Wonen op niveau

Mijn moeder heeft na haar pensioen jarenlang als vrijwilliger gewerkt bij de afdeling van Vluchtelingenwerk in haar woonplaats. Zij had geen zin om heel de dag thuis te zitten en zocht iets waar ze zich nuttig mee kon maken.

En zeker, er waren ook mensen bij die dachten dat in Nederland het geld op straat lag en iedere hulpverlener dit bij hen aan de deur moest brengen. Tenslotte moesten zij geholpen worden. Maar er waren ook heel veel schrijnende gevallen. Vrouwen die mishandeld waren en met hun laatste kruimeltje moed met hun kinderen waren gevlucht. En die nog steeds op hun hoede waren, want misschien kon hun man hen toch nog vinden. Mensen wiens familie was vermoord, louter en alleen omdat ze toevallig een ander geloof aanhingen. Die mensen waren blij als ze geholpen werden en vonden het normaal dat het geld dat ze kregen om hun huis in te richten iedere maand in delen van hun uitkering werd afgehouden. Tot het terugbetaald was.

Mijn moeder krijg nog steeds ieder jaar van “een van haar vluchtelingen” een cadeau in de vorm van een Afrikaans beeld. De man heeft zijn leven op de rit en is mijn moeder dankbaar dat ze hem geholpen heeft. Wij, haar kinderen, lachen haar er goedmoedig om uit. Haar huis gaat er steeds exotischer uitzien want ze wil de spullen ook niet opruimen. “Hij bedoelt het toch goed.”

Wat een tegenstelling met de schreeuwers die ik op televisie tekeer zie gaan tegen de komst van een AZC. Bang gemaakt door verkeerde politici roepen zij dat “die profiteurs” alleen maar komen om onze huizen, onze banen en onze vrouwen in te pikken. Ik zie het en ik denk “jij geeft echt blijk van je intelligentie”. Goedbedoelende bestuurders, die ook alleen maar naar eer en geweten hun werk doen, worden bedreigd. Ze moeten zorgen dat “die buitenlanders” weg blijven, want anders……

Mensen verdiepen zich niet in de problematiek maar praten anderen na die handig inspelen op de angst voor het onbekende. Met als enig doel meer kiezers aan zich te binden, want het echte wel en wee van die mensen boeit hen absoluut niet. Het gaat hen alleen maar om macht. Ik kan maar één ding denken “schande”.

Raadsvergaderingen lopen uit de hand en moeten stilgelegd worden. Met plaatsvervangende schaamte zie ik de beelden voorbij komen. Burgemeesters die machteloos proberen het publiek tot kalmte te maken. Je ziet dat zij zich generen voor de inwoners van hun anders zo geliefde gemeente. Alleen de tegenstanders komen aan het woord. Logisch, zij roepen immers veel harder dan de mensen die redelijkerwijs tot een oplossing willen komen. Die worden overschreeuwd, opzij geduwd. “Hun mening doet er niet toe, ik wil die mensen niet in mijn straat.” Ik kijk naar de televisie en schaam me.

“Ik wil die mensen niet in mijn straat.” Ik hoor het hen zeggen. Of eigenlijk, ik hoor het hen schreeuwen. En ik kijk naar die mensen, ordinair, baseball-cap achterstevoren op, verkeerde en te grote oorbellen in, heel bijzondere tatoeages op plaatsen waar een zichzelf respecterend mens geen tatoeages wil hebben, obscene gebaren makend en met een zelfverzekerdheid die grenst aan het onvoorstelbare alleen maar omdat zij toevallig in Nederland zijn geboren. En dan denk ik “wat ben ik blij dat jij niet bij mij in de straat woont”.

 

Een oud kerkhof

De stralende herfstzon verwarmt het kleine kerkhof dat scheef geleund ligt tegen de zijkant van het kleine kerkje. Ik loop door de paden en lees de namen op de oude verzakte grafzerken. Het is bijna november, overal staan bloeiende bolchrysanten. Het geeft het kerkhof iets feestelijks, alsof herrijzenis inderdaad aanstaande is. Het is er stil, het enige dat je hoort zijn de vogels. Zij voelen zich niet bezwaard door de aanwezigheid van zoveel herinneringen en nagedachtenis.

Het heeft een bijzondere aantrekkingskracht op mij, zo’n oud kerkhof. Iedere vakantie moet ik er even heen, naar het kerkhof in de plaats waar wij op dat moment zijn. “Macaber”, zegt mijn familie, ze gaan dan ook echt niet mee. Maar ik loop langs namen en jaartallen en probeer me voor te stellen hoe mensen geleefd moeten hebben. Het laat me nadenken over de eindigheid van het leven en geeft me het gevoel een nietig ding te zijn in een groter geheel. Diepe gedachten die eigenlijk helemaal niet bij het vakantiegevoel horen. Het maakt mij niet uit, het is een andere wereld maar ik houd er van.

Het vreemde is dat ik vrijwel nooit naar het kerkhof ga waar mijn vader begraven ligt. Ook dat is een klein kerkhof bij een evenzo klein kerkje in een dorpje dat mijn vader heel dierbaar was. Zijn graf ligt bijna tegen de kerk aan, ik zie het zo voor me, rechts in de hoek. Vlak bij de kindergrafjes. Het lijkt wel of dat toch te dicht bij komt. Terwijl het overlijden van mijn vader al meer dan vijftien jaar geleden is. Ik mis hem niet meer in mijn dagelijkse leven. Hij is een dierbare herinnering geworden. Tijd doet dat met herinneringen, de scherpe kantjes gaan er af en maakt de nagedachtenis tot een kostbaar iets.

