Hoi pap

De school waar jij zoveel jaren onderwijzer bent geweest, bestaat dit jaar 100 jaar. Wat is het leuk om te zien dat jij nog op zoveel oude foto’s staat en dat nog zoveel oud-leerlingen precies weten wie je was. En goede herinneringen aan je bewaren. Deze maand zou je 83 jaar oud zijn geworden. Zou, natuurlijk, want je bent uiteindelijk maar 66 geworden. Inmiddels al 17 jaar geleden. Wat heb je veel gemist. Wat is je veel bespaard gebleven, eigenlijk. De perikelen rond je jongste dochter, de medische problemen van mama, jouw vrouw, het overlijden van de man van je tweede dochter, haar aneurysma in Oostenrijk, tijdens de vakantie. Wat zou je in paniek zijn geweest.

Soms denk ik weleens, je hebt er zelf voor gekozen. Je had je dochters op de plaats van bestemming, althans, voor het moment. Alle vier een relatie, een huis, je hebt zelfs je twee kleinkinderen leren kennen. Ze kunnen je zich denk ik niet meer herinneren, zeker de jongste niet, die was pas een jaar toen je overleed, maar jij hebt ze gekend. Wat was je trots op die meisjes. De mooiste kleinkinderen van de hele wereld.

Ik heb het al eens eerder gezegd, ik heb je nooit goed gekend. Je was voor mij die conservatieve man die niet wilde begrijpen dat de wereld niet meer was zoals jij zou willen. Wat waren er veel thema’s die jij niet wilde en kon begrijpen. Je kon naar de televisie kijken en je verbazen over wat je daar voorgeschoteld kreeg. Ik denk dat je het niet durfde te zeggen, omdat je eigen vader het vroeger ook zei, maar dat je dacht “waar moet het heen met de wereld”. Moeilijke onderwerpen ging je ook uit de weg, je ontkende gewoon dat het bestond, klaar. Het enige onderwerp waarbij we elkaar konden vinden was het katholieke geloof. Jij omdat je een trouw volgeling van de kerk was, ik omdat ik het fascinerend vind hoe een club oude mannen wereldwijd zoveel macht kan hebben.

Na je dood las ik je dagboek, je “gedachtenboek”, je had in oktober al een gedicht voor kerstmis en voor de jaarwisseling geschreven. Een bijzondere jaarwisseling, aan de vooravond van een nieuwe eeuw. Alsof je aanvoelde dat je het zelf niet mee zou maken. Wat was je een diepgelovig mens, ik schrok ervan. Je vertrouwde volledig op jouw god en een gelukkiger leven in het hiernamaals. Iets wat mij niet gegeven is, daar ben ik veel te achterdochtig voor.

Je ging zonder iets te zeggen. Gelukkig is ook een ziekbed je bespaard gebleven. Je ging slapen en werd nooit meer wakker. Mensen zeggen, “wat hard, je hebt geen afscheid kunnen nemen.” Nee, dat klopt, maar we hebben je ook niet hoeven zien aftakelen. In onze herinnering ben je nog altijd “ons pap” en geen zieke oude man. En daar heb ik inmiddels vrede mee en ik denk je andere dochters ook. Natuurlijk hadden we je gegund dat je 100 jaar oud zou worden. Het heeft helaas niet zo mogen zijn.  

Ik mis je niet in mijn dagelijks leven, daar heb je eigenlijk nooit een groot deel van uitgemaakt. Maar soms zie ik je foto staan, je vertrouwde gezicht met dat scheve lachje, en dan voel ik heimwee.

 

 

Vroom & Dreesman

Vroeger, heel lang geleden, mocht ik weleens met mijn moeder mee om te gaan winkelen. Dat was op zich al een hele belevenis. Als je de oudste van vier kinderen bent, heb je ouders die erg druk zijn. Zeker in een tijd dat de wasdroger en de vaatwasser nog geen gemeengoed waren. Natuurlijk kon je ook je kinderen laten afwassen, maar toch. Zo af en toe wist mijn moeder tijd te maken en dan togen we samen, met de bus, naar de stad. In mijn herinnering was het dan altijd koud dus mijn moeder zal mij in de zomer wel met mijn zussen op pad hebben gestuurd. “Ga maar fietsen, en neem je zusjes mee.”

Het busstation was altijd een deprimerende omgeving. Lelijke stadbussen stonden te wachten onder betonnen grijze overkappingen om mensen van het station naar de diverse wijken in de stad te brengen. Wij hoefden daar geen gebruik van te maken, wij moesten immers naar het centrum. En dat was op loopafstand van het station. Diep in je jas gedoken, op een station waait het altijd. Het beeld van de eenzame krant die wegwaait is daar ontstaan, ik weet het zeker.

