Efteling

Met mijn ouders woonde ik in mijn jeugd in het plaatsje waar ook de Efteling is gevestigd. Als inwoners waren wij bovenmatig trots op dit geweldige pretpark. Ik weet nog dat we van school uit zwemles hadden in het buitenbad dat de Efteling toen nog had. Het water was niet verwarmd, als het 14 graden was gingen we zwemmen. Wat heb ik daar een kou geleden, onvoorstelbaar.

Later mocht ik weleens mee met een vriendinnetje. Haar vader was werkzaam bij het pretpark en verantwoordelijk voor een groot aantal attracties. Ik weet nog dat we in het spookslot stonden, nog in aanbouw, en keken naar de grote vinger waar later een kroonluchter aan zou bengelen. Mijn, toen al immense, fantasie sloeg direct op hol. Het is altijd mijn meest favoriete plaats van het park gebleven.

Natuurlijk heb ook ik later vakantiewerk gedaan in het park. Dat deden we allemaal, de kinderen uit het dorp. We kregen een uniform en begonnen ’s ochtends eerst met het vegen van de omgeving van de attractie waar we die dag stonden. ’s Avonds was je doodmoe van het helpen van de gasten, het blijven lachen en het harde werken. Maar voor we weg mochten, werd eerst weer de hele omgeving van de attractie geveegd. Het park moest schoon blijven.

Ook als volwassene kom ik nog graag terug. Het sprookjesbos, de prachtig aangelegde bloemenborders. Geweldig om te zien hoe kinderen kunnen genieten en griezelen. Die verwachtingsvolle gezichtjes met rode wangen van de spanning. De Fata Morgana, Villa Volta, de geweldige verhalen die verteld worden. Je kunt zien dat het park met veel zorg en liefde wordt ontworpen en onderhouden.

Het enige irritante aan sommige attracties, is het muziekje dat er wordt gespeeld. Je raakt het de hele dag niet meer kwijt.

En nu, nu liggen die attracties onder vuur. Omdat zij discriminerend zouden zijn. De Efteling gaat luisteren naar de argumenten van de actiegroep. Ik ben eigenlijk wel heel benieuwd wat die argumenten zijn. Als de fantasie van kinderen al niet meer geprikkeld mag worden, wat mag er dan eigenlijk nog wel. Gaat het niet veel te ver om overal iets slechts in te zien, is er dan ook niet iets mis met de manier waarop je zelf naar de wereld kijkt?

Uiterlijk vertoon

Kamperen is voor mij een zegen. Als ik ’s ochtends de hond uitlaat op de camping, en ik weet zeker dat ik niemand tegen ga komen, dan loop ik in mijn rubberlaarzen. Als ik ’s avonds tanden ga poetsen en het heeft overdag geregend, dan heb ik mijn groene regenjas aan. Ook weer samen met die rubberlaarzen. Ik zie er dan namelijk niet uit. Mijn krullen zijn een heel eigen leven gaan leiden, mijn spijkerbroek zit vol vegen van mijn overenthousiaste hond.

Hoe is het dan toch mogelijk dat ik dan bij de toiletten iemand tegenkom die helemaal gemaquilleerd is en er tiptop uit ziet. Er zit zelfs geen modder op haar lichte schoentjes. En dat terwijl ik op mijn deel van de heenweg om de plassen heb moeten slalommen. “Dat komt omdat jij nou nooit eens uitkijkt”, zou mijn moeder verwijtend zeggen. En het klopt, ik ben daarin redelijk onbesuisd.

Waarom kan ik dat niveau van ‘appearance’ nou nooit eens bereiken. Als ik me onbespied waan, zie ik er uit als een vogelverschrikker. En natuurlijk kom ik dan iemand tegen die ik niet had verwacht. Uiteraard een bekende en meestal iemand die er ook moeiteloos onberispelijk uit kan zien. En die je dan ook een, voor je gevoel, uur aan de praat houdt over koetjes en kalfjes. En jij je maar pijnlijk bewust zijn van hoe je er uit ziet. Je voelt gewoon je haar alle kanten uit gaan pieken. Gewoon weglopen is ook zo onbeleefd dus je blijft keurig in gesprek. Als de kwelling eindelijk voorbij is en er zo ongeveer een schroeiplek moet zijn ontstaan op de plaats waar je stond, kijk je met een zucht de ander na. Nee, een salonfiguur zul je nooit worden. Helaas.

