Voorbeeld

Er zijn vrouwen die een voorbeeld zijn omdat ze de wereld toespreken vanaf een podium, gehuld in een keurig mantelpak en gebruik makend van ingewikkelde termen over moeilijke onderwerpen. En er was Dolly Parton. Die sprak de wereld ook toe, gewapend met een blonde pruik van een verdieping hoog, een voorkomen waar zij zelf de meeste spot mee dreef en op hakken waar de gemiddelde vrouw al na een meter van gaat huilen.

Ik vond haar geweldig.

Ze heeft nooit geprobeerd eruit te zien zoals anderen vonden dat een verstandige, succesvolle vrouw eruit hoorde te zien. Nee, ze maakte juist haar handelsmerk van ‘te veel’. Te veel haar, te veel make-up, te veel glitter. En ze maakte er zelf de meeste grappen over. Tenslotte kostte het heel veel geld om er zo goedkoop uit te zien.

Maar achter die enorme kunstwimpers zal echt geen dom blondje. Ze schreef honderden liedjes, bouwde een zakelijk imperium op en hield jarenlang de regie over haar eigen werk. Toen Elvis Presley I Will Always Love You wilde opnemen, weigerde ze de publicatierechten af te staan. Dat moet voor een jonge vrouwelijke songwriter in die tijd ongeveer hetzelfde zijn geweest als tegen de president zeggen dat het belastinggeld beter besteed kan worden. Maar Dolly bepaalde zelf wel wat ze deed. Toen jaren later Whitney Houston het nummer opnam en het een wereldhit werd, bewees ze haar gelijk.

Maar wat Dolly vooral bijzonder maakte, was dat ze haar succes niet alleen gebruikte om nog meer glitterjurken te kopen maar dat ze heel veel goede doelen steunde. Ze liet gratis boeken sturen naar jonge kinderen zodat ze konden lezen. Ze ondersteunde talloze onderzoeken en via haar stichting werden heel veel mooie initiatieven geholpen.

Dolly liet zien dat zakelijk instinct niet alleen maar aanwezig is bij mannen of vrouwen in een grijs maatpak. Dat je best ambitie kunt hebben als je een rondborstige country-zangeres uit Tennessee bent. En zeker, ze werd altijd onderschat en er werd ook vaak om haar gelachen. Maar wat deed ze dan, ze glimlachte. Want uiteindelijk was zij degene die het laatst lachte.

Jarig

Gisteren werd mijn grote vriend Stef veertien. Veertien jaar oud. In hondenjaren is dat ongeveer de leeftijd waarop je als mens je kunstgebit ’s nachts in een glaasje legt in de badkamer, ruzie maakt met de afstandsbediening van de televisie en tegen iedereen vertelt dat vroeger alles beter was.

Vorige week moest de kleine man daarom voor zijn jaarlijkse APK naar de dierenarts. Deze keer niet even luisteren naar zijn hart, voelen aan zijn heupen en klaar. Nee, een uitgebreide check-up deze keer. Bloedonderzoek, hartecho, voelen, luisteren, kijken en een hele waslijst afvinken. Met als uiteindelijke vraag, is zijn gezondheid en conditie voor zover in orde.

En het antwoord is, jazeker.

Voor een hond van veertien is Stef verrassend fit. Zeker, de onderdelen beginnen hier en daar wat gebruikssporen te vertonen. Hij is doof. Stokdoof. Behalve wanneer er ergens een zakje hondenkoekjes wordt opengemaakt. Dan blijkt gehoor ineens een rekbaar begrip. Maar dat kan natuurlijk ook door zijn neus komen. Zijn reuk is nog uitstekend.

En hij heeft staar, waardoor hij de wereld waarschijnlijk bekijkt alsof er permanent een laagje vaseline op zijn bril zit. Zijn hart heeft medische begeleiding nodig en zijn heupen en knieën zijn door de artrose inmiddels ook niet meer van het type jonge god. Maandelijkse injecties houden hem op de been. Letterlijk.

Maar hij loopt. Hij eet. Hij snuffelt. Hij geniet. Hij speelt met Kaatje. Hij bemoeit zich met dingen die hem niets aangaan en bepaalt nog altijd zelf waar hij wel en vooral niet heen wil. En dat doet hij met verve.

Daar ben ik ongelooflijk dankbaar voor.

Want als je zo’n oude hond hebt, verandert er iets. Je telt niet meer vanzelfsprekend in jaren. Je bent blij met maanden. Met weken. Soms gewoon met een ochtend waarop hij al rekkend en strekkend van de bank stapt en denkt, oh, is het al dag, dan zullen er wel brokjes zijn.

Natuurlijk weet ik dat veertien heel oud is. Daar hoef je geen dierenarts voor te zijn. Zijn lijf verzamelt gebreken alsof het koopzegeltjes zijn en vroeg of laat is het boekje vol.

Maar voorlopig gelukkig nog niet.

Voorlopig schuifelt Stef door het leven met zijn gammele knieën, zijn matige zicht, zijn slechte gehoor en zijn gereviseerde hart. Een soort klassieke auto waarvan het dashboard permanent drie waarschuwingslampjes laat branden, maar die iedere ochtend toch gewoon weer start. Zo’n oude diesel die even moet schudden voor hij wil gaan lopen.

Dus kreeg hij gisteren zijn veertien kaarsjes. Niet letterlijk natuurlijk. Ook zijn ingewanden zijn al oud. Je moet het noodlot ook niet tarten.