Ik hoor het uitbundige gezang van een kleine vogel. Hij brengt een ode aan alle mensen die hier hun laatste rustplaats vonden. Zoveel levens, zoveel herinneringen, samengebracht voor eeuwig. In de familiegraven rusten ouders, broers en zusters vredig. Alle ruzies en onenigheden zijn vergeten en niet meer belangrijk.

Even kijk ik nog even binnen in het kerkje. Het is er koud, de houten stoelen staan keurig in een rij op de oude stenen vloer. Paden zijn uitgesleten door de gelovigen die hier komen luisteren. Het is geen rijke parochie, de eenvoudige glas-in-lood ramen laten het licht diffuus schijnen over het houten altaar. De kandelaars zijn zonder de zo typische opsmuk. Meer in lijn met de eenvoudige timmermanszoon die op een ezel reed.

Bij het Mariabeeld staan kaarsjes te branden. Ook ik volg de gewoonte en steek een kaarsje op. Natuurlijk heb ik geen geld bij me, ik ben immers zo maar even hierheen gelopen. Ach, de intentie blijft hetzelfde. De katholieke kerk kan mijn euro vast wel missen. Buiten sta ik nog even stil en neem de omgeving in me op.

Dan laat ik het kerkhof voor wat het is en ga terug naar de bewoonde wereld. Het duurt nog even voor ik het bijzondere gevoel kwijt raak.

Internet, kinderspel

Vroeger, oh, ik word echt oud, hadden wij geen internet. Wij speelden buiten, ook als het niet zo’n heel mooi weer was. Wij mochten van onze ouders geen snoepjes aannemen van vreemden en niet met vreemde mannen mee gaan. Mijn moeder vertelt nog altijd met een beetje gêne en maar toch ook wel wat trots dat ik ooit een de hele Vroom & Dreesman-winkel bij elkaar heb geschreeuwd omdat een vreemde mevrouw me vroeg even op een kinderfietsje te gaan zitten. Haar kleinkind was net zo groot als ik en ze wilde dat fietsje kopen voor haar verjaardag. En ze wist niet of het zou passen, misschien was het fietsje nog wel veel te groot. Maar wist ik veel, ik mocht van mijn moeder niet met vreemde mevrouwen meegaan en ik zag op dat moment mijn eigen ouders even niet in de buurt. De bewuste dame verontschuldigde zich bij mijn moeder, ze had beter moeten weten, vond ze.

Tegenwoordig maken allerlei engerds accounts aan op Facebook om kinderen te benaderen. Zij doen zich voor als veertienjarigen om te voorkomen dat deze kinderen digitaal moord en brand gaan schreeuwen. Waarschijnlijk hebben ze zich ook eerst verdiept in de schrijftaal en gedragingen van deze jonge kinderen. Zodat ze niet de fout maken de verkeerde woordkeuze te gebruiken. Wat zijn dat voor mensen, die eerst een studie maken van hun object en dan pas toenadering zoeken. Dat zijn geen spontane potloodventers, die je achterna rennen in een op Koot & Bie geïnspireerde jas. Dat zijn volbloed perverselingen die nergens voor terugdeinzen.

Wat moet dat voor ouders vreselijk zijn. Ik zeg niet dat het vroeger beter was, verre van. Maar het was toen voor dit soort ellendelingen wel wat ingewikkelder. Nu moet je denk ik als ouder lijdzaam toekijken en hopen dat je kinderen niet in de val gelokt worden. Natuurlijk, je waarschuwt ze, maar voor sommige zaken kun je hen niet behoeden. Gewoonweg omdat normale mensen niet weten dat die dingen bestaan. En als je denkt dat je nu alles wel gehoord hebt, komt er toch weer een extra zieke geest die iets nieuws verzint.

Want wie denkt er nu aan dat een volwassen man achter zijn pc gaat zitten, inlogt als kind en zich vervolgens verlekkert aan het idee dat hij zit te chatten met kinderen die waarschijnlijk nog niet half zo oud zijn als hij. Hoe ziek ben je dan. Ieder normaal mens krijgt het schaamrood op de kaken. En wat vaak nog het ergste is, dit gebeurt in alle anonimiteit. De bewuste pervert gaat ’s ochtends gewoon weer naar zijn werk. Op kantoor, in een productie-omgeving, in een ziekenhuis. Het is niet één type dader, het is de doodgewone man die naast je in de bus zit. En dat maakt het zo griezelig.

Maar wat moet je dan? Je kunt ook  niet vertrouwen op de overheid. Als politie en justitie na grondig onderzoek en zorgvuldige procesvoering de dader opgeborgen heeft in een Tbs-kliniek, blijkt dat hij daar gewoon op zijn gemak verder kan gaan. Internet, mobiele telefoon, het is er allemaal voor handen lijkt het wel. En tijd genoeg voor een uitgebreide voorbereiding. Tenslotte heeft hij verder niet veel te doen.