In de winkelstraat leek het altijd warmer. Alsof de mooi ingerichte etalages de straat verwarmden. Ik vergaapte me aan de schoenen, de kleding en alle andere zaken die waren uitgestald. Meestal werd het aangename met het nuttige verenigd en kreeg ik ook een nieuwe winterjas of een nieuw paar schoenen.

Ik ben van de generatie die nog is opgegroeid zonder de zegen van internet en het online shoppen. Ik heb wat in paskamers gestaan, mezelf en het witte licht vervloekend. Een jas passen ging nog wel maar als je een nieuw badpak moest hebben… Ik denk dat er weinig vrouwen zijn die niet weten wat ik bedoel. In de tijd dat ik nog met mijn moeder ging winkelen, was de paskamer niet eens mijn eigen domein. Ik weet nog goed dat ik voor de eerste keer, als veertienjarige, een beha ging kopen. Ik was er op voorhand al ongelukkig mee, want ik was als tiener niet helemaal gelijkmatig in de groei, zal ik maar zeggen. Mijn moeder gaf me een aantal exemplaren mee en dirigeerde me de paskamer in. Daar stond ik dan, met ontbloot bovenlijf, het kippenvel op mijn armen, onhandig te wurmen met haakjes en bandjes. “Lukt het?”, het hoofd van mijn moeder stak tussen de gordijnen door, gevolgd door het hoofd van meneer Beerens, de eigenaar van Beerens Textiel, waar mijn moeder al ons ondergoed placht te kopen. Nee, ik heb zelfverzekerdere momenten gekend.

Maar goed, in de winkelstraat, gearmd met mijn moeder, kon ik al die ellende achter me laten en genieten van de mensen, de lichtjes en de gezelligheid. Een van de hoogtepunten was dan ook als we bij Vroom & Dreesman binnen gingen. Bij binnenkomst had je de afdeling mutsen en handschoenen, maar die lieten we al snel achter ons. Eigenlijk kan ik me niet herinneren dat we de hele winkel bekeken, meestal namen we de roltrap naar het restaurant. In het restaurant kreeg ik dan chocolademelk en een saucijzenbroodje. Mijn moeder nam koffie. Of zij zich te buiten ging aan ook een saucijzenbroodje weet ik niet meer. Het is ook al zo lang geleden. Volledig verkleumd namen we dan de bus weer naar huis. ’s Avonds in bed overdacht ik dan met een voldaan gevoel een geslaagde dag.

Ik denk niet dat er nog moeders zijn die hun dochters meenemen voor chocolademelk bij V&D. Binnenkort lijkt het ook helemaal niet meer mogelijk te zijn. Iconen als V&D lijken een voor een het loodje te leggen. Ouderwets, oubollig, niet van deze tijd. Aan de ene kant snap ik het wel, niks zo makkelijk als achter het toetsenbord kruipen en gehoor te geven aan die vrouwelijke behoefte aan kleding en schoenen. Wat niet past, stuur je gewoon weer terug. En passen hoeft niet in die verschrikkelijke hokjes maar gewoon in de beslotenheid van je eigen slaapkamer. Heerlijk.

Toch is het aan de andere kant ook wel weer jammer. Al die jeugdherinneringen die een voor een ter ziele gaan.

 

 

 

 

Een nieuw jaar

We kijken weer terug. Lijstjes worden gemaakt. Wie zijn we verloren, wat is er allemaal misgegaan. De stroom van vluchtelingen, de aanslagen die zijn gepleegd, mensen die daardoor geliefden zijn kwijtgeraakt. Wat hebben we elkaar toch weer aangedaan, het afgelopen jaar. De vele doden die weer zijn gevallen door toedoen van fanatiekelingen die de naam van God misbruikten. Of niet eens in naam van God, maar gewoon, omdat iemand zijn winstbejag stelde boven het leven van een medemens.

Je zou er bijna moedeloos van worden. Al die ellende, al dat verdriet. Het is moeilijk te blijven geloven in het goede en het mooie in de wereld. Toch is dat mijn goede voornemen voor het komende jaar. Te blijven geloven en te blijven liefhebben. Tenslotte bloeien de rozen ieder jaar opnieuw.

Gelukkig nieuwjaar.

 

De kerstmarkt

December is traditioneel de tijd van de kerstmarkten. Of, chiquer gezegd, de Christmas Fairs. En om niet uit de toon te vallen, togen mijn zusters en ik naar een Country & Christmas Fair. We kochten kaartjes via internet, dat dan weer wel, en dompelden ons onder in de ouderwetse Dickens-sfeer. De entree alleen al was indrukwekkend.