Die mensen hebben ook nooit blauwe plekken of schrammen. Terwijl ik niet compleet ben zonder. Dat komt ook weer door die eerder genoemde onbesuisdheid, maar toch. En eerlijk is eerlijk, iedere vrouw wil er aantrekkelijk uitzien. Noem het een misser in onze karakters, het is wel een gegeven waar we rekening mee moeten houden. En we doen het niet eens zo zeer om de mannelijke bevolking te behagen. Wel nee, we doen het omdat we niet willen onderdoen voor onze vrouwelijke collega’s. De meeste mannen houden ook helemaal niet van een graatmager model. Het feit dat wij vrouwen ons met liefde en plezier uithongeren wordt veroorzaakt door onze eigen rivaliteit ten opzichte van onze vriendinnen.

Wij lopen door de stad en bezien alle andere vrouwen met een kritische blik. Hoe dik is zij, hoe goed past die skinny jeans haar? “Nee hoor” zeggen we zelfverzekerd “ik doe niet aan de lijn, mijn lijf is goed zoals het is.” Huh huh, maar ondertussen staan we ’s ochtends voor de spiegel en nemen ons voor vandaag minder te eten. Het beste zou zijn helemaal niet. Als een fotomodel zouden wij ook op een enkel blaadje sla willen leven. Helaas past dat dan weer niet bij het leven dat wij leiden en het werk dat we moeten doen. Halverwege de ochtend vertelt onze maag ons zonder omwegen dat er voeding in moet, omdat we anders om gaan vallen.

We hebben altijd onze mond vol over emancipatie en hoe vrouwen zich moeten ontwikkelen. Maar als een vrouw dat dan probeert en boven het maaiveld uit komt, zijn het echt niet de mannen die als eerste proberen de vrouw terug op haar plaats te zetten. Meestal zijn het vrouwen in haar omgeving die achter haar rug om proberen haar opmars te stuiten. Want daar zijn wij vrouwen ook meester in, in het achter iemands rug om dingen voor elkaar boksen. “Wie denkt zij wel dat ze is. ”Misschien komt het gewoon voort uit onzekerheid, want als andere vrouwen geëmancipeerd zijn en hun leven inrichten zoals ze zelf willen, dan moet jij dat misschien ook gaan doen. Dan heb je geen excuus meer.

Daarom schaam ik me in mijn hart ook eigenlijk helemaal niet voor mijn vogelverschrikker-outfit. Ik ben wie ik ben en daar ben ik trots op. 

Mensen kijken

Ik word blij van mensen kijken. Dat hoeft niet eens per se op een terras te zijn, onder het genot van een drankje. Als ik in de auto zit, op weg naar iets wat ik weer moet, kan ik fantaseren over de mensen die ik tegen kom. Die oude man, die zo heel vergenoegd een broodje zit te eten op een bankje. Je ziet hem genieten.

Ik zie een jong meisje een hond uitlaten. Waarschijnlijk is het nog een jong beest, hij springt enthousiast om de benen van het meisje. Zij probeert hem hulpeloos in bedwang te houden, niet bekend met het feit dat ze rust moet uitstralen om de hond ook wat minder hyper te maken. Het geeft niet, ze houden van elkaar, dat zie je zo.

En zwaar gemaquilleerde vrouw zit naast mij in de auto als ik bij het stoplicht sta. Zij rijdt een populaire SUV, waarschijnlijk een kadootje van haar man. Als zij nou niet zeurt als hij een keer de secretaresse meeneemt, dan klaagt hij niet als ze iets te veel geld uitgeeft. “Ga maar lekker naar de schoonheidsspecialiste, laat je maar lekker verwennen”. Dat doe ik dat ook bij mijn secretaresse, hij zegt het niet maar je hoort het hem denken. Het tekent zich ook op het gezicht van de vrouw, de meest dure foundation kan haar chagrijn niet verbloemen.

Daar loopt een man met afhangende schouders. Je ziet het leed van de wereld op zijn schouders drukken. Hij sjokt en sukkelt voort, de triestheid straalt van hem af. Wat zou het zijn, heeft hij een slecht huwelijk, heeft zijn werkgever hem verteld dat het bedrijf het zonder hem gaat proberen? Ik weet het niet. Mijn fantasie slaat op hol, misschien heeft hij wel zojuist zijn hond, zijn beste maatje, bij de dierenarts achter moeten laten. Ach, de arme man, wat een verdriet.