Je kinderen verbieden het internet op te gaan, is geen optie. We kunnen zelf ons leven ook niet meer voorstellen zonder. Het is de grote vraagbaak die telefoonboeken en encyclopedieën vervangt, het medium dat ons in contact laat zijn met allerlei kennissen, die wij dan ook misleidend vrienden noemen, dat dan weer wel, maar toch. Internet is er en het gaat waarschijnlijk nooit meer weg. Degenen die er mee opgegroeid zijn, gebruiken het met een vanzelfsprekendheid die boekdelen spreekt. Zoals wij speelden met  bambino-steentjes, zo spelen de jongeren van tegenwoordig hun computerspellen. Met dit verschil dat de bambino-steentjes alleen een risico vormden voor ondernemende peuters die dachten dat je die ook wel door je neus kon inhaleren.

Iedere generatie wordt blootgesteld aan bepaalde gevaren die alleen in dat betreffende tijdsbeeld passen. Waarschijnlijk is het zo dat hoe complexer de tijd, des te complexer de gevaren. Helaas.

Vluchteling

Ineens dringt het tot me door, ik ben een vluchteling. Terwijl ik denk aan mama en haar warmte, en hoe ik haar mis, zie ik naast me een man rillen in zijn te dunne jas. Ook hij is een vluchteling, we zijn met steeds meer.

Mama, waar ben je? Hoe zou het met je gaan? Al het geld dat je afgelopen jaren hebt gespaard met sloven voor anderen, heb je bij elkaar gevouwen en in mijn handen gestopt. “Hier jongen, ga ver hier vandaan en zoek een betere toekomst. Ze willen ons hier niet meer. Ons geloof en onze afkomst is in de ban gedaan. Ik ben oud, voor mij is het te laat, maar jij bent jong en vitaal, jij kunt nog een heel nieuw leven opbouwen.” Maar ik voel me wel eenzaam mama, zonder mijn familie.

Een kennis van een oom bracht ons in contact met iemand die mijn reis zou kunnen organiseren. Ik mocht niks meenemen, enkel de kleding die ik aan had. En natuurlijk het geld dat mama had gespaard. Stiekem stopte ze me ook een mobiele telefoon in de hand. “Hier jongen, dan kun je contact houden met je oom. En die laat mij dan wel weten hoe het gaat.” Ik heb maar niet gevraagd wat ze voor die telefoon had moeten doen. Ach, en ze zou het me toch niet verteld hebben, waarschijnlijk.

Hoe lang we in die vrachtwagen hebben gezeten kan ik me niet herinneren. Het leek een eeuwigheid. Al die mensen, sommigen zacht jammerend, op elkaar gepakt. In het begin probeerde iedereen zich nog in te houden, maar als je langer dan een etmaal in een hok zit, begint de natuur zich toch te roeren. Gelukkig was de vrachtwagen gammel en zaten er hier en daar gaten in de bodem. Dat gaf nog een beetje lucht.

Nadat we eindelijk gestopt waren en uit de vrachtwagen mochten, had ik verwacht mensen te zien die ons wilden helpen. Maar we stonden op een kaal stuk grasland, met voor ons prikkeldraad en achter ons alleen maar verlaten woestenij. De vrachtwagenchauffeur duwde iedereen hardhandig uit de bak en sloot de deuren. Daarna stapte hij in de auto en reed gewoon weg, ons verbijsterd achterlatend. Wat nu? Het was koud, veel kouder dan wij gewend waren. Langzaam zette de stoet zich dan toch maar in beweging, richting prikkeldraad. Daar zou toch wel iets zijn.

En inderdaad, daar werden we opgevangen. Zo noemen ze dat hier. Jij zou het “gevangen zetten” noemen mama. Want iets anders is het niet. Ze hebben alles van me opgeschreven, mijn paspoort ingenomen en me gebracht naar een kamer waar ik met vijf andere mannen moet wonen. Tot ik naar een ander opvangcentrum mag. En ik heb gehoord dat daar dan alles weer van voor af aan begint. Tot ze er  van overtuigd zijn dat ik echt niet terug kan naar mijn vaderland, omdat ik daar niet alleen gevangen gezet wordt, maar ook vermoord. Hoe lang dat gaat duren, dan kan niemand me vertellen. Ik heb begrepen dat sommige mensen hier al maanden wonen.

En ik doe mijn best hoor mama, ik probeer me zo goed mogelijk te gedragen. Alleen, op televisie zie ik steeds dat ik profiteer, dat ik geld krijg met niks doen terwijl er in dit land mensen zijn die niks krijgen. Maar daar kan ik toch niks aan doen mama? Bovendien, ik heb helemaal geen geld gekregen. Daarvoor moet je eerst een status hebben. En die heb ik niet. Ik ben helemaal niks. Een naamloos iemand, die in een gevangenis, die niet zo heet, denkt aan zijn moeder en hoe het vroeger allemaal anders was. Toen in ons eigen land de verschillende godsdiensten nog naast elkaar konden bestaan. Waar zou het toch allemaal zo mis zijn gegaan? Wij zijn toch ook gewoon godvrezende mensen.

En weet je wat het is mama, het is overal gewoon hetzelfde, ook hier is ons geloof en onze afkomst in de ban. Nee, hier willen ze ons ook niet. Maar mama, ik kan niet meer terug.

Kloosterlingen

Mijn oom, de oudere broer van mijn vader, was kloosterling. Voor ons kinderen was dat een gegeven. Oom Pierre woonde in het klooster en de bezoeken aan hem waren een ontdekkingsreis. We kwamen niet uitgekeken, achter iedere deur en na iedere bocht die de gang nam, wachtte weer een nieuw avontuur. Uren konden we rondlopen door de lange gangen, we bezochten de bibliotheek en speelden verstoppertje in de enorme tuin.