We waren op slag vergeten dat we in een blubberige berm hadden moeten parkeren, waardoor onze schoenen direct gedegradeerd waren tot modderige klompen. Dat we in de kou hadden staan wachten op een pendelbus, met een chauffeur die de opdracht had gekregen het gezelschap van overwegend vrouwen vriendelijk naar de plaats van bestemming te brengen. Hij probeerde het echt, maar de grap die hij vertelde had een langere baard dan de Kerstman die de ingang sierde.

We hobbelden en hielden ons vast aan lussen en leuningen. De bus was afgeladen vol dus we moesten staan. In de scherpere bochten kwamen de puntige knieën van de meneer die naast mij wel een zitplaats had veroverd angstig dichtbij. De man zelf zag er ook niet echt uitnodigend uit, hij bekeek het schouwspel in het gangpad van de bus met een zeker dedain. “Als je op tijd bent, heb je wel een goede plaats”, ik zag het hem denken.

Eenmaal de ingang voorbij keken wij onze ogen uit. De organisatie had uitgepakt, dat was een ding dat zeker was. Overal stonden vuurkorven, de geur van kampvuur bracht ons terug naar onze jeugd, door de kou naar de nachtmis, worstenbrood als we daarna thuis kwamen. We keken elkaar aan, de belofte was goed. Eensgezind begonnen we aan de route met kraampjes. Het was druk.

En dus liepen we direct tegen de eerste tegenvaller aan. Want wat opvalt op een beurs, met name als er veel vrouwen zijn, is dat er geen rekening wordt gehouden met de medepassagiers. De schier oneindige stoet aan bezoekers komt soms abrupt tot stilstand omdat een van de reizigers ineens bedenkt dat hij (meestal zij) iets is vergeten, of iets heeft gezien dat nog een keer extra bezichtiging behoeft. Zo ook deze keer. We botsten tegen ruggen, werden bijna de ogen uitgestoken door een dame die haar metgezel iets wilde aanwijzen en toen het een klein beetje ging miezeren en de zorgvuldig gestylde kapsels beschermd moesten worden met een uit de kluiten gewassen paraplu, beschermden we onze ogen tegen de punten daarvan. Mensen met een paraplu zien niets en kijken ook nergens naar.

Het publiek was wel divers. Het varieerde van degelijke huisvrouwen met stevige veterschoenen aan, liefst van het merk Mefisto, want “dan krijg ik in ieder geval geen zere voeten Mien”, tot over de top uitgedoste supernichten die hun stulpje tijdens de feestdagen omtoveren tot een waar kerstparadijs. Alles was er, van mus tot paradijsvogel.

Uiteraard kochten ook wij voor teveel geld spullen waar we niks aan hebben. Thuis is het weer wikken en wegen, wat gaan we weg gooien om de nieuw verworven schatten tentoon te kunnen stellen. Ik hoorde mijn echtgenoot al lachen “en, wat ga je nu weer op zolder zetten bij de andere rommel.”

In een ouderwets kraampje vonden we een plaatsje en konden we glühwein drinken. Dat hoort er bij, ook al is het normaal gesproken van een kaliber dat direct een maagverkramping veroorzaakt. Het viel dit keer mee, er waren stukjes appel en sinaasappel toegevoegd en je kon ruiken dat er ook een kaneelstokje in de buurt geweest moest zijn. We zaten goed en bekeken vrolijk alles wat voorbij kwam. Tegen de tijd dat twee bijzonder uitgedoste dames, door de organisatie ingehuurde figuranten in het Dickens-toneelstuk, een liefdeslied aanhieven, was de drank gelukkig op en konden we verder.

Na een paar uur rondneuzen en rondkijken waren we voldoende verkleumd om de terugreis weer te aanvaarden.

In de bus terug zaten we tussen een groepje Urker plattelandsvrouwen. Zij waren gepakt en gezakt, grote tassen blokkeerden het gangpad. Een dame die later was, werd enthousiast gewenkt, “hier zitten wij”. Al zuchtend zeeg zij neer in de bank. Ondanks de Mefisto-stappers had ze toch pijn in de kuiten gekregen. Haar handtas van het formaat kleine koffer ging open en zij haalde een rol pepermunt tevoorschijn. Mijn zussen en ik keken elkaar aan en beten op onze wangen. En we namen ons serieus voor om volgend jaar weer te gaan.

 

 

Tegenwoordig gaan we overal aan dood

Tegenwoordig gaan we overal aan dood. Moesten we vroeger 3 glazen melk per dag drinken, wie herinnert zich Joris Driepinter niet, tegenwoordig zijn zuivelproducten een gruwel voor de gezondheid. De boterham met hagelslag, heerlijk favoriet bij de kleintjes, is inmiddels ook met stip op de zwarte lijst terecht gekomen. Eieren, je mag er maar één per dag, anders slibben je aderen geheid dicht. Het eigeel is namelijk puur vergif voor je cholesterol. Of toch, was het eiwit nu ineens weer het ultieme middel om datzelfde cholesterol naar beneden te krijgen.

