Scootmobielrace

Een van de minder prettige zaken van het ouder worden is dat mensen gaan denken dat met het afnemen van je fysieke mogelijkheden ook je psychische capaciteiten gaan teruglopen. Een mooi voorbeeld hiervan is de scootmobiel. Een ideaal vervoermiddel voor mensen die niet meer zo goed ter been zijn maar wel heel graag genieten van de buitenlucht. Je hebt ze in alle soorten en maten maar één eigenschap hebben ze allemaal. De snelheid laat zich regelen met een knop die twee standen aangeeft, die van het haasje en die van het schilpadje. Kan het nog simpeler?

Mijn schoonvader maakt de hele stad onveilig met zijn scoot. Je komt hem overal tegen. Vrienden en kennissen melden het ons ook regelmatig, “ik zag je pa weer rijden”. Wij wachten nog altijd op het moment dat hij belt met de mededeling “mijn accu is leeg, kunnen jullie me op komen halen?” Maar verder is het een zegen, hij is niet meer afhankelijk van ons of van de deeltaxi. Althans, als het mooi weer is dan, als het regent, belt hij ‘heb je even tijd?”

De scoot van mijn schoonvader is een stoere uitvoering met verzwaarde accu’s en een extra stevig frame. Het enige dat miste, was een scherm om uit de wind te zitten. Geen probleem, de leverende zorginstelling zou daar wellicht een oplossing voor hebben. Mijn schoonvader klom in de telefoon, hij wilde graag een windscherm bestellen. Een zorginstelling echter, is nog erger dan de belastingdienst, ze kunnen het heel misschien wel wat leuker maken, maar beslist niet makkelijker. Mijn schoonvader moest het maar opnemen met de monteur die toch langs zou komen voor onderhoud aan de accu’s. De betreffende monteur kon hem echter ook niet helpen en verwees hem toch weer terug naar de zorginstantie.

Enfin, na veel heen en weer getelefoneer bleek dat hij in de webshop een windscherm kon bestellen. En daar kwam ik in beeld, want het internet houdt zijn geheimen voor mijn schoonvader serieus verborgen. Ik logde in en zocht op het betreffende model. Dat niet te vinden was. Met een zucht klom ook ik in de telefoon en belde de helpdesk. Een vriendelijke jongeman stond me te woord. Ik vertelde dat ik niet kon vinden wat ik zocht. Het antwoord kwam snel “ja wel hoor, die staat gewoon in de webshop.” Lichtelijk geïrriteerd, ik had echt de hele site doorgespit, nodigde ik hem uit met me mee te kijken. Daar was hij direct toe bereid. En even later moest hij toch toegeven “oh nee, hij staat er inderdaad niet op.” Ik zei niks, tenslotte belde ik voor een goed doel en helpdeskmedewerkers afbekken doet daar geen goed aan. De jongeman was er duidelijk verlegen mee en verzekerde me dat hij zijn uiterste best zou doen en iemand terug zou laten bellen.

Ik zal u de martelgang besparen. Uiteindelijk bleek dat voor het model scoot van mijn schoonvader geen passend windscherm beschikbaar was. Gelukkig was de monteur die regelmatig onderhoud uitvoert een inventief man. Hij wist wel een oplossing. Met een paar aanpassingen, een boutje hier en moertje daar, werd een ander model op maat gemaakt. Mijn schoonvader zit heerlijk uit de wind en kan nog vaker dan vroeger op pad.

Ik heb wel gemeld, met een zekere cynische ondertoon, dat ik de gang van zaken behoorlijk bureaucratisch vond. De vriendelijke dame aan de telefoon gaf me direct gelijk. Helaas bleef het daarbij.

Vooraan in de bus

bus-10098 (1)Hoe verschillend kunnen mensen reageren. Als ik iemand binnen zie komen met een gezicht als een oorwurm, als mopperend en stampend, dan denk ik “oei, die heeft ruzie met zijn vrouw gehad”. Maar er zijn ook mensen die direct in hun schulp kruipen en denken “oei, wat heb ik verkeerd gedaan.” Het is maar een benadering maar het bepaalt wel de mate waarin je last hebt van het humeur van een ander. Natuurlijk wordt je reactie ook vaak bepaald door de manier waarop je zelf van huis bent gegaan, maar toch.