Warm

Het was weer warm deze week. Gelukkig is het in mijn kantoor lekker koel. Stef en Kaatje maken daar ook dankbaar gebruik van. Ik heb dus heerlijk kunnen werken aan mijn boek, deze week. Het verhaal over verlies, rouw, opkrabbelen en weer gelukkig worden. En dan geschreven vanuit het perspectief van mijn trouwe vriend Stef. Een blog is er daardoor even niet van gekomen. Volgende week weer.

Wolkenpraat

Ze zitten samen op een wolk. Niet zo’n dun sliertje waar je elk moment doorheen zakt, maar een stevige, comfortabele wolk met uitzicht. Beneden ligt de wereld die ze hebben achtergelaten. De huizen, de straten en vooral de mensen van wie ze zoveel hielden.

‘Ze hebben het moeilijk,’ zegt de een.

De ander knikt. ‘Dat zie ik.’

Ze kijken hoe hun geliefden proberen door te gaan. Hoe ze ’s morgens opstaan terwijl ze eigenlijk onder de dekens willen blijven. Hoe ze automatisch twee borden pakken en pas daarna beseffen dat er nog maar een nodig is. Hoe ze iets grappigs willen vertellen, om zich vervolgens te herinneren dat degene aan wie ze het altijd vertelden er niet meer is.

Vanaf hun wolk zien ze alles. De tranen die stiekem worden weggeveegd. De foto’s die te lang worden bekeken. De gesprekken met een lege stoel. Ze zien hoe zwaar verdriet kan zijn en hoe langzaam een mens leert om het mee te dragen.

‘Zullen we iets doen?’ vraagt de een.

‘Wat dan?’

‘Een veertje laten vallen? Een liedje op de radio? Een vlinder op het juiste moment?’

‘Dat doen we toch al?’

Ze glimlachen. Het is hun wolkenpraat geworden. Samen bedenken ze kleine tekens, ze zien dat die beneden ook worden herkend. Niet altijd maar dat hoeft ook niet. Misschien is liefde soms gewoon aanwezig zonder dat er bewijs voor nodig is.

Langzaam zien ze iets veranderen. Er wordt weer gelachen. Eerst voorzichtig, alsof lachen niet mag. Later voluit. Er worden nieuwe plannen gemaakt. Verjaardagen worden weer gevierd. Er komt opnieuw licht in de huizen. Er komt zelfs een nieuw huis. Samen zijn ze gelukkig. Het verdriet is niet verdwenen. Het heeft alleen een andere plek gekregen. Niet meer getekend op hun gezicht, maar geborgen in hun hart.

‘Kijk,’ zegt de een. ‘Ze redden het.’

‘Natuurlijk redden ze het,’ antwoordt de ander. ‘We hebben hen toch niet voor niets zo sterk gemaakt?’

Ze kijken naar beneden en zien hoe hun geliefden verder leven. Met gemis, met herinneringen, maar ook met geluk.

Dan schuiven ze wat dichter tegen elkaar aan op hun wolk.

‘Ik ben trots op hen.’

‘Ik ook.’

En ergens beneden kijkt iemand plotseling omhoog.

De laatste van de familie

Mijn oude tante is overleden. Ze is negentig jaar oud geworden, een leeftijd waarvan mensen al snel zeggen dat het ‘een gezegende leeftijd is.’ Alsof een lang leven het afscheid gemakkelijker maakt voor de kinderen. Rouw laat zich niet sturen, dat weet ik maar al te goed.

Ze was de oudste van haar gezin, maar ze is als laatste overleden. Haar jongere broer en zussen gingen haar allemaal voor. Daarmee verdween niet alleen een tante, maar ook de laatste vertegenwoordiger van een familie die ooit aan een grote tafel zat, ruziede om kleine dingen, samen feestvierde en over anekdotes verhaalde waarvan niemand nu nog kan controleren of ze waar zijn of niet. Tante kwam uit een familie van verhalenvertellers. En een fraai gezegde luidt, ‘je mag een mooi verhaal nooit verpesten door de waarheid.’

Nu zij er niet meer is, voelt het alsof er een deur naar vroeger definitief is dichtgevallen. Zij wist nog hoe de familieleden toen waren, wie altijd te laat kwam, wie de baas speelde en wie stiekem het laatste koekje uit de trommel pakte. Zij kende de stemmen, de gewoontes en de kleine eigenaardigheden die op oude foto’s niet te zien zijn. Zij kon nog vertellen over kermissen waar ze stiekem vriendjes ontmoetten. Heel stiekem, want opa was geen makkelijke man.

Haar afscheid was zeker verdrietig. Er waren tranen, omhelzingen en stiltes waarin niemand precies wist wat hij moest zeggen. Maar tegelijkertijd was het ook een gezellig weerzien. Familieleden die elkaar jaren niet hadden gesproken, stonden ineens met een kop koffie naast elkaar alsof de tijd even was teruggedraaid.

Er werden herinneringen opgehaald. Over vakanties, verjaardagen, ondeugende streken en familiefeestjes die in de loop der jaren steeds mooier en waarschijnlijk ook steeds minder waar zijn geworden. Het ‘och ja, weet je nog,’ was niet van de lucht.

Er werd gelachen. Soms voorzichtig, soms gewoon hardop. Want bij een afscheid hoort niet alleen verdriet. Het leven van iemand bestaat gelukkig uit veel meer dan het moment waarop het eindigt.

Tante was de oudste, maar hield het uiteindelijk het langste vol. Ze heeft iedereen zien gaan. Dat moet ook niet makkelijk zijn geweest. Wij blijven achter met de verhalen. En zolang we die blijven vertellen, zit die oude familie toch nog een beetje samen aan tafel.