Vlees, de nieuwste gruwel, is net zo schadelijk als alcohol en sigaretten. Je sterft een langzame dood door het te eten. Wellicht dat we binnenkort ook terecht kunnen bij de AV, de anonieme vleeseters. “Ik ben zwak geweest, ik ben gevallen voor een hamburger.” Een diepgaand wetenschappelijk onderzoek heeft dit uitgewezen. Het wachten is nu alleen op het volgende onderzoek dat dit weer ontkracht. Geloof me, dat is maar een kwestie van tijd.

De nieuwste onderzoeken wijzen uit dat je moet leven op noten, peulvruchten en groene thee. Oh, en vette vis. Maar hoe zit dat dan met andere onderzoek dat uitwijst dat er heel veel rubberdeeltjes van autobanden, van die banden afgesleten door het rijden, via onze rivieren in de zee terecht komen. De vissen krijgen die deeltjes dan via hun voedsel binnen en wij op onze beurt eten weer die vis. En krijgen dus dat rubber binnen.

Ook recyclen blijkt al weer niet gezond. De verpakkingen van onze producten geven hun inkt af aan hetgeen ze moeten beschermen. En wij eten dan die inkt weer op. Je zou er toch moedeloos van worden. Zeker in deze tijd van het jaar, de herfst en het jachtseizoen zijn qua eten toch wel mijn favoriete tijd. Helemaal niet verantwoord, ik weet het. Maar toch wel heel erg lekker.

Ook gebruiken we steeds meer medicijnen. Zonder Ritalin hoor je er op de middelbare school niet meer bij. Waar je vroeger als kind lastig was, en niet moest zeuren, word je nu gediagnosticeerd met ADHD. En moet je daar pillen voor slikken. Natuurlijk, laten we alsjeblieft gebruik maken van alle nieuwe ontwikkelingen maar laten we kritisch blijven.

Want waar we ook wanhopig naar op zoek zijn, is een medicijn tegen ouder worden. Oh de gruwel van een rimpel. Op televisie zien we alleen maar mooie mensen, slank, zonder de pukkels en plekjes die wij iedere ochtend in de spiegel aanschouwen. We worden er oprecht ongelukkig van. Gelukkig spelen de cosmeticafabrikanten in op onze behoefte en kunnen we voor een behoorlijk bedrag het gevoel kopen er toch alles aan te doen. Natuurlijk wijzen deze fabrikanten er wel op dat je hun producten moet blijven gebruiken. Om het beste resultaat te behalen. Financieel resultaat voor hun bedrijf dan natuurlijk. Onze rimpels zullen hen een zorg zijn.

Maar zien we niet de echte problemen over het hoofd? Is het niet zo dat deze maatschappij zoveel eist van mensen, dat zij het niet meer bij kunnen benen. Dat iedereen perfect moet zijn, vrouwen moeten fulltime werken, hun kinderen opvoeden, vrijwilligerswerk doen op de school van hun kinderen, hun huis in VT Wonen-staat houden en hun lichaam in de vorm van een topmodel. Mannen moeten carrière maken, papa-dag houden, hun steentje bijdragen aan het huishouden, sporten om hun lichaam in goddelijke staat te houden. Het is toch niet vreemd dat steeds meer mensen vermangeld raken en niet meer in staat zijn gelukkig te zijn.

Moeten, moeten, moeten. Eigenlijk moeten we daar eens goed over nadenken. Laten we dat doen als we samen met familie en vrienden aan tafel zitten, genietend van fazant met een goed glas wijn er bij. 

Kleur

“Mam?”

“Ja jongen?”

“Ik ben niet mooi hè?”

Ze kijkt het kleine jongetje aan. Hij is het mooiste mannetje van de hele wereld, compleet met zijn scheve glimlachje en zijn lieve donkere ogen. Een koude hand klemt zich om haar hart. Wordt hij gepest, haar kleine ventje, gebeuren er zaken waar ze geen weet van heeft?

“Hoe kom je daar bij?”

Hij haalt zijn kleine schoudertjes op. Kijkt een beetje onwillig weg als ze zijn blik probeert te vangen. ze probeert zijn handje vast te pakken maar hij trekt terug.

“Nou, dat dacht ik zo maar.”

“Jij bent prachtig, natuurlijk ben jij wel mooi.”

“Dat zeg je alleen maar omdat je mijn mama bent.”

Hij loopt weg en kruipt met zijn iPad op de bank. Lijkt even later verdiept in een spelletje. Het zit haar niet lekker en ze gaat naast hem zitten. Hij kijkt haar een beetje schuldig aan. Alsof hij wil zeggen, ik heb je laten schrikken hè, dat was niet de bedoeling.