Een collega wees me pas op een prachtige metafoor. Je hoofd is de bus en achter je zitten de mensen die in de loop van je leven tot nu toe invloed op je hebben gehad. Of nog hebben. Ik stel het me voor en kijk achterom. Daar zitten ze, mijn vader, mijn moeder, mijn schoonmoeder. Maar ook die zogenaamde vriendin die mij in de brugklas van de middelbare school zonder pardon liet vallen omdat zij liever bij de populaire meisjes hoorde. En die collega, die zichzelf zo interessant voelde en mij keer op keer liet merken dat ik nooit bij haar ‘circle’ zou kunnen horen. Gelukkig zijn er ook de mensen die ik vertrouw en die mij steunen, mijn man, mijn zussen, mensen die het wel goed met me voor hebben. Ze roepen allemaal tegen me. “We gaan links, nee, we gaan rechts, dat kun jij niet, let maar op, dat kun jij best, jij kunt alles.” Soms word je er knettergek van en moet je een paar stemmen tot stilte manen. Even goed nadenken en zelf bepalen welke kant je uitgaat.

De plaats van de mensen wisselt ook nog weleens. Mijn lief heeft een prominente plaats, vooraan, maar anderen moeten hun plaats soms inleveren voor een ander. Dan verhuizen ze naar achteren. Soms gevaarlijk, dat is vaak ook de plaats die je het beste in de gaten moet houden, anders worden daar dingen uitgespookt die je beter niet kunt laten gebeuren. Tenslotte hebben we allemaal wel eens rottigheid uitgehaald, zonder dat de buschauffeur ons kon betrappen.

Er zijn ook mensen die ik uit de bus heb gegooid. Die niet meer mee mogen rijden. Mensen die in de loop van de jaren hebben bewezen dat ik ze kan missen. Sterker nog, dat ze me alleen maar verdriet bezorgen en niet van toegevoegde waarde zijn. Het lukt me niet bij alle mensen, soms denk ik dat het is gelukt maar dan, in een onbewaakt moment, stappen ze toch weer in. En zorgen dat dat oude gevoel van eenzaamheid, van niet goed genoeg zijn, toch weer even de kop opsteekt. Gelukkig is het maar van korte duur, ik heb geleerd dat ieder mens zijn eigen waarde heeft. Dat ieder mens “goed genoeg” is. En het klinkt wellicht wat oubollig, maar dat is toch echt het grote voordeel van ouder worden.

 

 

 

 

Nummer

Hij had zich met hart en ziel ingezet voor zijn werk. Zo zelfs dat zijn partner hem af en toe waarschuwde. “Je houdt dat niet vol, denk aan je gezondheid.” Maar hij hield ervan. En hij hield van zijn klanten. Het ging niet alleen om het scoren, het ging vooral om het zoeken naar de juiste oplossing voor de klant. Als hij een deal kon sluiten waar iedereen gelukkig mee was, was hij tevreden. Zijn werkgever droeg hem op handen. Althans, dat dacht hij toch.

Naarmate de tijd vorderde, voelde hij wel dat het steeds zwaarder viel. Zes dagen in de week tien uur werken, het trok een behoorlijke wissel. Hij genoot niet meer ten volle van zijn vakanties, hij had de eerste dagen nodig om bij te komen. Als hij bij vrienden was, merkte hij dat hij om elf uur ’s avonds moeite had zijn ogen open te houden. En ’s ochtends duurde het steeds langer eer hij scherp was. Het kwam hem thuis ook op onenigheid te staan. Zijn partner verweet hem dat hij meer van zijn werk hield dan van hem. Hij wist wel dat dat niet zo was maar maakte zich zorgen.

Uiteindelijk kwam het moment dat hij besefte dat hij moest kiezen. Een burn-out of het roer omgooien. Gelukkig had hij een goede werkgever die dat wel zou begrijpen. Toch?

Helaas viel dat anders uit. Hij stuitte op een muur van onbegrip. En hij wilde toch enkel terug naar de uren die vastgelegd waren in zijn contract. Het was niet zo dat hij halve dagen wilde gaan werken. De twijfel sloeg toe. Wat moest hij doen? Vrienden zeiden dat hij aan zichzelf moest denken. Maar hij werkte al zo lang bij het bedrijf. Zij waren altijd goed voor hem geweest. Dus sleepte hij zich iedere morgen uit bed en zette zich voor meer dan 100% in. Het viel hem steeds zwaarder. Begrip kreeg hij niet. Er werd van hem verwacht dat hij presteerde.

