeft. Haar telefoon met foto’s en filmpjes in de aanslag. Allemaal totaal verschillend opgevoed, want ieder kind vraagt nu eenmaal om een andere aanpak. De oudste was altijd al gevoelig. De middelste juist dwars. De jongste woont samen, maar volgens haar veel te vroeg. De man knikt voorzichtig. Ach, had hij dat maar niet gedaan.

Dat knikje wordt door de vrouw opgevat als een schriftelijke uitnodiging om haar complete levensverhaal voor te dragen. Na de kinderen volgt de mantelzorg. Haar moeder wil namelijk niets. Geen thuiszorg, geen rolstoel en al helemaal geen vreemden over de vloer. Dus komt alles op haar neer. Boodschappen, wassen, afspraken, medicijnen en natuurlijk het telefonische contact met instanties.

‘En daar word je niet vrolijk van, kan ik je vertellen.’

De man wordt er ook niet vrolijker van. Langzaam zakt hij dieper in zijn stoel. Zijn blik dwaalt naar de deur, de balie en zelfs naar het raam, hoewel de wachtkamer zich op de derde verdieping bevindt. Vluchten is duidelijk geen optie. Ik zit een paar stoelen verderop en bekijk het tafereel met het warme leedvermaak van iemand die zelf heel nauwgezet buiten schot blijft.

Dan wordt zijn naam geroepen. De man springt overeind alsof hij gratie heeft gekregen. Hij loopt niet naar de verpleegkundige, hij vlucht. Hij kijkt niet meer om. Je ziet hem denken, wegwezen! De vrouw kijkt hem na, ze is een beetje teleurgesteld. Daarna laat ze haar blik door de wachtkamer gaan, op zoek naar een nieuw luisterend oor. Plotseling heeft iedereen een buitengewoon interessant telefoonscherm. Zelfs de man zonder telefoon kijkt aandachtig naar zijn handen.

Parkeerleed

Er gebeuren rampen. Er zijn oorlogen gaande in de wereld. Er zijn mensen die hun oplader vergeten als ze naar kantoor gaan. En dan is er nog het ultieme menselijke dieptepunt, iemand parkeert zijn auto op een gemeenschappelijk terrein voor een bedrijfshal. En dan niet voor zijn eigen hal. Nee, veel erger, voor de hal van de buurman. Daarmee wordt onze beschaving natuurlijk enorm op de proef gesteld.

Je ziet het gebeuren. Een auto staat ergens waar hij volgens het bestemmingsplan van een emotioneel gekwetste ondernemer niet hoort te staan. Niet op zijn oprit hoor. Niet in zijn woonkamer. Maar gewoon op een terrein dat door meerdere bedrijven wordt gebruikt. Maar toch voelt het alsof er een tankdivisie is binnengereden en de vlag van de vijand op zijn roldeur heeft geplant.

Gelukkig heeft de gekwetste man een energieke vrouw. Gewapend met telefoon, morele verontwaardiging, een vreselijk scherpe tong en een opmerkelijk lege agenda. Er worden foto’s gemaakt. Video’s zelfs. Vanuit meerdere hoeken, vermoedelijk ook met een groothoeklens. Je kunt er een podcast van maken. ‘Hier zien we de bewuste auto. Let op de brutale hoek waaronder hij stilstaat.’

Dat het filmen van andermans auto, kenteken en bewegingen ook niet zomaar de bedoeling is, doet er even niet toe. Want wie in zijn gekwetste gelijk staat, hoeft zich niet bezig te houden met details als privacy, fatsoen of enige vorm van zelfreflectie. Het gaat om het principe. En principe is vaak gewoon een ander woord voor ‘ik heb niets beters te doen.’

Het mooiste is de toon waarop zo’n klacht wordt gebracht. Niet als een simpele vraag of opmerking. Nee, als een noodkreet uit een bezet gebied. ‘Dit kan echt niet. Het is een regelrechte schande.’ Alsof de parkeerder net een milieuramp heeft veroorzaakt waardoor binnen een straal van tien kilometer geen leven meer mogelijk is.

Natuurlijk is rekening houden met elkaar belangrijk. Niemand wil chaos op het terrein. Maar de snelheid waarmee sommige mensen veranderen in een kruising tussen parkeerwachter, rechercheur en gekrenkte landheer blijft fascinerend.

Soms staat er gewoon heel even een auto. Op een plek waar toevallig op dat moment ruimte is. En soms staat er vooral een ego in de weg.

Checklist

Deze week hadden we een checklist. Iedere dag had zijn eigen acties. En iedere avond zeiden we tegen elkaar; ‘weer een dag afgevinkt.’ Het varieerde enorm. Van het oude huis schoonmaken, naar de dierenarts met Kaatje voor haar blaasontsteking en als belangrijkste de overdracht van het oude huis aan de nieuwe bewoners. Zo zijn we in een jaar tijd van drie huizen en een bedrijfshal naar één huis toe gegaan. Ik hoop dat de nieuwe bewoners net zo gelukkig worden aan ‘ons’ haventje als wij daar zijn geweest.

Toch bedacht ik me gisterenavond dat er een ding vergeten was op het lijstje. Het schrijven van een blog. Het was er door alle drukte ook gewoon bij ingeschoten. Dus vandaag geen mening over de outfit van mensen of over de pijntjes waar mijn lijf nog steeds last van heeft.

We hebben onszelf beloofd deze zomer heerlijk te gaan genieten in ons nieuwe huis. Ik hou jullie op de hoogte.