“Vertel eens, waarom vraag je nou of je mooi bent. Wie heeft er tegen jou gezegd dat je niet mooi bent?”

Ze ziet zijn lipje trillen. Hij probeert zich groot te houden, haar kleine man, maar ze ziet de tranen in zijn ogen komen. Ze slaat haar arm om hem heen en trekt hem tegen zich aan. Zijn kleine lijfje verwarmt haar hart.

“Nou, ik dacht het, omdat mensen op televisie zo boos zijn op mensen met zo’n kleur als ik. En ik dacht, dat komt dan natuurlijk omdat die mensen niet mooi zijn. Met zo’n kleur. Dus dan kan ik toch ook niet mooi zijn.”

“Maar jongen, dat is toch helemaal niet waar. Die mensen snappen er helemaal niks van. Die zijn bang voor dingen die ze niet kennen.”

Ze ziet dat dit boven zijn pet gaat. Maar ze kan het hem niet uitleggen. Hoe zou hij kunnen begrijpen dat de angst  voor het onbekende mensen dingen laat doen die onvoorstelbaar zijn. Dat verdraagzaamheid alleen maar kan ontstaan door wederzijds begrip. En dat je daarvoor bereid moet zijn met elkaar de dialoog aan te gaan. En dat de mensen die om het hardst roepen dat vreemdelingen gevaarlijk zijn, eigenlijk alleen maar uit zijn op macht. Dat zij heel handig inspelen op de onzekerheid van mensen. Dat zij bewust dingen verzwijgen om anderen in een kwaad daglicht te zetten. Omdat zij anders hun eigen verhaal onderuit halen. Hoe kan ze dat vertellen aan dat kind dat op het schoolplein met alle kindjes speelt, ongeacht huidskleur en afkomst. Hoe lang zal dat nog duren? Wanneer gaan de scheuren zich aftekenen in die mini-maatschappij? Ze weet het niet.

Het zit zo ingebakken in onze cultuur, we doen het niet eens expres. Sneeuwwitje is de prachtige lieve prinses, haar huid zo blank als sneeuw. De boze stiefmoeder is gekleed in het zwart, de kleur van het kwaad. Heel langzaam ontstaat in de gedachten van die kinderen het idee dat het inderdaad zo is, dat donker niet goed is. Zij nemen dit mee in hun volwassenheid, het wordt een gevoel. Onbewust wordt de keuze in een oogwenk gemaakt. Het vooroordeel wordt niet meer herkend.  De prinses wordt gered door de knappe man op het witte paard.

“Jij bent mooi, laat je alsjeblieft door niemand vertellen dat dat niet zo is.”

Hij kruipt nog eens wat dichter tegen haar aan.

“Jij bent lief mama.”

Het gevaar is weer voor even bezworen. Het evenwicht weer voor even hersteld.

’s Avonds in bed moet ze hartverscheurend huilen, ze is ontroostbaar. Als een dergelijk idee zich vast kan haken in het kleine hoofdje van een klein jongetje, hoe ver zijn we dan van huis. Ze weet het werkelijk niet.

 

Herfst

Heerlijk op zondagmorgen op pad met mijn kleine vriend. Het is nog fris buiten, de herfst verspreidt de vochtige geur van heimwee. Rubberlaarzen aan, handen diep in je zakken en snuiven. Zeker, wat je ruikt is de geur van rottend blad en paddenstoelen, een teken dat de zomer weer op zijn retour is, maar dat geeft niet, de natuur gaat nog één keer knallen.

Niet te hard lopen natuurlijk, aan al die spindraden die overal aan je gezicht blijven plakken kunnen ook wel eens verdwaalde spinnen zitten. Het is sowieso lastig om alle herfstperikelen te ontwijken. Takken die door de vochtige bladeren zijn gaan doorhangen en hun druppels laten vallen precies als jij er onderdoor loopt. Huh, weer koude druppels in je nek. Het is ook glad, de gekleurde bladeren die zijn gevallen vormen een dik verend pad. Je moet goed kijken waar je je voeten zet, boomwortels zijn nu niet meer te zien.

Mijn kleine maatje lijkt er geen last van te hebben. Hij rent zich de benen onder zijn lijfje vandaan. Alles ruikt ook zo heerlijk vanochtend, de natuur heeft alle registers opgetrokken. Er valt zoveel te ruiken en te ontdekken, hij weet niet waar hij moet beginnen. Ik zie hem van de ene tak naar de andere stronk rennen, er zijn gewoon teveel indrukken. Wat kan ik daar van genieten.