Op een gegeven moment besefte hij dat hij niet meer gelukkig was. Alle dagen waren bedekt met een grauwsluier. Alle leuke dingen die hij altijd ondernam leken hem niet meer te kunnen raken. Hij werd er moedeloos van. En langzaam groeide het besef dat hij echt iets moest ondernemen. Dit ging niet goed.

Na een korte zoektocht gevolgd door lang twijfelen hakte hij de knoop door. Hij vertelde zijn werkgever dat hij wegging. Hij had een andere uitdaging gevonden. De reactie leek als voorspeld, hij werd ondankbaar gevonden. Vanaf het moment dat hij het vertelde, hoorde hij er niet meer bij. Gelukkig had hij nog vakantiedagen.

Zijn laatste werkdag naderde. Collega’s van zijn afdeling, die hem niet graag zagen vertrekken, hadden een kleine bijeenkomst georganiseerd. Samen een borreltje drinken om hem te bedanken voor de jarenlange inzet en collegialiteit. Een collega van een andere afdeling wilde ook graag het glas op hem heffen. Het leek hem geen probleem, hij was van harte welkom. Ook dat bleek weer een misrekening. Zijn werkgever vroeg hem wat hij dacht, tenslotte hoefde hij de rekening niet te betalen.

Dat was de laatste druppel. Hij voelde zich gekwetst tot op het bot. Al die jaren dat hij zich verbonden had gevoeld met het bedrijf werden in één moment waardeloos. Het leek alsof hij in een oogopslag zag wat zijn werkgever in hem had gezien, een bron van inkomsten en verder niets. Boos gaf hij aan dat hij de nota maar moest verrekenen met zijn laatste salaris. En aan de collega die hem naar huis bracht, gaf hij zijn ongeopende afscheidskado terug.

Rare kronkel

vuurkorf

Het blijft natuurlijk een rare kronkel in mijn karakter. Waar andere mensen niet kunnen wachten tot het dan eindelijk zomer is, kijk ik uit naar de herfst. En niet dat ik de warmte niet op prijs stel, in tegendeel, de zomer kan me eigenlijk niet warm genoeg zijn. Ik geniet van buiten zijn, ’s avonds buiten zitten tot het echt helemaal donker is, terrasjes, het simpele feit van de warmte op je huid voelen. Ik vind het heerlijk.

Maar de herfst. Ik weet het, het is een afwijking, ik kan er lyrisch van worden. Ieder jaar weer moet ik er iets over kwijt. Vooral de vroege ochtend is een openbaring. Het is kil, niet echt nog heel koud maar ik ben het nog niet gewend. Dus een jas aan. Buiten ruikt het al naar nevel en mist. Het heimwee-seizoen is weer begonnen.

Ik ga ook weer mijn recepten voor wild bekijken. Haas, fazant, het zijn van die gerechten die voorbehouden zijn aan het seizoen. Ik maak het op de ouderwetse manier, met veel geduld en aandacht. En dan eten, samen met familie of vrienden. Grote pannen op tafel, vrolijke gesprekken en veel gelach. Gelukkig kunnen we ook de kaarsen weer aansteken, het geeft toch altijd weer een aparte gezelligheid. Ze zijn me dierbaar, deze avonden. Het is alsof het leven op zo’n moment een beetje gas terugneemt. Even hoeven we niet meer zo hard te lopen, we kunnen lekker thuisblijven en genieten van goed gezelschap.

Ik weet dat er mensen zijn die het seizoen met schrik en beven tegemoet zien. Wat ik voel als heimwee en daarom koester, ervaren zij als somber en depressief. Zij gruwen van de vroege avonden en vinden het vreselijk om ’s ochtends in het donker op te moeten staan. En als ik roep “heerlijk, vanaf nu worden de dagen weer langer”, zuchten zij dat het nog zeker anderhalve maand duurt voor je daar echt iets aan hebt. Ik snap dat ik met mijn onverstoorbaar optimisme deze mensen soms tot wanhoop drijf. Maar ik kan er niks aan doen, ik vind de herfst echt geweldig. En ik moet ook de daaropvolgende winter uitzitten. Al die saaie kaalheid in de natuur. Gelukkig is diezelfde natuur oppermachtig en zijn de seizoenen niet te beïnvloeden, het wordt op een gegeven moment altijd weer lente. Wellicht stelt dat dan toch gerust?