Oom Pierre kwam ook regelmatig logeren. Hij was net als mijn vader werkzaam in het onderwijs en met Kerst, met Pasen en in de zomervakantie had hij meer dan genoeg tijd om zijn broer en diens gezin met een bezoek te vereren. Wij vonden het prima. Oom Pierre bracht altijd massa’s kadootjes mee. En het feit dat mijn vader en moeder in zijn aanwezigheid geen ruzie maakten, was een prettige bijkomstigheid. De geur van de sigaren die oom Pierre veelvuldig rookte, bezorgen mij nog altijd de herinnering aan rust in huis.

Later, maar dat was pas veel later, gingen we onszelf toch vragen stellen. Want, waarom mochten wij de boeken van oom Pierre niet lezen. “Die zijn voor grote mensen”, zei hij dan. En hoe kon het toch dat oom Pierre altijd geld in overvloed leek te hebben, terwijl wij ook collega-kloosterlingen kenden die helemaal niet zo luxe leefden. Vragen, die we op een gegeven moment ook gingen stellen.

Ook de vragen die we stelden over het katholieke geloof als zodanig, vielen niet in goede aarde. “Die snotapen worden steeds brutaler”, hoorden we hem verzuchten. Maar wij vonden het toch vreemd dat de kelder van het grote klooster, het Moederhuis zoals zij dat noemden, afgeladen vol stond met Afrikaanse kunst waar niemand iets van wist. Want was dat dan eigenlijk geen diefstal? En hoezo moesten de Afrikaanse mensen katholiek worden, wat was er mis met hun eigen geloof?

Ook de financiering van de orde was voor ons een raadsel. De kloosterlingen werden allemaal ouder en op een gegeven moment moesten zij de rente van het kapitaal aanspreken. Dat werd niet iedere vrijdag in de vastentijd paling eten. De broekriem moest aangehaald worden. Maar waarom werd dat kapitaal dan niet gebruikt, om anderen te helpen bijvoorbeeld. Want een kloosterorde was er toch om te dienen?

Steeds vaker kwamen onze vragen ons op een boze blik van mijn vader te staan. Oom Pierre bracht ook al lang geen kadootjes meer voor ons mee. De bezoeken werden ook minder en behoorlijk ingekort. Wij gingen ook niet iedere keer meer mee op bezoek. Oom Pierre was door de mand gevallen en ontmaskerd als een oude viezerik die stiekem naar zijn nichtjes loerde en het geld van de gemeenschap over de balk smeet.

Het contact met oom Pierre verwaterde en we zagen hem nog één keer per jaar, op zijn verjaardag. Dan zaten we met de hele familie in de refter en kregen lauwe koffie en een gebakje.

Na zijn dood, eenzaam en zonder een levende ziel in de buurt, heb ik pas beseft dat hij diepongelukkig en heel erg eenzaam moet zijn geweest. Gedwongen door zijn ouders in het klooster te gaan, de oudste zoon in een goed katholiek gezin moest immers intreden, een leven leidend dat niet zijn keuze was. Het enige goede daaraan was dat hij leraar had kunnen worden, Piet Molecuul, ik zal zijn bijnaam nooit vergeten.

Op het kerkhof, waar hij bijgezet zou worden bij alle kloosterlingen die hem al voor waren gegaan, stond ik met een gevoel van weemoed naar zijn kist te kijken. Het was een prachtige herfstdag, om de kist stonden acht mensen, mijn moeder, mijn drie zussen, drie kloosterlingen en ik. De optelsom van een lang en triest leven.

Erfenis

Het woord erfenis heeft een magische klank. Het heeft op iedereen een andere uitwerking. De een wordt direct getransformeerd van beschaafde burger in hebberige haai, de ander kan alleen met weemoed denken aan dat schilderijtje van tante Sonja waar hij met Kerst altijd naar zat te kijken. Waar zou het toch gebleven zijn?

Mijn echtgenoot stond vroeger als kind in opperste aanbidding voor de koekoeksklok van tante Tina. Zij was een verzuurde tante, die hem steevast naar buiten dirigeerde met de woorden: “mooi zoet zijn.” De koekoeksklok was de enige verzachtende omstandigheid. Iedere zondagmiddag moest hij met zijn ouders mee, zij werden samen met de zussen van zijn moeder en hun wederhelft in de houdgreep gehouden tot tante Tina vond dat het genoeg was. Later verhuisde zij naar het bejaardenhuis en werd mijn man niet meer naar buiten gestuurd. De koekoeksklok verhuisde mee. Mijn man ging nog wel eens op bezoek, tante Tina’s oneliner was inmiddels gewijzigd in “gauw terug komen hoor!”

Na op zeer hoge leeftijd het tijdelijke voor het eeuwige te hebben verwisseld, “eindelijk”, verzuchtte de familie oneerbiedig, stond op een avond mijn schoonvader voor de deur. In zijn handen een grote doos, op zijn gezicht een grijns van oor tot oor. Mijn man had de koekoeksklok geërfd. We haalden hem voorzichtig uit de doos en ontdekten dat hij al meerdere malen was gerepareerd. Met het destijds geldende wondermiddel Bisonkit. De arme koekoek hing amechtig uit zijn deurtje, door de dikke klodders lijm niet meer in staat ook maar één uur juist te duiden. Het was onze eerste erfenis en we hebben er heel veel plezier mee gehad.

