Gewoon gezellig

oude klok

We hoorden zijn stem al op de gang van het seniorencomplex waar hij woont. Het feest was in volle gang. Gelukkig hadden we nog extra voorraad meegebracht zodat pa zeker niet zonder drank en versnaperingen zou komen. Het was tenslotte zijn verjaardag. Geen kroonjaar of bijzondere gebeurtenis, gewoon gezellig, wat familie en kennissen.

Natuurlijk voerde pa het hoogste woord. Gezeten in zijn relaxfauteuil, door ons steevast zijn elektrische stoel genoemd, overzag hij het gezelschap. Er zat voor 1000 jaar binnen en het maakte voor nog meer jaren geluid. De verhalen over vroeger waren niet van de lucht. En ja hoor, gelukkig, daar was hij ook weer. Piet van Kees van Jaap van Jantje.

“Die ken je wel.”

“Nee pa, omdat je het verhaal al tien keer hebt verteld, wil dat niet zeggen dat we die kennen.”

“Oh.”

Wat pa er niet van weerhoudt het verhaal nog een keer in geuren en kleuren te vertellen. De persoon in kwestie kennen we niet, het verhaal woordelijk. 

Ik maak me nuttig en sleep met advocaatjes met slagroom, biertjes en borreltjes. Pa is een van de weinigen die de Melba Toast steeds trouw is gebleven. De dunne crackertjes zijn nog altijd van karton en smakeloos. Maar op de een of andere manier horen ze er toch bij. Hij is zich wel te buiten gegaan aan krabsalade en preparé. Het is niet uit gierigheid dat hij zo merkentrouw is. Hij maant zijn gasten ook continue om iets te eten. En eerlijk is eerlijk, mensen komen ook graag bij pa. Hij is op zijn eigen wijze enorm gastvrij.

De avond vliegt om. Ik luister graag naar de anekdotes. Natuurlijk worden ze in de loop der jaren steeds fantastischer, maar dat alleen al is prachtig om te volgen. Het gezelschap lacht ook daverend om de eigen herinneringen. Belevenissen uit de tijd dat ze allemaal nog jong en vitaal waren. En niet in de genoemde hoek van 90 graden over de rollator gebogen de krabbenloop beoefenden. Ze maken ook niet zo veel meer mee, in het seniorencomplex, dus wordt er al makkelijk teruggegrepen naar “vroeger”. Gelukkig zijn het niet de mensen die vinden dat vroeger alles beter was. Al zijn er wel een paar zo eerlijk om toe te geven dat ze het niet meer bij kunnen houden. Maar dan mag, als je 85 bent.

Tevreden gaan we ’s avonds weer naar huis. De afwas is gedaan, pa hoeft alleen zijn eigen glas nog maar op te ruimen. Maar hij neemt nog een borreltje voor hij gaat slapen. Hij heeft het verdiend, tenslotte heeft hij weer een heel nieuw jaar voor de boeg. Ik hoop dat we het weer samen tot een succes kunnen gaan maken.

 

 

 

 

Hoofdpijn

Het gaat vaak heel lang goed. Dan heeft hij bijna geen hoofdpijnaanvallen en vermindert hij ook zijn medicatie. Zou het dan over zijn, zou dat kunnen. Een enkele aanval, maar dat is best te doorstaan. Dat weegt zeker op tegen de bijwerkingen van de medicijnen. Heel voorzichtig krijgt hij hoop. Het kan, dat heeft hij gehoord, sommige mensen hebben er jaren geen last van. Dat zou toch geweldig zijn, niet die verzengende pijn, niet die vreselijke vermoeidheid na een nacht vol hoofdpijn. Er is nog altijd geen afdoende remedie tegen Clusterhoofdpijn. De oorzaak is nog steeds niet vastgesteld dus artsen weten niet wat ze er tegen kunnen doen. Er wordt wel gezocht maar er zijn niet zo heel veel mensen die lijden aan deze aandoening. Dus het staat niet bij iedere neuroloog hoog op de lijst.

En dan, vaak als het weer omslaat, slaat ook de hoofdpijn weer toe. Gebroken nachten met vier, vijf aanvallen. ’s Morgens weer in slaap vallen boven zijn koffie, hij sleept zichzelf door de dag. Zo moe, zo moe. En hij wil het niet verpesten voor zijn omgeving, tenslotte kunnen anderen er niks aan doen. Hij probeert vrolijk overal mee naar toe te gaan maar eigenlijk zou hij het liefste in zijn bed kruipen. Maar je kunt niet je hele leven verslapen dus hij bikkelt voort.

