Langs de kant van de weg…..

Wat je toch af en toe langs de weg ziet liggen. Onvoorstelbaar. Troep, bekertjes, blikjes, sommige mensen denken dat de wereld een grote afvalcontainer is. En zij hoeven hem niet te legen.

Maar soms valt je oog op iets dat fascineert. Zo kan mijn fantasie altijd op hol slaan als ik een enkele schoen zie liggen. Dat gebeurt best vaak, let er maar eens op. Meestal een herenschoen, waarschijnlijk gedragen door iemand die voor zijn beroep veel moet lopen. Die schoen heeft een verleden, hij is mishandeld door degene die hem droeg. Dat kun je zien. De eigenaar is er niet lichtzinnig mee omgegaan, er is tegen zware dingen geschopt, op ruwe dingen geklommen. Deze schoen heeft het zwaar te verduren gehad. En nu ligt hij hier, afgedankt, langs de kant van de weg.

Je vraagt je dan toch serieus af hoe dat kan. Hoe kan iemand nu één schoen verliezen. Doet hij even zijn schoenen uit, omdat hij warme of zere voeten heeft? En vervolgt hij dan verder zijn weg om er na een paar kilometer achter te komen dat hij iets mist? Ik stel me voor dat de schoenen van een beroepschauffeur zijn. Zet die dan zijn schoenen op zijn vrachtwagen en rijdt weg? Om er vervolgens bij de volgende stop achter te komen dat hij een schoen verloren is? Heeft een chauffeur dan tijdens zijn rit meerdere paren schoenen bij zich? En wat doet hij dan met die overgebleven schoen? Gooit hij die weg? Want bij sokken lukt het soms wel, maar bij schoenen is het niet mogelijk een gelijk paar te kopen en een schoen in reserve te houden.

Het fascineert me. Al die ervaringen van de mensen die hun brood verdienen door ’s ochtends ergens heen te rijden. Naar een kantoor, waar ze achter een bureau gaan zitten met collega’s. Of naar een klant, waar zij na een uur weer vandaan gaan. Ieder op zijn eigen manier.

Al die bewegingen, al dat krioelen van die mensen die iedere dag weer onderweg zijn. Ergens naar toe. In die mierenhoop die wij wereld noemen. Allemaal belangrijk, allemaal de eerste. Zo druk bezig dat hun wegen vaak alleen nog maar parallel langs elkaar lopen. Te druk om naar elkaar te kijken en vooral te druk om naar elkaar te luisteren.

Mensen met krassen, die niet lichtzinnig zijn behandeld en het zwaar te verduren hebben gehad. Mensen die de krassen hebben gemaakt, door hun onnadenkendheid of door hun egoïsme. Die niet nadenken over hoe ze anderen behandelen, die zo maar ineens tot de ontdekking kunnen komen dat ze iemand vergeten zijn. Iemand die misschien wat langzamer is en niet zo heel snel mee kan. “Ach, hoe zou het er toch mee zijn.” Om vervolgens weer met dezelfde vaart hun weg te vervolgen. Tenslotte moet ieder voor zichzelf zorgen. Het recht van de sterkste geldt nog altijd. Maar dat blijkt toch uiteindelijk wel een heel eenzaam recht.

Soms is zo’n mens dan ook ineens weg. Zomaar. Afgelopen. Iemands broer, iemands zoon. Weer een diepe kras gemaakt. De achtergeblevenen moeten weer proberen rechtop te gaan staan, schouders recht, hoofd omhoog. Terwijl ze eigenlijk veel liever met de dekens over hun hoofd die oneerlijke wereld willen vergeten. Gewoon weer als kind, in hun zelfgebouwde schuilhut, met hun kleurpotloden en hun knuffels. Niet na hoeven denken hoe ze met zo’n enorm verlies om zullen gaan. Hoe het nu verder moet zonder die gewoonte om hun broer iedere dag even een berichtje te sturen. Zomaar, om te vragen hoe het gaat. Want het gaat niet meer, nooit meer. Als je een broer of zus verliest, verlies je een stuk van jezelf. En dat heelt nooit meer.

Misschien dat het daarom zo belangrijk is een keer stil te staan bij de mensen die we al een tijd niet hebben gesproken of gezien. Zomaar even informeren hoe het gaat. Misschien even de eenzaamheid doorbreken. Zodat een mens geen schoen wordt, die verloren en afgedankt ligt in de goot langs de weg.

Bejaardenstress

Nadat mijn schoonvader een paar weken in het ziekenhuis had gelegen en tot zijn schrik tot de ontdekking was gekomen dat ook hem zomaar iets ernstigs kon overkomen, vatte hij het plan op om zijn tachtigste verjaardag groots te vieren. Hij was blij dat hij het kon, het had toch zomaar over kunnen zijn. Hij begon de mogelijkheden te overdenken en omdat hij toch wel iets heeft geleerd, de laatste jaren, riep hij onze hulp in.

“Ik wil een groot feest, goed van eten en drinken, niemand mag wat tekort komen.”

“En mijn petekinderen wil ik ook uitnodigen.”

“En we gaan met de taxi.”