Ik loop deze route iedere dag als wij op ons geliefde plekje in de Ardennen zijn. ’s Morgens vroeg, nog niemand wakker, alleen mijn kleine maat en ik. Een heerlijk begin van de dag. We zijn hier vanaf half augustus tot eind oktober, zo vaak als we kunnen. Ik heb ook dit jaar het vrolijke groen weer zien veranderen in de uitbundige kleuren van de herfst. De lange avonden vol warmte veranderden in korte avonden waarin we tot laat bij de vuurkorf zaten. Het grillige licht van het vuur maakte de mooiste schaduwen op de omgeving. Het geluid van de Amblève vormt achtergrondmuziek waar geen symfonieorkest aan kan tippen. Dit zijn de avonden waarop je verder niets te wensen hebt. Gewoon zitten, bij het vuur, met man en hond, en gelukkig zijn.

Ik loop verder en passeer de bruggetjes. Mijn vriendje loopt hier heel voorzichtig. Vorig jaar durfde hij niet maar nu weet hij dat er niets gebeurt. Hij kent het pad. Natuurlijk, even snuffelen aan die omgevallen boom. Ik zie dat de herfst paddenstoelen heeft doen groeien op de donker wordende bast. Elfenbankjes, ze spreken nog altijd tot mijn verbeelding.

We lopen tot het eind van het bos. Daar houdt het land op en kijken we naar het riviertje beneden. Ganzen hebben zich verzameld en maken zich op voor de lange tocht naar het zuiden. Ook zij weten dat na de herfst de winter in aantocht is. Dan wordt de natuur kaal en trekt zich terug in een winterslaap. Alles komt tot rust, een periode van bezinning dient zich aan. Ook deze periode is waardevol, je wordt gedwongen na te denken over waar je mee bezig bent en of dat wel allemaal zinvol is.

Mijn maatje en ik lopen terug. Niet dezelfde weg, dat zou saai zijn. Hij weet de weg, hij weet dat we links of rechts het paadje kunnen nemen, maar dat we altijd weer thuis komen. Ik neem bij voorkeur dezelfde weg als de heenweg. Daar zijn de spinnendraden al weg. Mijn vriendje niet, die rent door de struiken en over de stronken. Niets kan hem deren, hij is heer en meester in het bos. Ik kijk nog een keer om en geniet nog een laatste keer van de kleuren. De meest gevierde kunstenaar doet het echt niet beter. De natuur is nog altijd superieur.

Ik ben weer thuis, Stefke krijgt zijn brokjes. Zelf ga ik koffie zetten en lekker nog even buiten zitten. Het is wel fris maar dat deert me niet. Zo’n wandeling, dat is puur geluk. Dag Dieupart, tot volgend jaar.

Wonen op niveau

Mijn moeder heeft na haar pensioen jarenlang als vrijwilliger gewerkt bij de afdeling van Vluchtelingenwerk in haar woonplaats. Zij had geen zin om heel de dag thuis te zitten en zocht iets waar ze zich nuttig mee kon maken.

En zeker, er waren ook mensen bij die dachten dat in Nederland het geld op straat lag en iedere hulpverlener dit bij hen aan de deur moest brengen. Tenslotte moesten zij geholpen worden. Maar er waren ook heel veel schrijnende gevallen. Vrouwen die mishandeld waren en met hun laatste kruimeltje moed met hun kinderen waren gevlucht. En die nog steeds op hun hoede waren, want misschien kon hun man hen toch nog vinden. Mensen wiens familie was vermoord, louter en alleen omdat ze toevallig een ander geloof aanhingen. Die mensen waren blij als ze geholpen werden en vonden het normaal dat het geld dat ze kregen om hun huis in te richten iedere maand in delen van hun uitkering werd afgehouden. Tot het terugbetaald was.

Mijn moeder krijg nog steeds ieder jaar van “een van haar vluchtelingen” een cadeau in de vorm van een Afrikaans beeld. De man heeft zijn leven op de rit en is mijn moeder dankbaar dat ze hem geholpen heeft. Wij, haar kinderen, lachen haar er goedmoedig om uit. Haar huis gaat er steeds exotischer uitzien want ze wil de spullen ook niet opruimen. “Hij bedoelt het toch goed.”

Wat een tegenstelling met de schreeuwers die ik op televisie tekeer zie gaan tegen de komst van een AZC. Bang gemaakt door verkeerde politici roepen zij dat “die profiteurs” alleen maar komen om onze huizen, onze banen en onze vrouwen in te pikken. Ik zie het en ik denk “jij geeft echt blijk van je intelligentie”. Goedbedoelende bestuurders, die ook alleen maar naar eer en geweten hun werk doen, worden bedreigd. Ze moeten zorgen dat “die buitenlanders” weg blijven, want anders……

Mensen verdiepen zich niet in de problematiek maar praten anderen na die handig inspelen op de angst voor het onbekende. Met als enig doel meer kiezers aan zich te binden, want het echte wel en wee van die mensen boeit hen absoluut niet. Het gaat hen alleen maar om macht. Ik kan maar één ding denken “schande”.