Soms geeft hij toe, hij moet wel, en gaat naar bed. “Effe een tukje”, roept hij vrolijk. Sommigen in zijn omgeving denken “zo, zomaar overdag”. Anderen weten beter en hopen dat hij een beetje kan uitrusten. Het zijn niet alleen de gebroken nachten, een aanval van Clusterhoofdpijn put je uit tot op het bot. Zeker als het aanvallen zijn waarbij de schaduwpijn uren blijft hangen.

Toch maar weer aan de medicatie, het is niet anders. Weer leven met een verminderd energielevel. Net doen of er niks aan de hand is. En hopen op een volgende rustige periode. Misschien dat die dan langer duurt.

 

 

Bijgeloof

Wij Nederlanders zijn een nuchter volk. Althans, dat pretenderen we te zijn. Natuurlijk hebben wij ook onze bijzonderheden. Zo heb ik gehoord van een sportman die een geluks-onderbroek heeft en zijn er mensen die van zichzelf niet op de lijntjes van tegels mogen trappen. Dat is echt, ik heb een collega gezien die zich in bochten moest wringen om ’s middags te gaan lunchen.

Toch kan het altijd erger. Zo wordt mijn oud-collega in Gambia, Marijke is haar naam, al een tijd geconfronteerd met jonge mensen die denken dat zij bezeten zijn door een duivel. Een vreemde entiteit die hen aanvalt. Zij krijgen opdrachten en als zij die niet uitvoeren, vallen zij flauw, gaan schuimbekken en reageren niet meer op prikkels van buitenaf. Marijke, met haar nuchtere Hollandse opvoeding, staat machteloos.

Zij ziet dat de aanvallen echt zijn. Tenslotte krijgt een mens niet op commando het schuim rond de mond. Maar wat te doen. Er moet omzichtig gehandeld worden. Je kunt niet als Nederlandse zeggen “kom op joh, stel je niet aan.” Dat werkt misschien in het nuchtere Tietjerksteradeel, maar niet in Gambia. Daar liggen de roots toch ietwat anders.

De mensen hebben veel vertrouwen in Marijke, zij helpt hen immers waar zij kan, dus komen zij bij haar om raad. Marijke probeert met de zgn. bezetenen te praten. Het is niet dat dit ‘domme’ mensen zijn, ook jonge vrouwen met een sterke wil voelen zich bevangen door dit bijzondere fenomeen. Marijke probeert hen serieus te nemen en niet te lachen. Tenslotte hebben wij allemaal The Excorcist gezien. Ook Marijke heeft proberen te doorgronden hoe het mogelijk was dat Linda Blair haar hoofd 360 graden om kon draaien. Maar zij weet ook dat als je gaat lachen, mensen al heel snel afhaken. Bovendien heeft zij als Reikimaster veel ervaring met zaken waar de meeste mensen niks van snappen. Zij heeft alleen nooit kunnen bevroeden dat er ooit op deze wijze een beroep zou worden gedaan op haar wijsheid. 

Bijgeloof is krachtig. Je kunt nog zo vaak zeggen dat het niet bestaat, aanhangers zullen je niet geloven. Misschien zijn de geloven die wij accepteren als ‘echt’, in de ogen van anderen wel net zo dubieus als de geloven die wij classificeren als bijgeloof. Wie bepaalt wat echt is en wat niet. Waarom is een aanhanger van Luther of van de Katholieke kerk minder bijgelovig als een mens die gelooft in de krachten van de goden van de natuur. Ik weet het niet. Ik ben katholiek opgevoed maar ik heb alleen maar ontzag voor de macht van diezelfde katholieke kerk. Hoe is het mogelijk om zoveel mensen er van te overtuigen dat ze moeten leven naar jouw maatstaven. Ik lees de bijbel als een prachtig avonturenverhaal. En stel kritische vragen.

Helaas zijn er tegenwoordig ook veel mensen die vergeten kritisch te zijn. Die accepteren wat hen wordt verteld als zijnde waarheid. Mensen die niet zelf nadenken. Soms zien we hun commentaren voorbij komen op Social Media, wat op zich redelijk onschuldig is. Maar helaas wordt geloof ook vaak misbruikt voor het plegen van misdaden. Er zijn heel veel moorden gepleegd in de naam van God. Of zou dat toch die entiteit uit Gambia zijn?