 

 

Communicatie

gips

Mijn schoonvader heeft zijn enkel gebroken. Heel sneu natuurlijk, ’s nachts wakker geworden, oudere mannen moeten wat vaker, te snel uit bed gegaan en het evenwicht verloren. Hoe ongelukkig kun je terecht komen. Enfin, toen ’s ochtends de dame van de Thuiszorg hem vond, wat het leed al snel geleden. Pa kreeg gips om zijn pootje en het advies zich voorlopig rustig te houden. Hij schikte zich in zijn lot, nestelde zich in zijn stoel en begon de familie op de hoogte te brengen. Ons natuurlijk het eerst. “Ik heb heel slecht nieuws.” Als ik dat hoor, slaat de schrik me normaal om het hart. Wie is er opgenomen in het ziekenhuis of erger, wie is er dood. Gelukkig, al klinkt dat in dit geval wat hard, was dat nu niet aan de orde. Misschien dat ik daarom iets opgeluchter reageerde dan pa eigenlijk voor ogen had.

De dag er na troffen we hem in zijn huis om hem mee te nemen naar een feest. Een familielid vierde haar verjaardag. Pa had al weer praatjes, de buurvrouw en zijn schoonzus waren er om hem gezelschap te houden. “Morgenochtend moet ik om elf uur in het ziekenhuis zijn”, deelde hij ons mee “dan gaan ze kijken of ik geopereerd moet worden of dat ik loopgips krijg.” Eerdere ervaringen weerhielden me ervan te vragen waar een eventuele operatie van af zou hangen, meestal onthoudt pa niet echt wat de artsen zeggen. We hesen pa in de rolstoel en maakten aanstalten te vertrekken. “Hoe ga je morgen eigenlijk naar het ziekenhuis”, vroeg zijn schoonzus belangstellend. Een diepe zucht was haar deel, pa sloeg zijn ogen ten hemel. “Wat zeg ik nou net, Huub rijdt toch.” Mijn echtgenoot en ik keken elkaar vertwijfeld aan, dat hadden we toch echt niet gehoord. En afgaande op de vraag die zij stelde, zijn schoonzus ook niet. Ook de verjaardagsgasten moesten het verhaal horen in geuren en kleuren. Zijn zus vroeg hem bezorgd wat hij toch had gedaan. Weer sloeg hij zijn ogen ten hemel, van familie moest je het toch maar hebben. “Ik heb je gisteren drie keer gebeld maar je nam niet op.” “Maar dan weet tante toch nog niet wat je mankeert”, mijn man raakte er vertwijfeld van. Gelukkig zijn broer en zus uit hetzelfde hout gesneden dus het leidde niet tot wrevel. En pa was na de jarige job toch maar mooi de meest besproken persoon op het feest.

Natuurlijk is mijn man met hem naar het ziekenhuis gereden. Pa heeft gips gekregen en mag vijf weken niet lopen. Dat wordt dus boodschappen doen en regelmatig kijken hoe het gaat en of hij verder nog wat nodig heeft. Ach, we hebben het al vaker aan de hand gehad. Pa regeert vanuit zijn stoel. Het enige dat we moeten doen is zorgen dat we er niet gek van worden.

 

 

De Patriarch

WP_20160808_003 [6568362]

“Goedemiddag meneer, ik heb even uw stookpot geleend, u was er toch niet.” Verbouwereerd kijken we de man aan, een broodmagere man op leeftijd, gekleed in een kakikleurige afritsbroek. “Die willen we graag terug”, zegt mijn man stellig, “misschien dat wij hem vanavond nodig hebben.” Je ziet de man kijken, misschien nodig hebben, en dan moet hij hem nu al terugbrengen. We blijven hem rustig aankijken en hij kiest eieren voor zijn geld. Even later staat onze eigen stookpot weer op zijn eigen plaats. Tussen de grote keien die ik daar met veel moeite op mijn eigen creatieve wijze omheen heb gedrapeerd. We weten het zeker, deze meneer wordt geen vriend.