Later ontdekten we dat het in de familie ook fout kon gaan. De erfenis van opa zorgde voor de nodige onenigheid. Dat deze erfenis bestond uit een half dozijn onderbroeken en 20 flessen jonge jenever deed niet ter zake. Erven is een serieuze zaak.

De leukste afwikkeling van een erfenis heb ik gezien bij een oude tante die wel contact had met de familie maar niemand toeliet in haar huis. Het moment kwam, ook zij was op zeer hoge leeftijd, dat ze de strijd moest staken. De erfenis moest geregeld worden en wij togen naar haar huis. Als kleine kinderen in een snoepjeswinkel liepen we rond. Eerst nog onwennig, niet wetend wat we tegen zouden komen, later wat meer brutaal in kasten kijkend. Het huis was afgeladen met snuisterijen, de meesten van zeer gerenommeerde merken. De verdeling ging in betrekkelijke harmonie, waarschijnlijk als gevolg van het feit dat de hele familie overdonderd was door al die bezittingen en het feit dat zij daar nu de eigenaar van waren. Van veel van de merken hadden ze waarschijnlijk nog nooit gehoord.

Door de jaren heen leerde ik dat er niets zo onvoorspelbaar is als een erfgenaam. De meest relaxte mensen veranderen op slag in hyperventilerende wezens met een waas voor de ogen. Er zijn zelfs erfgenamen die hun hele leven op hun lauweren rusten omdat pa en ma toch voor hun pensioen hebben gezorgd. Wat een schrik als blijkt dat ma er met haar nieuwe vriend ruim van gaat leven. Daar gaan de zuurverdiende centjes van pa, ma draait er met die profiteur de hele erfenis doorheen. Dat het geld in eerste instantie ook gewoon het eigendom van ma is, doet uiteraard weer niet ter zake. Erger is het nog als pa, na afscheid te hebben genomen van ma, zich verliest in een dame die ongeveer de helft van zijn leeftijd is. Die dame heeft meestal dure wensen waar pa maar al te graag aan tegemoet komt. Oh kommer en kwel, met lede ogen wordt de situatie aangezien. En de dame in kwestie opzichtig zwartmaken is ook geen optie, stel voor dat pa zijn testament verandert, dan zou de erfgenaam wel eens helemaal buiten spel gezet kunnen worden.

Mensen die hun hele leven teren op de nog te ontvangen erfenis van pa. Mensen die hun vader of moeder een poot uit draaien omdat ze recht menen te hebben op hun kindsdeel. Ik heb ze allemaal voorbij zien komen. Beschaafde mensen rollen al vechtend over elkaar heen zodra er geld in het spel komt. Families ontwricht, broers en zussen bekijken elkaar met argusogen om elkaar vervolgens nooit meer te zien. Hele vetes worden opgestart, het Kerstdiner zal nooit meer hetzelfde zijn. De nagedachtenis aan geliefden wordt volledig besmeurd. Heel bijzonder. Ik begrijp er niets van.

Maar dat komt waarschijnlijk ook doordat ik nog nooit iets heb geërfd. Nou ja, afgezien van de koekoeksklok van tante Tina dan. Maar die telt niet, want die is van slag.

Geheimen in de haven

Een paar jaar geleden vatten wij het plan op om een bootje aan te schaffen. Het was meer een opwelling dan een weldoordacht besluit, dus we investeerden geen kapitalen. Een grappig vletje, groot genoeg om met de hele familie plezier op te hebben maar te klein om serieus genomen te worden door de ‘echte’ schippers. We wisten een haventje waar het liggeld niet te hoog was en het bestuurslid dat over de verdeling van de plaatsen ging, gevoeliger was voor een vrouwenstem dan voor een mannenstem. Alles was geregeld, we konden op pad. Of beter gezegd, het havengat uit.

De eerste ervaringen waren ronduit klungelig. Wisten wij veel, het boek over vaarregels en vaarbewijzen hadden we wel doorgelezen maar een vaarkaart lezen, dat was toch weer van een heel ander kaliber. We zaten af en toe vast op plaatsen in de Biesbosch waarvan wij dachten dat je er toch echt door moest kunnen en we ontdekten dat varen op de Bergsche Maas echt een avontuur kon zijn. Beroepsvaart gaat namelijk altijd voor. En dat gaan ze ook.

Na een tijdje leerden we ook wat meer mensen in de haven kennen. Wij waren geen bedreiging, ons bootje was onbenullig, dus we werden betrekkelijk vriendelijk ontvangen. Natuurlijk heerste er ‘ons kent ons’ en mochten we ons voorlopig nergens mee bemoeien, maar aanschuiven bij de groep was prima. Van lieverlee werden we bij wat meer dingen betrokken en ook gevraagd mee te helpen bij het organiseren van activiteiten. Enthousiast gingen we aan de slag.

Maar echt, wat zijn wij van een koude kermis thuisgekomen. De meesten van de bootbezitters konden of nauwelijks het havengeld betalen of ze waren te krenterig om het te doen. Vrijwel alle activiteiten werden met argusogen bekeken. “Wat kost dat dan, en zit daar dan alles bij inbegrepen?” Hele weekenden organiseerden we voor een eigen bijdrage van 25 euro per persoon. We schooiden, onderhandelden, maakten er een complete sport van. En wat een domper dan toch weer als er werd gemopperd omdat het betalen van het havengeld niet was inbegrepen in de bijdrage. Zelfs de bitterballen werden geteld, je moest er eens een minder krijgen dan je buurman.