 

 

 

 

 

 

 

  

Hoog risico

InstagramCapture_c934307f-35fb-4fa3-bf40-12276a61a680.jpg

Het ras waartoe onze hond behoort, staat op de zgn. HR lijst. Dit is een lijst van honden die een hoog risico vormen. Ik zeg bewust “het ras”, want honden met een zuivere stamboom, zoals Stef die heeft, vormen een uitzondering. Deze honden zijn met zorg gefokt, door toegewijde mensen die het geweldige ras een warm hart toedragen en helemaal niets met verkeerde praktijken te maken willen hebben. Die honden worden dan ook niet gezien als hoog risico. 

Helaas gaat niet iedereen zorgvuldig om met een Stafford. Stef ligt altijd heerlijk in het gras en kijkt voornamelijk loom en lui wat er voorbij komt. Zo ook het gezelschap met een mooi gestroomd Staffordje. Hé, dacht Stef, een soortgenoot, laat ik eens even gaan kijken. De dame die de hond aan de lijn had, brak uit in regelrechte paniek. “Haal die hond weg, dat gaat fout, alsjeblief haal die hond weg.” Natuurlijk riepen wij Stef tot de orde en de twee honden keken elkaar een beetje overbluft aan, wat was er nou aan de hand? De dame wist van geen wijken. “Hoe wij het in ons hoofd haalden Stef zo te laten liggen, als hij een getraumatiseerde hond tegen kwam wist je nooit wat er ging gebeuren.” Helaas heb ik maar twee echte triggers die mij in woede doen ontsteken. Kom niet aan mijn man en niet aan mijn hond. Ik heb de dame in kwestie dus meegedeeld dat als zij haar hond niet vertrouwt, zij dit niet op ons moet afreageren. Wij houden Stef altijd in de gaten maar vertrouwen hem wel. Een getraumatiseerde Stafford moet je naar mijn mening nergens mee naar toe nemen, dat blijft altijd een gevaar. Maar verpest het niet voor de Staffords die wel een voorbeeld zijn voor het ras. En dat op heel hoge toon en scherpe bewoordingen. De dame in kwestie droop af met de staart tussen de benen.

Een dag later kwamen er twee andere mensen voorbij. Weer dacht Stef, laat ik eens gaan kijken. Het blijft tenslotte een hond. Dus ik sprintte er uit voorzorg maar vast achter aan. “Oh”, zei de man die de hond aan de lijn had, “maar dit is een dame, die wijst hem vanzelf terecht als het haar niet aanstaat. En daar hebben mannetjes heus wel ontzag voor.” Ik lachte en vertelde hem dat ik een dag er voor nogal commentaar had gehad. “Ach”, zei zijn vrouw, “weet je, sommige mensen snappen het niet. Als jouw hond alles en iedereen aanviel, liet jij hem heus niet loslopen.”  

Ik liet een zucht van verlichting. Gelukkig zijn er ook mensen die het wel begrijpen.

 

Tandarts

tandarts

Onlangs was ik weer aan de beurt voor mijn halfjaarlijkse controlebeurt bij de tandarts. Gelijk gecombineerd met een bezoek aan de mondhygiëniste, dan was ik er maar vanaf. Het is niet mijn meest favoriete bezigheid maar ik kan ook niet zeggen dat ik bang ben van de tandarts. Het moet gebeuren, ik wil mijn gebit graag in goede orde houden zodat ik niet voortijdig gebruik hoef te maken van allerlei hulpmiddelen. Hoe goed en onzichtbaar deze tegenwoordig ook zijn.

Ik ben al wat ouder, dus ik heb ook de periode nog meegemaakt dat een tandarts zich niet enorm bekommerde om het wel en wee van de patiënten en zich vol vuur bediende van boren en tangen. Alsof de man naar olie stond te boren. Wij hadden ook nog de pech dat onze tandarts een grote man was, met heel veel zwarte haren op zijn handen. Weerloos lag je als kind in zijn stoel, met angstig opengesperde mond, wachtend tot die klauw zich heen en weer ging bewegen boven je gezicht. Met een haak, in mijn herinnering van enorme afmeting, werden een voor een alle tanden bevoeld. Ik volgde de haak en bad dat hij niet stopte met bewegen. Want dat was niet goed, als de haak stopte en een bepaalde kies meer aandacht gaf, moest er vrijwel altijd naderhand de boor aan te pas komen. Destijds werd er niet gevraagd “of de patiënt een verdovinkje wilde”, gewoon in de leuningen van de stoel knijpen, het was zo voorbij. Nog een paar weken voelde je dat er iets vreemds was in je mond. Kauwen moest bij voorkeur aan de andere kant. Tot de vulling was ingesleten en het allemaal weer normaal werd.