Dit wordt maar weer eens bevestigd als onze hond even later kennis gaat maken. Op luide toon wordt hij van hun plekje schuin tegenover ons weg gedirigeerd. “Nee, weg” een magere vinger priemt onze kant uit “daar hoor je thuis.” Alsof ‘daar’ iets minderwaardigs is, zijn stem drukt niets dan minachting uit. Arme hond, hij wil alleen maar even goedemiddag zeggen. Nog net niet met de staart tussen de benen druipt hij af. Hij bedoelde het toch goed.

De dagen erna blijkt de man voor ons een bron van vermaak. Met strenge hand regeert hij over zijn plek op de camping. Het is er drukbevolkt, waarschijnlijk met zijn kinderen en kleinkinderen. En zijn vrouw natuurlijk, grijs kortgeknipt kapsel, stevige stappers en ook diezelfde kakikleurige afritsbroek. En natuurlijk een rugzakje. Zij ziet haar man naar de ogen. Ik moet zeggen, hij heeft er de wind stevig onder. De kinderen zitten braaf te lezen of een spelletje te spelen, er valt geen onvertogen woord. Zelfs de hond die ze bij zich hebben durft zich amper te verroeren.

Wij worden door de man ook zo af en toe eens zijdelings bekeken. Ik zie hem denken. Bij ons is het namelijk niet zo geregeld, wij hebben geen schema en laten onze hond heerlijk rondscharrelen. Dat hij dan af en toe er tussenuit piept, hoort erbij. Het blijft een hond. Niet dat we het goedkeuren, hij wordt heus wel tot de orde geroepen, maar ach, heel erg druk kunnen wij ons er niet om maken. Bovendien kent iedereen hem. En roept iedereen hem, wat ons overwicht natuurlijk ook weer danig ondermijnt. Je ziet de man kijken, “niets waard, niks te zeggen over dat beest.” Gelukkig heeft hij het zelf beter geregeld.

Als we voorzichtig informeren bij andere campinggasten, blijkt dat wij niet de enigen zijn die door deze man zijn gewogen en te licht bevonden. De vrolijke verhalen komen al snel los. Hij blijkt iedere hond viezig te bekijken en stembanden voor kinderen onder de achttien jaar een overbodige luxe te vinden. En hij blijft nog een volle week. Mijn man heeft onze auto iets verder naar voren gereden. Zo hebben we beter uitzicht.

 

 

 

 

Schone schijn

“Oh meid, wat een heerlijk water heb je toch altijd. Werkelijk, ik weet niet hoe je het doet maar het smaakt voortreffelijk. En dat blaadje munt, werkelijk subliem.” De buurvrouw graait met haar benige handen naar de kan water die op sidetable staat. Zij neemt graag nog een glaasje. De felrood gelakte nagels matchen perfect met de vuurrode kring lippenstift die zij achterlaat op het glas. Ik griezel en neem nog maar een slok van mijn wijn. Natuurlijk komt me dat te staan op een waarschuwende blik van de gastvrouw maar dat negeer ik. Ze moet me tolereren, ik hoor nu eenmaal bij de familie, al weet ik ook wel dat dat niet van harte is. Zij voelt heus wel dat ik zie dat zij haar sjieke waterkan staat te vullen onder de kraan in de keuken. Daar komt helemaal geen duur bronwater aan te pas. Het blaadje munt is om te verhullen dat er werkelijk geen enkele smaak aan is te bekennen.

Het uiterlijk vertoon van deze familie is werkelijk tergend. Goedkope wijn wordt in een dure karaf geschonken. De karaf is waarschijnlijk een erfstuk, zelf aanschaffen zit er helemaal niet in. Gelukkig zijn hun vrienden en kennissen ook zo, het toneelstuk wordt vakkundig in stand gehouden. En dan is het helemaal niet wenselijk dat er iemand zijn intrede doet dit al deze zaken spottend bekijkt. De wijn van de Aldi is prima te drinken, niets mis mee, maar het feit dat er net wordt gedaan of hij van een vooraanstaand wijnhuis is, maakt dat je er toch hoofdpijn van krijgt.

Wat ook een feest is, is om met de familie naar een restaurant te gaan. Bij voorkeur als er wordt betaald, dan kunnen de duurste gerechten van de kaart besteld worden. Met de air van een veldheer kijkt mijn schoonvader de tafel rond. Zijn baas betaalt de rekening dus eigenlijk krijgen wij het indirect van hem. Respect lijkt hem daarom wel op zijn plaats. Ik bekijk het tafereel en zucht inwendig.