Het hoogtepunt van de festiviteiten vormde altijd het Havenfeest. In de zomer, gewoon in de eigen haven. ’s Ochtends vormde de viswedstrijd de aftrap. De bij elkaar gesprokkelde prijzen, bestaande uit hengeltjes, dobbertjes en ander gerei, stelden voor de geroutineerde visser niet veel voor. Helaas zorgden ze bij de prijsuitreiking toch weer voor onenigheid. Een fanatiek tienjarig vissertje had vooraf al naar een bepaald hengeltje staan kijken. Dat zou hij toch wel heel graag willen winnen. Helaas werd hij tweede en werd het hengeltje meegenomen door iemand die er ongetwijfeld niks mee ging doen. Hij had tenslotte een meer professionele uitrusting. Een opmerking van onze kant werd niet op prijs gesteld, winnen was winnen en prijs was prijs.

’s Middags werd er gedart en een biertje gedronken en de dag werd traditiegetrouw afgesloten met een grote barbecue. Gepokt en gemazeld als we waren, hadden we voor iedereen bonnetjes gemaakt met een bepaalde kleur, die ingewisseld konden worden voor een bepaald stukje vlees. Dit om te voorkomen dat degenen die het fatsoen hadden om niet als eerste bij het buffet te staan dringen zich tevreden moesten stellen met een paar speklapjes omdat de biefstukjes als eerste weg waren. Salade en brood was er in overvloed, evenals sausjes. Natuurlijk stond het iedereen vrij onderling te ruilen. We deelden, hielpen, verzamelden serviesgoed en bestek en hadden het naar onze zin. Niet eens tijd om zelf veel te eten, maar dat gaf niet. Eindelijk hadden we het voor iedereen goed geregeld, dachten we. Fout, natuurlijk. Een dame, al wat op leeftijd, behangen met goud en zilver, kwam verhaal halen. Haar man had zich ingeschreven voor de barbecue, zijn bijdrage betaald, maar had helaas vanwege maagklachten verstek moeten laten gaan. En ze wilde graag zijn bijdrage terugontvangen. Geduldig legden we uit dat dat niet ging, tenslotte hadden we voor hem ook vlees besteld en moeten betalen. Jammer dat hij er niet bij aanwezig kon zijn maar het was niet anders. Met haar hoofd hoog opgeheven vertelde ze ons dat ze dit een belachelijke reactie vond en beende weg. We keken elkaar eens aan en zuchtten. Even later stond de dame in kwestie weer voor onze neus. Met een kunststof bakje. Ze wilde dan graag het vlees voor haar man mee naar huis nemen. Tenslotte had ze daar recht op. Hikkend van het ingehouden proesten hebben we de stukjes vlees in haar bakje gelegd. Natuurlijk heb je daar recht op, wens je man smakelijk eten en laat hem uitkijken met zijn maag.

Uiteindelijk zijn we er mee gestopt, het bootje is verkocht en we hebben afscheid genomen van de haven. Gelukkig niet van alle mensen, we hebben er ook hele lieve vrienden aan overgehouden. Maar die contacten onderhouden we wel zelf. De activiteiten in de haven zijn afgeschaft. Gebrek aan belangstelling, heette het. Ach, nu kan iedereen ongestraft doen of hij de wereld te verteren heeft, zonder voor 25 euro door de mand te hoeven vallen. En zonder dat wij ons er aan hoeven te ergeren.

Toiletmanieren

Als fervent kampeerder hebben wij regelmatig de zogenaamde “doortrekkerscampings” aangedaan. Veelal grote grasvelden, systematisch verdeeld in rechthoekige vlakken, daardoor vreselijk ongezellig maar wel efficiënt. De kampwinkel is of heel goed uitgerust of geheel afwezig. Het zijn echt campings waar je ’s avonds oprijdt en ’s ochtends weer heel hard af. Maar, gelegen vlak aan de snelweg, dus makkelijk te vinden en over het algemeen niet al te duur.

Wij bezochten deze gelegenheden in het voor- en in het naseizoen. Als je zonder kinderen bent, kun je de grote drukte mijden en wat rustiger op pad gaan. Dit betekent wel dat je samen rijdt met de grijze golf, zoals wij dat altijd noemden. Man en vrouw, lid van de ANWB, daardoor ook gekleed in eendere Human Nature afritsbroek en dito fleece-trui. Caravan, doorschuifluifel “voor die ene avond” en een extra dweiltje op het opstapje. Om de viezigheid van de camping in ieder geval buiten de deur te houden.

De stoelen worden neergezet en de omgeving wordt laatdunkend geobserveerd. In de tijd dat wij met mijn zus en zwager gingen, werden wij ook vaak met een misprijzende blik bekeken. Wij kwamen nl. aanrijden, trokken de handrem op de caravan en een fles wijn open. Wat nou luifel, als het regende gaan we wel binnen zitten. Eten koken deden we al helemaal niet en van een dweiltje op het opstapje hadden we nog nooit gehoord. Na de vakantie een bezem door de caravan en het was weer klaar voor de volgende keer.

Wat we wel altijd deden, was ’s avonds douchen. Meestal waren deze campings uitgerust met een prima sanitair. Een van de vereisten voor een vermelding in de ANWB-gids, dus belangrijk. In de avond was hier ook helemaal niks mee aan de hand, prima schoon, prima te doen. We gingen traditiegetrouw met zijn vieren naar het badgebouw, al kletsend en lachend. Ons onderweg verkneukelend over al die Nederlanders met hun meegebrachte etenswaren.

