Gewoon eten kopen van dat geld

Vroeger als kind had ik een heel eenvoudig idee, we stopten gewoon met wapens kopen. En van dat geld dat er dan over bleef, kochten we eten voor de mensen in de landen waar dat nodig was. Het leek me een zuivere win-win situatie. Geen ellende meer en geen honger meer. Want ik dacht dat de oorlogen dan vanzelf wel op zouden houden, mensen konden elkaar immers niet meer dood maken.

Tegenwoordig weet ik dat het niet zo eenvoudig is. De wapens zijn een gevolg, en geen oorzaak. En aan honger kun je geen geld verdienen. Dus is het niet belangrijk. We worden immuun voor de beelden van kleine kinderen die met holle ogen in de lens van de camera kijken. Twee minuten later begint de zoveelste talentenjacht en zijn we de hongerbuikjes weer vergeten. Rampen in Afrika zijn ver van ons bed, een aanslag in het Midden-Oosten is heel erg, maar vooral voor de toeristen die daar op vakantie waren.

Tot ineens, de aanslagen griezelig dichtbij kwamen. Eerst Parijs, daarna Brussel. Steden die we kenden, waar we zelfs vrienden of kennissen hadden wonen. De Westerse wereld stond op zijn kop. Maatregelen moesten er getroffen worden, terroristen opgespoord en streng gestraft. Onvoorstelbaar, zomaar in onze eigen achtertuin. Er werd om het hardst geschreeuwd dat er fouten waren gemaakt, door alle instanties waarvan wij dachten dat ze er wat mee te maken hadden. Ministers moesten vragen beantwoorden, de grenzen moesten dicht!

Maar als de angst regeert, is er geen ruimte meer voor dialoog. En dan worden de grootste schreeuwers als we niet uitkijken het eerste gehoord. Maar hebben die dan de oplossing, of gaan die zoals gewoonlijk voor hun eigen gewin? Niet dat ik de oplossing heb, absoluut niet. Maar klakkeloos alle grenzen sluiten lijkt me geen goed idee. Tenslotte woonden de plegers van de aanslagen in Brussel in diezelfde gemeente. Al jaren.

Misschien is het dan nu eindelijk eens tijd om te gaan samenwerken. Gewoon over de eigen schaduw heen stappen en kijken wie wat het beste kan en hoe we de zaken het beste kunnen verdelen. Tenslotte hebben alle landen wel een eigen specialiteit. En er wordt vaak genoeg vergaderd. Het zou niet zo heel moeilijk hoeven zijn, toch? Of denk ik er, net als ik vroeger deed, toch weer veel te eenvoudig over. En stoppen we eerder met het kopen van wapens dan dat we over onze eigen schaduw stappen……

 

 

Manisch

Mijn schoonmoeder was manisch depressief. De diagnose werd pas heel laat gesteld. “Weemoedig”, noemde zij het zelf. En daar ging je niet mee naar de huisarts, dat liet je gewoon gebeuren. In de manische periodes was ze immers toch heel gelukkig. Als wij bij mijn schoonouders kwamen, en ma stond in de keuken uitbundig te zingen, riep mijn schoonvader altijd dat het heel goed ging. Wij knepen echter onze tenen bij elkaar en wachtten op de terugval.

Een manische periode was sowieso geen feest. Ik zie zo weer het stomverbaasde gezicht voor me van de standwerker die zijn nieuwste groente rasp stond te demonstreren. De wortelsliertjes die naast het apparaatje op een bord vielen, werden door mijn schoonmoeder gretig verslonden. “Ma!” ”Wat, dat vindt die man helemaal niet erg.” Nee, die man was veel te verbouwereerd om er wat van te zeggen.

Of die boer, waar mijn schoonmoeder toen ze bij een vriendin op de boerencamping logeerde, iedere morgen om half zes aan de koffie schoof. “Dat vindt die man goed hoor, anders zegt hij er wel iets van.” Waarschijnlijk koesterde de man een ieder jaar terugkerende campinggast en nam hij mijn schoonmoeder daarom maar voor lief. Als boerendochter hielp ze hem ook graag bij het verzorgen van de schapen. Ik weet niet of hij dat prettig vond, mijn schoonmoeder heeft het hem nooit gevraagd.

Ze bracht ook veel cadeaus voor ons mee. Spullen waar we niks mee konden maar die we, gezien de prijs op het kaartje, ook weer niet klakkeloos in de vuilbak wilden gooien. Het was een lastige spagaat. Ik, als schoondochter, kon helemaal niet veel goed doen. Ik wist het immers toch altijd beter. Nu was dat helemaal niet zo, maar in een dergelijke periode is iemand die nog wel nuchter kan nadenken altijd een bedreiging.

De manische perioden werden ook afgewisseld met intens verdrietige perioden. Weken waarin mijn schoonmoeder niet van de bank kwam. Haar huis, waar ze altijd zo trots op was, werd door haar verwaarloosd en ze kon het niet eens opbrengen om een maaltijd op tafel te zetten. De huisarts schreef medicijnen voor maar ook deze man werd afgesnauwd en niet geloofd. Wel zocht ze haar heil bij mooi pratende kwakzalvers. Mensen die haar beloofden van de pijn af te komen. Niet dat ze hadden onderzocht waar die pijn vandaan kwam, dat niet. Handenvol geld gaf zij hier aan uit, wanhopig op zoek naar een oplossing. Niet alleen zij ging ver, de prutser die haar beloofde via een antenne, gericht op haar huis, haar aardstralen te onderbreken, ging wat ons betreft ook veel te ver.

Later gingen de hyperactieve perioden over in agressie. Met schrik in het hart gingen wij bij haar op bezoek. Wat soms begon als een onschuldig gesprek, kon in een seconde omslaan in de meest heftige verwijten. Mijn schoonvader heeft in die periode heel wat naar zijn hoofd geslingerd gekregen. Wij ook, maar wij konden weer naar huis. Vrienden en kennissen begonnen weg te blijven, ook zij werden regelmatig afgesnauwd en verwenst. Een avondje gezellig keuvelen zat er niet meer in. Er hoefde maar iets te gebeuren en de sfeer werd direct dreigend.

Mijn schoonmoeder had niet in de gaten dat zij zelf door haar gedrag de mensen wegjoeg. Ze kon er ook niks aan doen, haar ziekte bracht het met zich mee, maar het was een vicieuze cirkel waarin ze was beland. Ze verweet de mensen dat ze niet meer kwamen en voelde zichzelf steeds meer het slachtoffer. Wij bleven komen, natuurlijk, en ondergingen met gebogen hoofd de toorn.

Eens werd het mijn man te veel. Hij zocht zijn moeder op in het ziekenhuis, waar ze op dat moment voor een longaandoening werd verpleegd, en kreeg in een volle zaal de meest vreselijke verwijten naar zijn hoofd. Hij heeft haar aangekeken en is weggelopen. Tot groot verdriet van hemzelf, maar hij kon er niet meer tegen. De schaamte over het gedrag van zijn moeder was te groot.

Uiteindelijk was het ook een longaandoening die mijn schoonmoeder fataal werd. We hebben gewaakt aan haar bed, tot haar hart stopte en haar de rust gaf waar ze zo wanhopig naar op zoek was. Het gezegde luidt “van de doden niks dan goeds”, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook wij deze rust koesteren.