Als we ’s avonds weer thuis zijn, in ons eigen simpele appartement en ik een fles wijn van de supermarkt opentrek, bedenk ik dat dat toch eigenlijk veel beter is. Lekker zijn wie je bent, zonder iedere dag weer die schijn te moeten ophouden. Het lijkt met dat je daar heel moe van wordt.

 

 

 

 

 

Games

Pokémon.jpgIk word oud, nu weet ik het zeker. Ik hou het niet meer bij. Laatst reden mijn echtgenoot en ik in de vroege avond onze straat uit en moesten uitwijken voor een jongen, ik schat hem een jaar of 10, 12, die in een bijzondere pose over zijn fiets gevouwen hing. Verwonderd vroeg ik “wat doet die jongen raar”. Het kwam mij op een licht verwijtende blik te staan. “Mach, die jongen speelt Pokémon Go!” Oh ja, da’s waar, dat nieuwe spel.

Nu ben ik al helemaal niet van het gamen, dat gaat me allemaal te snel en daar moet je handig voor zijn. Jaren geleden, toen we eens een weekendje weg waren met vrienden en hun twee zonen, hebben die eens een poging ondernomen het mij te leren. Ik hoorde hen vooraf al tegen elkaar zeggen “doe maar een makkelijke game, dat kan ze misschien wel.” Ik kan je zeggen, als een jongeman van 13 dat over je zegt, dan krijgt je zelfvertrouwen een heuse deuk. Helaas had hij gelijk, ook het makkelijke spel was aan mij niet besteed. Ik hing binnen de kortste keren met mijn aan flarden gereden autootje in de bomen. Met een zucht hebben de heren het opgegeven. En ben ik maar weer verder gegaan in mijn boek. Veel veiliger.

Het houdt de gemoederen wel bezig, dat op zich is al weer knap. De Russen vertrouwen het spel voor geen cent. In de media zijn de wildste verhalen verschenen over het spel: het zou een middel zijn van de CIA om hen in de gaten te houden. Anderen zien er een potentiële bedreiging in voor de nationale veiligheid. Spelers worden bedreigd, er verschijnen verbodsborden om speler te weren maar je kunt op internet ook accounts kopen van doorgewinterde gamers die die de helft van de Pokémon-populatie al opgespoord hebben. Persoonlijk vind ik dat vals spelen, maar goed.

Ik stel me zo voor dat de bedenker van al deze ongein zich thuis zit te verkneukelen om wat hij of zij (dat weet ik niet) heeft veroorzaakt. Iedere keer als het spel in het nieuws is, is dat een bevestiging van zijn talent. En daar heb ik toch wel veel bewondering voor.

Ik begrijp de hype niet, het ligt aan mij, ik weet het. Ik heb geen talent voor gamen. Ik ben blijven steken bij Wordfeud. Een app die inmiddels in het rijtje van Retro-games staat, naast Tetris. Ik zou alleen willen dat ik de creativiteit had om zo’n hype te veroorzaken.

Afscheid

Nettle-LeafSoms krijg je een bericht waarvan het kippenvel ineens op je rug staat. Je leest het nog een keer om jezelf ervan te vergewissen dat je je niet vergist. Ja, het staat er echt. Die collega, die nog geen jaar geleden met pensioen ging, om te gaan genieten met haar man, is niet meer. “Na een kort ziekbed”, zo’n simpele opmerking waar een wereld van verdriet achter schuil gaat. Voor een simpel kwaaltje naar de huisarts, niet wetende dat zij op het punt stond haar doodvonnis te vernemen.

Haar man is ongetwijfeld in ontreddering achtergebleven. Tenslotte waren ze al hun hele leven samen en deden ze ook alles samen. Ik ken geen stel dat zo op elkaar was ingespeeld dan zij. Ze hebben zelfs meer dan tien jaar een kantoor gedeeld. Moest ik met mijn man samen op één kamer werken, ik had na twee dagen al ruzie. Misschien zelfs wel na een dag, al was het alleen maar over de hoogte van de thermostaat of over het al dan niet openzetten van een raam. Niet zij, ze waren als jonge mensen bij het bedrijf gaan werken en gingen, veel jaren later, ook daar met pensioen. Ze zagen mensen gaan en komen maar bleven altijd hun eigen weg gaan.