Wij waren ook niet van de duizend kilometer per dag. Nee, alsjeblieft zeg, het is geen wedstrijd. De eerste dag reden we zeshonderd kilometer, of zevenhonderd kilometer, zodat we de dag er na naar de Ardèche nog maar een goede driehonderd kilometer hoefden te rijden. Voor ons dus ook niet de noodzaak om bij nacht en ontij weer uit bed te moeten. Meestal sliepen we tot een uur of negen waarna we op ons gemak gingen ontbijten. De meeste campinggasten waren dan al vertrokken of in complete stress omdat ze veel te laat waren voor hun gevoel. Het is natuurlijk wel zaak op tijd op de bestemming aan te komen. Tenslotte moeten voortent en luifel nog opgezet worden. Anders kunnen de piepers niet geschild en de boontjes niet gedopt worden. De camping lag er dan op zo’n ochtend verlaten bij.

Wij pakten op ons gemak de spullen in en bezochten nog een keer het badgebouw. Wat de avond van te voren nog een keurige frisse ruimte was, lag er nu bij als een slagveld. Overal troep, de grond bezaaid met papieren handdoekjes, toiletpapier, proppen. Lege tubes en halve flessen badschuim achteloos weggesmeten. En dat was dan nog het minst erge. Menig keer heb ik gedacht bij het openen van een toiletdeur “nee dank u, ik zweet het wel uit.” Wat me dan toch iedere keer weer trof, was dat we de avond er voor alleen volwassenen waren tegen gekomen. Volwassenen, zonder kinderen, meestal in de leeftijd boven 55 jaar. Verantwoorde volwassenen met hun mond vol over hoe het allemaal moet en wat andere mensen allemaal verkeerd doen. Ik heb het nooit begrepen.

Maar als ik dan terug in Nederland van die starre grijze duiven weer hoor blaten over de jeugd van tegenwoordig en hoe die nergens meer respect voor heeft, dan denk ik altijd nog terug aan die campings, halverwege Frankrijk. En ik doe er het zwijgen toe.

 

Handig

Ken je dat, dat je man je heel meewarig aankijkt en dan die ellendige blisterverpakking met een handig gebaar openmaakt. Waar jij al ongeveer tien minuten mee zit te tobben. Of dat je zus je al een tijdje zit te volgen en dan met een zucht van je mislukte groenstukje een prachtig boeket maakt. Terwijl je er zo je best op hebt gedaan. Zo maar, met een paar handelingen. Het lijkt allemaal zo simpel, in je hoofd ziet het er prachtig uit, maar oh oh als je het moet uitvoeren, met je handen.

Ik ben geboren met een natuurlijke onhandigheid. Dat begon al vroeg. Ik weet nog dat ik mijn vader organist was in de kerk. En als klein kind moesten wij dan van mijn moeder mee, op zondag. Waarschijnlijk zodat zij dan het huis een uurtje voor zichzelf had, maar goed. Mij werd gevraagd een oude dame in een rolstoel mee naar buiten te rijden, de kerk uit. Goh, ik heb nog nooit iemand zo horen schelden. Ik dacht toen nog dat oude vrouwtjes altijd heel lief waren. Nou kon ze zich nog net op tijd vastklemmen aan haar leuningen, anders was ze languit uit de stoel gevallen, dus ik denk dat ze wel erg geschrokken was. Maar ik ook. Niemand had mij namelijk verteld dat je bij een drempel die rolstoel eerst naar achter moest kantelen. Mijn zorgcarrière werd daar al in de kiem gesmoord.

Het kerststukje dat ik maakte, samen met mijn collega-jeugdnatuurwacht-kinderen, werd door de mevrouw aan wie ik het aanbood bot geweigerd. Nu viel er ook de grootste dennentak uit, net toen ze de deur open deed, maar ze had toch nog wel een beetje consideratie kunnen hebben. Tenslotte had ik wel mijn best gedaan.

Helaas is het later nooit veel beter geworden. Geef mij drie dingen in mijn handen, twee waardeloze en één dure, en ik zal altijd het dure stuk laten vallen. Ik weet nog goed dat ik met mijn handen vol, mijn tas, mijn sleutels en de nieuwe autoradio van mijn man, voor de voordeur stond om die op slot te doen. Iets kon ik niet meer vasthouden. En inderdaad, het was de dure autoradio die op de steentjes kletterde. Volledig krom, met geen paard meer in de slede te krijgen.

Ik kan er heel boos om worden, op mezelf. Niet zozeer om het feit dat mijn zus veel creatiever is dan ik en van niks echt iets heel moois kan maken. Dat gun ik haar volledig, ze geeft tenslotte ook met een ruim hart haar creaties weg. Of omdat mijn man ook nooit boos wordt, als ik weer eens iets kapot heb gemaakt. Nee, omdat ik dan zo vreselijk sta te klunsen, terwijl de hele wereld dat simpele ding wel in een handomdraai voor elkaar krijgt. En ik niet kan begrijpen waarom ik dat dan niet kan.

Ook toen mijn schoonvader wat hulpbehoevender werd, hield de familie zijn hart vast. Want wat zou er gebeuren als ik een deel van die zorg op me zou moeten nemen. Ik zegen dat dames van de thuiszorg, die met handige routine de steunkousen van mijn schoonvader in een ommezientje uit hebben. Ik zou minstens een paar kousen in de week verslijten. Oeps, weer een ladder er in. Ik weet zeker dat de zorgverzekering vragen zou gaan stellen.