Raadsvergaderingen lopen uit de hand en moeten stilgelegd worden. Met plaatsvervangende schaamte zie ik de beelden voorbij komen. Burgemeesters die machteloos proberen het publiek tot kalmte te maken. Je ziet dat zij zich generen voor de inwoners van hun anders zo geliefde gemeente. Alleen de tegenstanders komen aan het woord. Logisch, zij roepen immers veel harder dan de mensen die redelijkerwijs tot een oplossing willen komen. Die worden overschreeuwd, opzij geduwd. “Hun mening doet er niet toe, ik wil die mensen niet in mijn straat.” Ik kijk naar de televisie en schaam me.

“Ik wil die mensen niet in mijn straat.” Ik hoor het hen zeggen. Of eigenlijk, ik hoor het hen schreeuwen. En ik kijk naar die mensen, ordinair, baseball-cap achterstevoren op, verkeerde en te grote oorbellen in, heel bijzondere tatoeages op plaatsen waar een zichzelf respecterend mens geen tatoeages wil hebben, obscene gebaren makend en met een zelfverzekerdheid die grenst aan het onvoorstelbare alleen maar omdat zij toevallig in Nederland zijn geboren. En dan denk ik “wat ben ik blij dat jij niet bij mij in de straat woont”.

 

Een oud kerkhof

De stralende herfstzon verwarmt het kleine kerkhof dat scheef geleund ligt tegen de zijkant van het kleine kerkje. Ik loop door de paden en lees de namen op de oude verzakte grafzerken. Het is bijna november, overal staan bloeiende bolchrysanten. Het geeft het kerkhof iets feestelijks, alsof herrijzenis inderdaad aanstaande is. Het is er stil, het enige dat je hoort zijn de vogels. Zij voelen zich niet bezwaard door de aanwezigheid van zoveel herinneringen en nagedachtenis.

Het heeft een bijzondere aantrekkingskracht op mij, zo’n oud kerkhof. Iedere vakantie moet ik er even heen, naar het kerkhof in de plaats waar wij op dat moment zijn. “Macaber”, zegt mijn familie, ze gaan dan ook echt niet mee. Maar ik loop langs namen en jaartallen en probeer me voor te stellen hoe mensen geleefd moeten hebben. Het laat me nadenken over de eindigheid van het leven en geeft me het gevoel een nietig ding te zijn in een groter geheel. Diepe gedachten die eigenlijk helemaal niet bij het vakantiegevoel horen. Het maakt mij niet uit, het is een andere wereld maar ik houd er van.

Het vreemde is dat ik vrijwel nooit naar het kerkhof ga waar mijn vader begraven ligt. Ook dat is een klein kerkhof bij een evenzo klein kerkje in een dorpje dat mijn vader heel dierbaar was. Zijn graf ligt bijna tegen de kerk aan, ik zie het zo voor me, rechts in de hoek. Vlak bij de kindergrafjes. Het lijkt wel of dat toch te dicht bij komt. Terwijl het overlijden van mijn vader al meer dan vijftien jaar geleden is. Ik mis hem niet meer in mijn dagelijkse leven. Hij is een dierbare herinnering geworden. Tijd doet dat met herinneringen, de scherpe kantjes gaan er af en maakt de nagedachtenis tot een kostbaar iets.

Ik hoor het uitbundige gezang van een kleine vogel. Hij brengt een ode aan alle mensen die hier hun laatste rustplaats vonden. Zoveel levens, zoveel herinneringen, samengebracht voor eeuwig. In de familiegraven rusten ouders, broers en zusters vredig. Alle ruzies en onenigheden zijn vergeten en niet meer belangrijk.

Even kijk ik nog even binnen in het kerkje. Het is er koud, de houten stoelen staan keurig in een rij op de oude stenen vloer. Paden zijn uitgesleten door de gelovigen die hier komen luisteren. Het is geen rijke parochie, de eenvoudige glas-in-lood ramen laten het licht diffuus schijnen over het houten altaar. De kandelaars zijn zonder de zo typische opsmuk. Meer in lijn met de eenvoudige timmermanszoon die op een ezel reed.

Bij het Mariabeeld staan kaarsjes te branden. Ook ik volg de gewoonte en steek een kaarsje op. Natuurlijk heb ik geen geld bij me, ik ben immers zo maar even hierheen gelopen. Ach, de intentie blijft hetzelfde. De katholieke kerk kan mijn euro vast wel missen. Buiten sta ik nog even stil en neem de omgeving in me op.