Nee, dan is het tegenwoordig toch allemaal een stuk beter geregeld. Een verdoving kan zelfs manhaftig worden afgeslagen. Het vervelende gevoel van het boren weegt niet op tegen het scheef hangende gezicht waardoor een poging een slok koffie te nemen uitmondt in een enorme vlek op je kleding. Het enige echt erge daaraan is nog altijd het woord ‘boren’. Waarschijnlijk heeft de tandarts zelf daar een andere uitdrukking voor, die is mij alleen niet bekend.

Tijdens het hierboven genoemde bezoek aan de mensen die mijn gebit voor ellende behoeden, bedacht ik wel dat respect jegens hen toch op zijn plaats is. Terwijl ik in de wachtkamer zat, bekeek ik voorzichtig mijn mede-bezoekers. Niet iedereen heeft een stralend gebit. Wat te denken van die meneer die mij vriendelijk toelachte en daarbij één scheefstaande tand toonde in zijn bovenkaak. Mijn fantasie sloeg direct op hol, hoe zou een tandarts daar mee te werk gaan. Hij zag er ook redelijk groezelig uit, die meneer dan, niet die tand, dat kon ik niet zien. Wat voor mij direct het mondkapje van mijn tandarts rechtvaardigde. Want je krijgt wat in je stoel hoor, kan ik mij zo voorstellen. Mensen die de dag er voor zijn doorgezakt, of zich te buiten zijn gegaan aan een broodje shoarma met knoflooksaus. Of mensen die überhaupt niet de moeite nemen om zich fris voor een consult te melden. Ga er maar aan staan. Gezegend zijn de beschermingsmaterialen van tegenwoordig. En dan nog moet je daar doorheen kunnen kijken.

Nee, hulde aan de tandarts. Want ik kan straks, als ik echt oud ben, niet tegen mijn schoondochter zeggen “spoel jij mijn tanden even af”. Om ze even later weer fris gewassen in mijn mond te stoppen.

 

Voetbal

voetbal

Ik ben een van de weinige Nederlanders die geen verstand heeft van voetbal. Om mij heen hoor ik de meest uiteenlopende meningen en ik denk “tja, het zal wel, ik weet het echt niet.” Wat mij opvalt, is dat ook echt iedereen een mening heeft. In praatprogramma’s, op verjaardagen, echt overal. Ik vind er niks van. Ik vind Cruijff de beste en daar blijft het bij.

Waar ik wel moeite mee heb, is de status die voetballers hebben. Ik heb me laten vertellen dat Oranje vroeger (wat dat dan ook mag zijn) een van de beste ploegen ter wereld was. Nederland was een land waar je rekening mee moest houden. Niet de allerbeste, maar wel één van. De mannen van Rinus Michels stonden hun mannetje.

Nu zie ik Louis van Gaal op televisie. Ik heb een huizenhoog respect voor die man. Niet voor zijn kwaliteiten als coach. Zoals gezegd, daar weet ik niks van dus daar heb ik ook geen mening over. Maar als mens. Want heel Nederland valt over hem heen en hij blijft authentiek. “The death or the gladioles.” Heerlijk, ik hou van mensen die te allen tijde zichzelf zijn. Maar niks dan kritiek is zijn deel. En dan denk ik “hoe zo?”

Ik mag dat natuurlijk niet zeggen, maar als ik die mannetjes rond zie rijden in hun dikke auto’s. En zie hoe zij met hun veel te opgedirkte vrouwen naar allerlei festiviteiten gaan. Alsof ze Jezus toegevoegd zijn. Dan krijg ik de kriebels. Natuurlijk, voetbal is big business en zij moeten er vast hard voor werken, maar kom. Alsof er in onze maatschappij niet meer mensen zijn die hard werken en veel betekenen. Die krijgen echt niet zoveel aandacht. Die doen hun werk zonder in de spotlights te staan. Die klagen niet als ze een keer een spier verrekken of een kleine blessure hebben.