Nee, ik laat de mantelzorg graag aan de professionals over. Alle lof en respect voor die dames. Mijn schoonvader heeft voor mij een andere taak gevonden. Alle schrijvens die hij krijgt, van zorgverzekering, gemeente of andere instellingen, die mag ik beantwoorden. Of achter de vodden zitten, net naar gelang er nodig is. Regelmatig belt hij met de melding “dat hij weer een brief heeft gekregen” en of ik dan maar even actie wil nemen. Vaak zijn het betrekkelijk simpele zaken, die hij volgens mij best zelf kan oplossen. Ik verdenk hem er van dat ook hij denkt “dan krijgt ze tenminste het gevoel dat ze me helpt.” Ach, en ik doe het graag voor hem. Het geeft mij inderdaad het gevoel toch nog een beetje van nut te zijn.

Langs de kant van de weg…..

Wat je toch af en toe langs de weg ziet liggen. Onvoorstelbaar. Troep, bekertjes, blikjes, sommige mensen denken dat de wereld een grote afvalcontainer is. En zij hoeven hem niet te legen.

Maar soms valt je oog op iets dat fascineert. Zo kan mijn fantasie altijd op hol slaan als ik een enkele schoen zie liggen. Dat gebeurt best vaak, let er maar eens op. Meestal een herenschoen, waarschijnlijk gedragen door iemand die voor zijn beroep veel moet lopen. Die schoen heeft een verleden, hij is mishandeld door degene die hem droeg. Dat kun je zien. De eigenaar is er niet lichtzinnig mee omgegaan, er is tegen zware dingen geschopt, op ruwe dingen geklommen. Deze schoen heeft het zwaar te verduren gehad. En nu ligt hij hier, afgedankt, langs de kant van de weg.

Je vraagt je dan toch serieus af hoe dat kan. Hoe kan iemand nu één schoen verliezen. Doet hij even zijn schoenen uit, omdat hij warme of zere voeten heeft? En vervolgt hij dan verder zijn weg om er na een paar kilometer achter te komen dat hij iets mist? Ik stel me voor dat de schoenen van een beroepschauffeur zijn. Zet die dan zijn schoenen op zijn vrachtwagen en rijdt weg? Om er vervolgens bij de volgende stop achter te komen dat hij een schoen verloren is? Heeft een chauffeur dan tijdens zijn rit meerdere paren schoenen bij zich? En wat doet hij dan met die overgebleven schoen? Gooit hij die weg? Want bij sokken lukt het soms wel, maar bij schoenen is het niet mogelijk een gelijk paar te kopen en een schoen in reserve te houden.

Het fascineert me. Al die ervaringen van de mensen die hun brood verdienen door ’s ochtends ergens heen te rijden. Naar een kantoor, waar ze achter een bureau gaan zitten met collega’s. Of naar een klant, waar zij na een uur weer vandaan gaan. Ieder op zijn eigen manier.

Al die bewegingen, al dat krioelen van die mensen die iedere dag weer onderweg zijn. Ergens naar toe. In die mierenhoop die wij wereld noemen. Allemaal belangrijk, allemaal de eerste. Zo druk bezig dat hun wegen vaak alleen nog maar parallel langs elkaar lopen. Te druk om naar elkaar te kijken en vooral te druk om naar elkaar te luisteren.

Mensen met krassen, die niet lichtzinnig zijn behandeld en het zwaar te verduren hebben gehad. Mensen die de krassen hebben gemaakt, door hun onnadenkendheid of door hun egoïsme. Die niet nadenken over hoe ze anderen behandelen, die zo maar ineens tot de ontdekking kunnen komen dat ze iemand vergeten zijn. Iemand die misschien wat langzamer is en niet zo heel snel mee kan. “Ach, hoe zou het er toch mee zijn.” Om vervolgens weer met dezelfde vaart hun weg te vervolgen. Tenslotte moet ieder voor zichzelf zorgen. Het recht van de sterkste geldt nog altijd. Maar dat blijkt toch uiteindelijk wel een heel eenzaam recht.

Soms is zo’n mens dan ook ineens weg. Zomaar. Afgelopen. Iemands broer, iemands zoon. Weer een diepe kras gemaakt. De achtergeblevenen moeten weer proberen rechtop te gaan staan, schouders recht, hoofd omhoog. Terwijl ze eigenlijk veel liever met de dekens over hun hoofd die oneerlijke wereld willen vergeten. Gewoon weer als kind, in hun zelfgebouwde schuilhut, met hun kleurpotloden en hun knuffels. Niet na hoeven denken hoe ze met zo’n enorm verlies om zullen gaan. Hoe het nu verder moet zonder die gewoonte om hun broer iedere dag even een berichtje te sturen. Zomaar, om te vragen hoe het gaat. Want het gaat niet meer, nooit meer. Als je een broer of zus verliest, verlies je een stuk van jezelf. En dat heelt nooit meer.

Misschien dat het daarom zo belangrijk is een keer stil te staan bij de mensen die we al een tijd niet hebben gesproken of gezien. Zomaar even informeren hoe het gaat. Misschien even de eenzaamheid doorbreken. Zodat een mens geen schoen wordt, die verloren en afgedankt ligt in de goot langs de weg.