Ik had ook daar veel bewondering voor. Hij ouderwets galant, zij goedmoedig dominant. Maar altijd met respect naar elkaar en anderen. Als je informatie wilde hebben, over welk onderwerp dan ook, dan liep je bij hem binnen. Als lopende encyclopedie kon hij je bijpraten over wat je ook maar wilde weten. Zij specialiseerde zich in kwaliteit en het milieu en werd in het bedrijf daarin een expert. Collega’s haalden soms met schaamrood op de kaken het afval weer uit de verkeerde bak waar ze het net nonchalant hadden ingegooid. Geduldig legde zij ons nog maar een keer uit waarom we afval moesten scheiden. En waarom het ook voor het bedrijf waar we voor werkten zo belangrijk was, het statement dat we maakten richting de klant. Onhoorbaar zuchtten we, haar passie duurde soms in onze ogen wel erg lang.

Met een simpel bericht is aan dit alles een eind gekomen. We kunnen ons nooit meer verbazen over haar presentaties die zo moeilijk waren dat vrijwel iedereen na een tijdje het spoor bijster was. Maar ik zal ook nooit meer bij haar binnen kunnen lopen voor advies. Ik heb vaak dankbaar gebruik gemaakt van haar levenservaring. En ik had haar zo gegund dat ze nog lang had kunnen genieten van dat glaasje witte wijn, zittend in de zon met haar geliefde man.

Naarmate je ouder wordt, overkomt je dit steeds vaker. Het hoort bij het leven. Maar wennen doet het nooit.

Gevaarlijke vechthond

Stef

Stef

Sinds een aantal jaren hebben wij een hond. Een hele lieve hond, genaamd Stef. Hij is van het bekende ras Staffordshire Bull Terriër. Dat zijn hele gevaarlijke honden, gemaakt om te vechten. Althans, dat is het vooroordeel. Vaak als ik vertel wat het ras is van onze hond, is de reactie “maar die zijn toch vals”. Natuurlijk, het is een ras dat vals geboren wordt. Net als Pittbulls.

Gelukkig kan Stef zelf alle vooroordelen in een handomdraai wegnemen. Er is geen grotere knuffelbeer en het liefste dat hij doet is op schoot kruipen. Niet helemaal ideaal met zijn 24 kilo maar wel heel gezellig. Ook op de behendigheidstraining wordt er goedmoedig om hem gelachen. Zijn enthousiasme is grenzeloos. Hij kan bijna niet wachten tot de andere honden hun rondje hebben gelopen en hij aan de beurt is. Als het alleen om snelheid ging, was hij de absolute kampioen. Het gaat alleen niet enkel om snelheid maar ook om elegantie. En dat is niet een van Stef’s eigenschappen. Hij is heel lief, maar ook heel lomp. Vrijwel alle dwarsliggers heeft hij al een keer omvergesprongen, de nieuwe band was na één ontmoeting met Stef al in twee stukken en zelfs de tunnel wist hij te ontwrichten. Hij bedoelt het goed.

Ook in de competitie zullen we nooit bovenaan eindigen. Natuurlijk ligt dat voornamelijk aan mijzelf. Ik moet Stef sturen, hij kijkt trouw en vol ongeduld naar me om te zien waar we heen moeten. Als ik te laat reageer, neemt hij een beslissing. En dat is niet altijd de juiste, maar ach. Hij loopt zo hard, ik kan hem toch met geen mogelijkheid bijhouden.

Eenmaal thuisgekomen na een uurtje sporten springt hij voldaan op de bank. Hij rolt zich in een knoedel en valt tevreden in slaap. Zijn gesnurk klinkt huiselijk, ook dat zou ik niet willen missen.

Helaas zijn de vooroordelen ten opzichte van een pikzwarte Stafford niet makkelijk weg te nemen. Ik kan het me ook wel voorstellen, hij oogt wel degelijk vervaarlijk, met zijn brede kop en vierkante schouders. Maar het is niet eerlijk een hond af te rekenen op de fouten die zijn eigenaar maakt. Ik denk niet dat Stef en ik daar iets aan gaan veranderen, we zullen er mee moeten leren leven. We blijven echter ons best doen. Sowieso.

Ach, en als een kakmadam met een Chihuahua ons in het vizier krijgt en fluks haar in blingbling geklede accessoire voor de zekerheid toch maar van de grond tilt, roep ik altijd net iets te hard, “kom maar Stef, je hebt al gegeten.”