Wat te denken van die ongeduldig wachtende man bij het stoplicht. Strak in het pak kijkt hij alsof hij niet begrijpt waar het stoplicht de brutaliteit vandaan haalt om hem te laten wachten. Hem, die het zo druk heeft, met zaken, met belangrijk zijn. Hij is blij met zichzelf en verwacht daarom ook respect van zijn omgeving. Arme man, wat zal hij ooit keihard tegen een muur aan lopen. Want dergelijk gedrag blijft nooit ongestraft.

Het gaat onbewust, ik doe het altijd. En dan vraag ik me af, zouden andere mensen dat ook doen? En zouden ze dan ook naar mij kijken? En wat zouden ze dan denken? Dat zou ik nou wel graag willen weten.

Sport verbroedert

Er is niets dat mensen zo verbroedert als sport. Het gevoel van saamhorigheid bij het aanmoedigen van de gezamenlijke sporthelden is onvergelijkbaar. Onoverwinnelijk ook. Mensen die in het dagelijks leven niets met elkaar hebben, staan schouder aan schouder hun held naar de overwinning te schreeuwen. Handen worden geheven in euforie, de prestatie van de collectieve sportman straalt af op iedere individuele toeschouwer. Vandaag is iedereen een held.

De sport die de lijst aanvoert qua broederschap is het voetbal. Een mooie sport, waarbij kracht en tactisch inzicht beiden vereist zijn voor het bereiken van de top. Het is een vergissing te denken dat iedereen met voetbalschoenen de carrière van Johan Cruijff ook maar bij benadering kan evenaren. Het is niet iedereen gegeven het spel te doorgronden. Hiervoor is inzicht nodig, en discipline.

De mooie voetbalsport mag zich dan ook verheugen in een grote schare fans. Trouwe aanhangers die alle grote evenementen volgen. Waar ook ter wereld ‘hun’ club speelt, zij boeken een vliegticket, stappen in de trein en zijn erbij. Ook nu weer, nu de Europese Kampioenschappen worden gespeeld. Voetbalteams spelen ín het stadion om de eer, buiten strijden de supporters. Of het nu Russen zijn, of Engelsen, schouder aan schouder staan zij om de wereld te tonen dat zij staan voor hun club. De rijen worden gesloten, de vuisten gebald, klaar om de strijd aan te gaan. Gezamenlijk trekken zij op naar de plaats waar zij hun helden weten. Alles wat de weg verspert, wordt meedogenloos aan de kant gezet. Geschopt, geslagen, getrokken, gezeuld. Zij zijn het legioen, zij zijn onoverwinnelijk. Ergens, meestal in het centrum van de stad, komen zij de supporters van de andere partij tegen. De vijand. Een siddering gaat door de gespannen lijven, de adrenaline suist. Er klinkt een woest gehuil en de strijd barst los. Geschrokken ordebewakers staan versteld van de explosie en proberen met man en macht de orde te herstellen. Dat lukt pas na het inzetten van grof geweld. Ten koste van veel gewonden en veel schade. De stad likt zijn wonden.

’s Avonds in het hotel verzorgen de aanhangers elkaars wonden. Schrammen, bulten, snijwonden, het wordt verzorgd door stoere mannen die niet zeuren. Zij drinken gezamenlijk bier en zingen nogmaals het clublied. De eer van de club is verdedigd, zij mogen trots zijn op elkaar. Tevreden kijken de leiders rond. Zij knikken naar elkaar “morgen weer?” “Ja, de strijd is nog lang niet gestreden, morgen weer…”

Discussie

Heel lang geleden schreef Amy Groskamp ten Have een boek. Dat boek had de titel “Hoe hoort het eigenlijk”. Het was een richtlijn voor mensen die geen blunders wilden maken. Uiteraard vinden wij nu een aantal zaken vreselijk achterhaald. Wij praten niet meer over gepaste afstand en als wij een etentje geven, vinden wij het prima dat de gasten zelf een plaatsje zoeken aan tafel. We zijn makkelijker geworden en dat is misschien ook wel heel fijn. Tenslotte zijn die regeltjes alleen maar lastig, vooral als je ze niet allemaal uit je hoofd kent. In die zin is het leven voor de moderne mens een stuk makkelijker geworden.

Een hoofdstuk in haar boek heet echter “Debat – discussie – dispuut”. En een alinea daaruit luidt “Een dispuut is een redetwist, theoretische vragen betreffende. Bij alle drie vindt men een meening tegenover zich, strijdig met de eigen meening en is het zaak den tegenstander handig – scherp gevat en welsprekend te overtuigen.”