En begrijp me niet verkeerd. Er zijn echt wel voetballers die hun verantwoording nemen en hun bekendheid aanwenden om iets terug te doen voor de maatschappij. Maar er zijn er toch ook heel veel die heel zielig zijn als ze een wedstrijd op de bank moeten zitten. Nou, ik heb nieuws voor hen, er zijn in onze maatschappij heel veel mensen die op de bank moeten zitten. Een groot deel van hun leven, zonder dat ze daar zelf schuld aan hebben. En daar hoor ik Voetbal Inside nooit over.

 

Gestolen

Al een paar jaar komen wij geregeld op een kleine camping in de Ardennen. In een betrekkelijk onbekend plaatsje. Leuke camping, leuke mensen, mooie omgeving. En lekker eten en drinken. Om een beetje mobiel te zijn zonder steeds in de auto te hoeven kruipen, heeft mijn man een e-scooter aangeschaft. Het ding ziet er uit al een normaal scootertje maar irriteert niet de hele camping met een jankende uitlaat. Vergezeld van een snorrend geluid zoeft mijn man over ’s heren wegen.

Het is een bekende verschijning geworden. “Oh, Huub is niet ver weg, zijn Harley staat er nog.” De verwarring was dan ook groot toen Huub die ochtend buiten kwam en het blauwe tweewielertje miste. Even twijfelde hij nog aan zichzelf, had hij het ergens anders neergezet, had hij het ergens laten staan na een biertje te veel om te rijden? Nee, toch niet, de avond er voor was hij bij de buurman geweest, het scootertje had gewoon thuis gestaan. Langzaam drong het besef door, zijn mini-Harley was gestolen. Dat kon toch niet, toch niet hier.

De camping-eigenaar was ook volledig uit het veld geslagen door het bericht. Hij voelt het als zijn verantwoordelijkheid dat de gasten veilig zijn. En nu was er, ’s nachts, iemand de camping opgekomen en had eigendommen ontvreemd. Een onheilspellend gevoel.

Met onze Nederlandse nuchterheid besloten we aangifte te doen bij de Belgische politie en op zoek te gaan naar een nieuw vervoermiddel. Tenslotte zouden we de e-scooter echt nooit meer terug zien. Eerdere ervaringen met diefstal, weliswaar in Nederland, had ons cynisch gemaakt. Je doet aangifte, al dan niet via Internet, je krijgt een bevestiging en een dossiernummer en twee weken later het bericht dat het dossier wordt gesloten. En dat is dat. Je hebt de aangifte nodig voor de verzekering maar verder heeft het voor het gevoel weinig nut.

Huub speurde het internet af, op zoek naar nieuwe mobiliteit. Hij wist niet precies wat te doen, hij was uiteindelijk helemaal niet op zoek naar iets nieuws. Hij was perfect tevreden met wat hij had. Hij kon ook niet besluiten. Dus ging hij niet te snel van stapel lopen, hij zou nog wel zien.

Een week na de diefstal werd zijn probleem echter als vanzelf opgelost. Er kwam bericht van de camping, we konden onze oren niet geloven. De Belgische politie had een bende brommer- en scooterdieven opgerold. Zij bleken in het hele dorp actief te zijn geweest. En raad eens, de Harley van Huub was terecht, we konden hem bij het politiebureau gaan halen. Wie had dat ooit kunnen denken, wij waren er echt van overtuigd dat we de tweewieler nooit meer zouden zien. Hulde aan de Belgische speurders. Daar kan Baantjer nog heel veel van leren.

 

 

 

 

WiFi

wifi

“De Wifi doet het niet”, geïrriteerd blijf ik op het wifi-icoontje klikken. Helaas, de computer blijft aangeven dat ik niet verbonden ben met het wereldwijde web. Als de storing meer dan tien minuten aanhoudt, pak ik mijn telefoon en zoek het nummer van Ziggo. “U bent verbonden met de helpdesk van Ziggo, wij verzoeken u een keuze te maken uit het nu volgende menu.” Met een zucht volg ik de instructies en wordt vervolgens in de wacht gezet. Wel vijf minuten. Wat een ellende. Gelukkig blijkt het een kwestie van een paar vinkjes weer aanzetten en is na een uurtje het leed weer geleden. De wereld ligt weer onder het bereik van een muisklik.