Dan laat ik het kerkhof voor wat het is en ga terug naar de bewoonde wereld. Het duurt nog even voor ik het bijzondere gevoel kwijt raak.

Internet, kinderspel

Vroeger, oh, ik word echt oud, hadden wij geen internet. Wij speelden buiten, ook als het niet zo’n heel mooi weer was. Wij mochten van onze ouders geen snoepjes aannemen van vreemden en niet met vreemde mannen mee gaan. Mijn moeder vertelt nog altijd met een beetje gêne en maar toch ook wel wat trots dat ik ooit een de hele Vroom & Dreesman-winkel bij elkaar heb geschreeuwd omdat een vreemde mevrouw me vroeg even op een kinderfietsje te gaan zitten. Haar kleinkind was net zo groot als ik en ze wilde dat fietsje kopen voor haar verjaardag. En ze wist niet of het zou passen, misschien was het fietsje nog wel veel te groot. Maar wist ik veel, ik mocht van mijn moeder niet met vreemde mevrouwen meegaan en ik zag op dat moment mijn eigen ouders even niet in de buurt. De bewuste dame verontschuldigde zich bij mijn moeder, ze had beter moeten weten, vond ze.

Tegenwoordig maken allerlei engerds accounts aan op Facebook om kinderen te benaderen. Zij doen zich voor als veertienjarigen om te voorkomen dat deze kinderen digitaal moord en brand gaan schreeuwen. Waarschijnlijk hebben ze zich ook eerst verdiept in de schrijftaal en gedragingen van deze jonge kinderen. Zodat ze niet de fout maken de verkeerde woordkeuze te gebruiken. Wat zijn dat voor mensen, die eerst een studie maken van hun object en dan pas toenadering zoeken. Dat zijn geen spontane potloodventers, die je achterna rennen in een op Koot & Bie geïnspireerde jas. Dat zijn volbloed perverselingen die nergens voor terugdeinzen.

Wat moet dat voor ouders vreselijk zijn. Ik zeg niet dat het vroeger beter was, verre van. Maar het was toen voor dit soort ellendelingen wel wat ingewikkelder. Nu moet je denk ik als ouder lijdzaam toekijken en hopen dat je kinderen niet in de val gelokt worden. Natuurlijk, je waarschuwt ze, maar voor sommige zaken kun je hen niet behoeden. Gewoonweg omdat normale mensen niet weten dat die dingen bestaan. En als je denkt dat je nu alles wel gehoord hebt, komt er toch weer een extra zieke geest die iets nieuws verzint.

Want wie denkt er nu aan dat een volwassen man achter zijn pc gaat zitten, inlogt als kind en zich vervolgens verlekkert aan het idee dat hij zit te chatten met kinderen die waarschijnlijk nog niet half zo oud zijn als hij. Hoe ziek ben je dan. Ieder normaal mens krijgt het schaamrood op de kaken. En wat vaak nog het ergste is, dit gebeurt in alle anonimiteit. De bewuste pervert gaat ’s ochtends gewoon weer naar zijn werk. Op kantoor, in een productie-omgeving, in een ziekenhuis. Het is niet één type dader, het is de doodgewone man die naast je in de bus zit. En dat maakt het zo griezelig.

Maar wat moet je dan? Je kunt ook  niet vertrouwen op de overheid. Als politie en justitie na grondig onderzoek en zorgvuldige procesvoering de dader opgeborgen heeft in een Tbs-kliniek, blijkt dat hij daar gewoon op zijn gemak verder kan gaan. Internet, mobiele telefoon, het is er allemaal voor handen lijkt het wel. En tijd genoeg voor een uitgebreide voorbereiding. Tenslotte heeft hij verder niet veel te doen.

Je kinderen verbieden het internet op te gaan, is geen optie. We kunnen zelf ons leven ook niet meer voorstellen zonder. Het is de grote vraagbaak die telefoonboeken en encyclopedieën vervangt, het medium dat ons in contact laat zijn met allerlei kennissen, die wij dan ook misleidend vrienden noemen, dat dan weer wel, maar toch. Internet is er en het gaat waarschijnlijk nooit meer weg. Degenen die er mee opgegroeid zijn, gebruiken het met een vanzelfsprekendheid die boekdelen spreekt. Zoals wij speelden met  bambino-steentjes, zo spelen de jongeren van tegenwoordig hun computerspellen. Met dit verschil dat de bambino-steentjes alleen een risico vormden voor ondernemende peuters die dachten dat je die ook wel door je neus kon inhaleren.

Iedere generatie wordt blootgesteld aan bepaalde gevaren die alleen in dat betreffende tijdsbeeld passen. Waarschijnlijk is het zo dat hoe complexer de tijd, des te complexer de gevaren. Helaas.