Er zijn op dit moment veel discussies gaande. Over de meest uiteenlopende onderwerpen. Zwarte piet, vluchtelingen, noem het en er zijn voor- en tegenstanders. Er wordt met de meest vreselijke modder gegooid. Uiteindelijk wordt uit het oog verloren waar het eigenlijk om gaat. Mensen lijken hun frustraties kwijt te moeten en vinden in het internet en de social media een dankbare uitlaatklep. Mensen die het lef hebben hun mening te verkondigen worden met modder besmeurd of, nog erger, bedreigd met de meest vreselijke dingen. Er lijkt geen enkel respect meer te zijn voor mensen die nog het lef hebben voor hun mening uit te komen. Wat die mening dan ook is.

Goede manieren worden alleen nog verkondigd door een potsierlijk uitgedoste Jort Kelder die ons wil laten zien hoe de rich and famous beter zijn dan de gewone mens. Leuk om naar te kijken misschien maar eigenlijk van nul en generlei waarde. Tenslotte brengt hij alleen de hele veilige onderwerpen ter sprake. Van een echte mening is geen sprake.

De volgende alinea in het boek is “Men wachtte zich echter onder alle omstandigheden voor het verliezen van zelfbeheersching, voor persoonlijke aanvallen, grofheden en indirecte beschuldigingen aan het adres van den tegenstander.Nimmer mag een debat, discussie of dispuut ontaarden in een op heftige ruzietoon gevoerd gesprek, waarbij de deelnemers elkaar beleedigingen naar het hoofd slingeren.Voor den beschaafden mensch is noch debat, noch discussie, noch dispuut een dekmantel voor een onheusche bejegening van derden en voor het plaatsen van onaangenaamheden aan het adres van anderen.”

Waarschijnlijk zou het boek in deze tijd worden weggehoond. Ik ben ik en ik zeg wat ik wil. Dat is mijn goed recht. En ik heb er ook het medium voor. Iedereen gaat voor zijn eigen minute of fame. Of er daardoor mensen worden gekwetst, is absoluut niet belangrijk. Er worden spotprenten gepost, dreigementen geuit, beledigingen zijn aan de orde van de dag. Het is de nieuwe realiteit, leer er maar mee leven.

Ik wil geen lans breken voor een terugkeer naar vroeger, absoluut niet. Vroeger was alles niet beter, ik ben gelukkig in de moderne tijd. Maar dan vind ik het toch wel jammer dat sommige van die oude regels hun waarde hebben verloren.

 

Het beloofde land

In 1492 zette Christoffel Columbus de eerste stappen op het continent dat later aangeduid zou worden als ‘de nieuwe wereld’. Het was oktober, herfst, dus de toen nog ongerepte natuur moet er spectaculair uitgezien hebben. Wat zullen de eerste avonturiers zich onoverwinnelijk gevoeld hebben. Een heel nieuw land, wachtend om ontgonnen te worden. Gelukszoekers uit Europa trokken in groten getale naar het beloofde land. Daar zouden ze het helemaal gaan maken. En dat de inheemse bevolking het daar niet mee eens was, dat was bijzaak. In een reservaat met die indianen.

Nu, meer dan 500 jaar later, staat Amerika aan de vooravond van bijzondere presidentsverkiezingen. Als Europeaan volg ik de ontwikkelingen van afstand maar wel met interesse. Zou het dan echt gaan gebeuren, zou de man die in zijn leven al meer mensen heeft beledigd dan Theo Maassen en Hans Teeuwen bij elkaar, president worden?

Het is een bijzondere man, dat wel. Zijn echt-Amerikaanse roots liggen in Duitsland, via zijn vader, en in Schotland, via zijn moeder. Toch is hij volgens hemzelf de belichaming van de Amerikaanse droom. Hij is wat Amerika nodig heeft om weer groot te worden.

“De Verenigde Staten zijn een vuilnisbelt geworden voor de problemen van alle anderen.“ Andere landen sturen volgens hem hun avonturiers richting Amerika, rovers, dieven, verkrachters, gelukzoekers. Hé, gelukzoekers, waren dat niet die mensen die Amerika groot hebben gemaakt? Oh nee, dat was anders. Dat is waar. Daarom is hij toch van plan een groot hek te plaatsen tussen Amerika en Mexico. Voorkomen is beter dan genezen.

Toch bijzonder voor iemand die getrouwd is met een buitenlandse vrouw. Hoewel ook zij daar zelf anders over denkt. Ook zij is ervan overtuigd dat Donald het land weer groot gaat maken.