Mijn oud-collega Marijke is verhuisd naar Gambia. Zij is haar droom achterna gegaan en heeft een nieuw leven opgebouwd in het verre Afrika. Zij heeft inmiddels al twee dagen geen internet. Geen wifi, niet met een draad, helemaal niks. Een telefoontje naar de provider vertelde haar dat het waarschijnlijk aan haar eigen instellingen zou liggen. Dus, alles gecheckt, niets gevonden en nog maar eens gebeld. Oh, dan zou het waarschijnlijk toch bij de aanbieder liggen. Ze zouden morgen contact met haar opnemen. En al die tijd zit Marijke zonder internet, zonder verbonden te zijn met de wereld. Zij is genoodzaakt alle vragen die ze heeft op te schorten en te roeien met de riemen die ze heeft. Als zij belt en om een monteur verzoekt, en vervolgens vertelt waar ze woont, wordt er bedenkelijk gezucht. Zo ver, dat is echt wel een uur rijden, poeh. Ze wordt ingepland maar men weet nog niet voor wanneer. Uiteindelijk, na een paar dagen, komt de monteur langs en onderzoekt alle mogelijkheden. Om dan toch tot de ontdekking te komen dat het probleem niet ligt bij Marijke, maar bij de instellingen op kantoor. Ach, hoe toevallig. De man vertrekt onverrichterzake. Marijke’s geduld wordt weer op de proef gesteld. Misschien heeft ze volgende week wel weer de beschikking over alle moderne toepassingen.

Het is een manier van leven. Je raakt er aan gewend. Het is ook een manier van onthaasten. Uiteindelijk is het ook helemaal niet zo erg om een dagje niet op Facebook of LinkedIn te kunnen kijken. Het is mooi om een keer zo met je neus op de feiten gedrukt te worden.

 

 

 

 

 

 

Aquarium

Innsbruck ziekenhuis

De aanblik van een groot aquarium brengt mij direct weer een aantal jaren terug. Wat voor een ander heel rustgevend kan zijn, bezorgt mij weer dat beklemmende gevoel dat ik had in Innsbruck, in het Landeskrankenhaus. In de wachtkamer op de afdeling neurochirurgie stond een enorm exemplaar. Wekenlang heb ik er iedere dag naar zitten kijken.

We waren op vakantie, mijn man, mijn zus en ik. Heerlijk een paar weken niks doen in de zon. Oostenrijk was een van onze favoriete bestemmingen en het was de eerste keer dat we er weer waren na de dood van mijn zwager. We gingen het rustig aan doen, geen bergen beklimmen, geen moeilijke wandelingen. Gewoon door de kleine stadjes en dorpjes slenteren en misschien een keer met de kabelbaan naar boven.

De middag ervoor hadden we heerlijk in de zon gezeten. Met een boek en een drankje. Ik weet nog dat ik tegen mijn zus zei “Smeer je schouders in of ga in de schaduw zitten. Je weet dat je er niet tegen kunt.” Maar één van de meest voorkomende eigenschappen in mijn familie is eigenwijsheid. Dus ze bleef rustig zitten.

Die ochtend bleef mijn zus lang in haar caravan. Te lang. Op een gegeven moment vond mijn man toch dat ik maar eens moest gaan kijken. Dus ik deed de deur open. En daar zat ze, op de grond, wezenloos voor zich uit te kijken. Ik tikte tegen haar wang maar toen ze niet reageerde werd ik bang. Ik rende naar de receptie en belde de hulpdiensten. In het kleine stedelijke ziekenhuis werd ze onderzocht. Waarschijnlijk was het een zonnesteek. Nog even een klein onderzoek om wat uit te sluiten en dan mocht ze mee naar huis.

Maar wat ze wilden uitsluiten bleek aan de hand. Ze had een bloeding in haar hoofd. Dus werd ze vervoerd naar het regionale ziekenhuis. Daar konden ze een drain aanbrengen om de druk van de hersenen te halen en dan zou het allemaal wel goed komen. Ik moest om vijf uur maar even bellen om te vragen hoe het ging. Daar stond ik, in een ziekenhuis waar ik nog nooit was geweest. En ik ging bellen, mijn man, mijn familie. De schrik was groot.