Tot zover zijn wensen. Nu was het zaak om een gelegenheid te vinden die hem zou aanspreken, en ook belangrijk, die op zijn datum naar keuze plaats en accommodatie konden bieden. Nu wil het feit dat de familie de laatste jaren gevoelig kleiner is geworden, wat in dit geval de zoektocht toch vergemakkelijkte, dus de juiste plaats zou niet zo moeilijk te vinden zijn.

“Heb je al gebeld?”

“Nee pa, nog niet, ik heb er nog geen tijd voor gehad.”

“Je moet er niet te lang mee wachten hoor, straks hebben we nergens een zaaltje.”

“Het is nog vier maanden weg pa, dat gaat wel lukken hoor.”

“Ja, maar het kan maar geregeld zijn.”

Zucht.

Na enige omzwervingen vonden we een gelegenheid die voldeed aan alle eisen. Centraal, goed te bereiken, niet te groot. Pa was gelukkig, nu was het nog een kwestie van mensen uitnodigen en afspraken maken.

“Heb jij die lijst van adressen nog bijgewerkt.”

“Ja pa, maar die zijn voor je begrafeniskaarten, die mensen ga je toch niet allemaal uitnodigen?”

“Nee, maar dan kan ik kijken wie wel en wie niet, en dan heb je toch de adressen.”

“Dat is waar.”

Zucht.

“Hoe zullen we het doen, zullen we iedereen een kaart sturen.?”

“Dat is een leuk idee.”

“Kun jij die kaarten dan maken?”

“Ja natuurlijk, dan maken we een foto en doen die er op.”

“Ja, en breng jij dan die lijst met adressen mee, dan kan ik kijken.”

“Goed pa.”

Zucht.

Pa was druk met de organisatie. Althans, met het bedenken wat hij wilde en het delegeren van het regelen. Iedere keer als het geluid van de telefoon klonk, keken wij elkaar al aan, wat zou hij nu weer bedacht hebben. Uiteindelijk maakten we een afspraak om naar het restaurant te gaan om uit de doeken te doen hoe het feest er uit moest komen te zien.

“Woensdag over een week pa.”

“Dat is goed.”

“Dan kom ik je ophalen.”

 

“Goedenavond.”

“Ja, met mij, ben jij het vergeten?”

“Wat ben ik vergeten pa.”

“Nou, we zouden toch vanavond gaan afspreken.”

“Nee pa, dat is volgende week woensdag pas, niet vandaag.”

“Ja, maar is dat dan niet veel te laat, je moet ook de kaarten nog versturen.”

“Die liggen allemaal al klaar pa, als het is afgesproken kan alles de dag er na weg.”

“Ja, maar anders wordt het zo kort dag, voor de mensen.”

“Ik heb echt voor volgende week afgesproken, vanavond kon niet.”

“Oh, ok, dan heb ik me vergist.”

Zucht.

We haalden pa op en parkeerden de auto zo dicht mogelijk bij de ingang van het restaurant. Met piepen en kraken hees hij zich omhoog en al steunend ging hij van een hoek van 90 graden naar een acceptabele houding. Het duurt even. We werden gastvrij ontvangen, jassen werden in ontvangst genomen, koffie werd geserveerd, pa voelde zich thuis. Er kwam een groot boek op tafel en we werden verwachtingsvol aangekeken.

 “Wat is de bedoeling?”

“Nou, een gezellig feest.”

Het verloop van de avond werd uitvoerig besproken. We konden pa, maar vooral de gasten, behoeden voor een warm en koud buffet, gevulde eieren en tomaten, en stukjes komkommer. Ook het geijkte gebak voor oude mensen werd genadeloos afgeschoten. Met gemengde gevoelens stemde pa in met het alternatief. Een modern walking diner. Nadat het begrip ‘tapas’ op een vragende blik stuitte, werd het allemaal precies uit de doeken gedaan. Pa was tevreden. Zelfs met het feit dat er geen bakjes met pinda’s en chips op tafel zouden komen. Tante Sjaan moest maar een keer wat anders snoepen.

De dag er na stuurde ik de kaarten de wereld in. Alles was geregeld tot zover. Nu was het een kwestie van wachten tot het zover was. En wachten op wat pa in de tussentijd nog uit de hoge hoed zou toveren.

 

 

 

Afscheid

Vandaag nemen we afscheid van een broer, een zoon, een vriend. Zijn leven liep een tijdje parallel aan het onze. En plotseling, zonder waarschuwing, ging hij weg. Net toen we dachten dat het allemaal de goede kant uit ging, dat zijn ziekte onder controle was. Toen iedereen voorzichtig weer een beetje rustiger adem durfde te halen, kwam de klap.

De achterblijvers staan verbijsterd. Het ongeloof is groot. Langzaam groeit het besef dat het echt zo is. Dat hij nooit meer op zijn eigen droge wijze zijn mening over de dingen zal geven. Dat hij nooit meer met die mild spottende blik in zijn ogen zal kijken naar waar anderen zich allemaal druk over maken. Weer moet de wereld het met een markant mens minder doen. En wij met een vriend.

 Dag lieve Sjef, we zullen je nooit vergeten.

 Johan en Sjef