Met een taxi liet ik me terugbrengen naar de camping. De middag kroop om. Het wilde maar geen vijf uur worden. Eindelijk, eindelijk kon ik bellen. Ik werd een paar keer doorverbonden. Achteraf een veeg teken. De arts die ik tenslotte aan de telefoon kreeg, vertelde me helder en zakelijk dat het niet goed ging met mijn zus. Ze had een aneurysma in haar hoofd en men was bezig haar klaar te maken voor transport met de traumahelikopter naar Innsbruck. Daar zou ze met spoed geopereerd worden. Wij konden ook maar beter zien dat we in het ziekenhuis kwamen want ze wisten niet of ze de nacht zou halen.

In de uren en dagen die volgden heb ik geleerd wat het is om bang te zijn. Bang om iemand waar je van houdt te verliezen. Je denkt dat je het weet maar als de dreiging dan reëel is, besef je pas wat angst met je kan doen. Tijdens de rit naar Innsbruck, in het donker, door eindeloos veel tunnels, heb ik mijn zus drie keer begraven.

Mijn zus heeft een aantal weken in coma gelegen maar is goddank weer hersteld. De enorme littekens op haar hoofd zijn niet meer te zien doordat haar haar er overheen groeit. Ze is nog steeds eigenwijs, gelukkig. En ik heb nog altijd een antipathie tegen tropische vissen.

 

 

Paniek

Stef

Ik ben best een zorgvuldig mens, al zeg ik het zelf. Niet dat heel erg opgeruimd ben, maar ik hou meestal alles goed in de gaten. Vandaar dat de schrik ook groot was toen iemand kwam aanlopen met twee lege doosjes waar ooit muizengif in had gezeten. En onze hond heel vrolijk kwispelend in haar kielzog mee liep. Verschrikt wrikte ik zijn bek open en zag dat in zijn vervaarlijke kiezen een heel vreemd blauw goedje zich had genesteld.

Nu wil het feit dat Stef, onze hond, op dieet is. Het arme dier heeft de hele dag honger. Natuurlijk is dit voor zijn eigen bestwil. Heeft hij er erg in dat hij geen taille meer over houdt als wij hem zijn gang laten gaan. Dus alles wat ook maar riekt naar iets eetbaars, is voor het arme dier een regelrechte uitdaging.

Muizengif, wat nu. Een telefoontje naar de dierenarts vertelde dat ik direct moest komen. Het gif moest uit zijn maag, en wel direct. Stef snapte er niks van. Hij had toch lekker gesnoept, wat deden die mensen allemaal raar. Ik gooide hem bijna achter in de auto en reed met behoorlijke vaart richting dierenkliniek. Het is maar goed dat de buitenlandse chauffeur die voor me reed en de weg niet exact wist, mijn verwensingen niet allemaal kon horen. De arme man zou behoorlijk overstuur zijn geweest.

In de dierenkliniek kreeg Stef een heerlijk blikje eten. Dit maakte zijn dag in één keer goed. Arme dier, wist hij veel. Want nog geen minuut daarna kreeg hij een injectie in zijn poot. “Lieve hond”, vond de dierenarts, “hij doet niet eens lelijk naar me.” En toen was het wachten tot hij ziek werd. Zijn maag moest immers leeg. Ik zag mijn arme vriendje ziek worden. Hij snapte er niks van. Maar Stef is een taaie hond, hij wilde zich niet laten kennen. Niet voor het vrouwtje, niet voor die vreemde meneer die hem zo vreselijk voor de gek had gehouden. De maximale dosis misselijkmaker moest er aan te pas komen voor Stef zich overgaf en de inhoud van zijn maag deponeerde precies naast de kranten die de dierenarts voor dat doel op de grond had uitgespreid. En één keer was niet voldoende, tot drie keer toe werd er een flinke klodder groene smurrie neergelegd. De dierenarts trok handschoenen aan om het op te ruimen. Hij vertelde me dat Stef wat suffig zou zijn, de rest van de dag, maar dat het leed volgens hem wel geleden was.

 Pas later, toen ik al lang en breed thuis was, sloeg de paniek toe. Mijn arme maatje, hoe verkeerd had het af kunnen lopen. Ik zou het mezelf nooit vergeven hebben. Stef heeft er gelukkig niks van overgehouden. Maar wat ben ik die collega dankbaar dat ze die lege doosjes heeft ontdekt. Het had heel anders kunnen lopen.