Gelukkig heeft Trump overal verstand van, van het inenten van je kinderen worden ze autistisch, de opwarming van de aarde is grote onzin en als je zaken wilt doen, moet je dat doen op zijn onnavolgbare wijze. Gelukkig is failliet gaan in Amerika geen schande, ook niet als het twee keer gebeurt. Ook heeft hij oog voor vrouwelijk schoon, de schoonheidswedstrijden Miss USA en Miss Universe zijn als sinds 1996 zijn eigendom. Wel jammer dat een aantal televisiezenders niet meer met hem willen samenwerken. Zij vinden zijn uitlatingen toch iets te bar.

Toch heeft hij ook aanhang. Zeker in de kringen van de wapenlobby. Het grondrechtelijk recht van iedere Amerikaanse burger om zichzelf te mogen verdedigen. Door middel van het dragen van een wapen. Wel jammer dat dat recht door mensen met problemen vaak misbruikt wordt door een bloedbad aan te richten. Bij voorkeur op universiteiten waar jonge mensen nog een hele toekomst voor zich hebben. Of kleine kinderen die in het nachtkastje van papa een heel spannend speeltje vinden. En daarna een levenslang trauma overhouden aan het aanzicht van hun dode broertje of zusje.

Ik ben heel benieuwd hoe het allemaal gaat lopen, in november. Onderschat de Amerikanen niet, zij hebben al heel wat vreemde dingen laten gebeuren.

Zie je ze al samen staan, Geert Wilders en Donald Trump. Ik weet zeker dat de internationale kappersassociatie met jeukende handen staat. Nee, ik hoop toch echt dat de machtigste man ter wereld een vrouw wordt.

 

 

Jeugdliefde

Ik zal vier, hooguit vijf jaar oud geweest zijn, toen ik een deel van mijn toekomst al compleet had uitgestippeld. Ik had namelijk op dat moment al besloten met wie ik zou trouwen en de rest van mijn leven zou doorbrengen. Ik meen mij te herinneren dat de jongeman in kwestie het destijds met mijn plannen eens was. Maar het kan ook zijn dat mijn voortvarendheid hem de mond snoerde, ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat wij onafscheidelijk waren. Ik denk dat we even oud waren, misschien was hij een jaartje ouder, maar meer zeker niet. We zaten immers samen op de kleuterschool. En een prettige bijkomstigheid was dat hij samen met zijn ouders en oudere broer een paar huizen verwijderd van mijn ouderlijk huis woonde. Dit vergemakkelijkte het contact enorm. Lees verder

Gewoon eten kopen van dat geld

Vroeger als kind had ik een heel eenvoudig idee, we stopten gewoon met wapens kopen. En van dat geld dat er dan over bleef, kochten we eten voor de mensen in de landen waar dat nodig was. Het leek me een zuivere win-win situatie. Geen ellende meer en geen honger meer. Want ik dacht dat de oorlogen dan vanzelf wel op zouden houden, mensen konden elkaar immers niet meer dood maken.

Tegenwoordig weet ik dat het niet zo eenvoudig is. De wapens zijn een gevolg, en geen oorzaak. En aan honger kun je geen geld verdienen. Dus is het niet belangrijk. We worden immuun voor de beelden van kleine kinderen die met holle ogen in de lens van de camera kijken. Twee minuten later begint de zoveelste talentenjacht en zijn we de hongerbuikjes weer vergeten. Rampen in Afrika zijn ver van ons bed, een aanslag in het Midden-Oosten is heel erg, maar vooral voor de toeristen die daar op vakantie waren.

Tot ineens, de aanslagen griezelig dichtbij kwamen. Eerst Parijs, daarna Brussel. Steden die we kenden, waar we zelfs vrienden of kennissen hadden wonen. De Westerse wereld stond op zijn kop. Maatregelen moesten er getroffen worden, terroristen opgespoord en streng gestraft. Onvoorstelbaar, zomaar in onze eigen achtertuin. Er werd om het hardst geschreeuwd dat er fouten waren gemaakt, door alle instanties waarvan wij dachten dat ze er wat mee te maken hadden. Ministers moesten vragen beantwoorden, de grenzen moesten dicht!

Maar als de angst regeert, is er geen ruimte meer voor dialoog. En dan worden de grootste schreeuwers als we niet uitkijken het eerste gehoord. Maar hebben die dan de oplossing, of gaan die zoals gewoonlijk voor hun eigen gewin? Niet dat ik de oplossing heb, absoluut niet. Maar klakkeloos alle grenzen sluiten lijkt me geen goed idee. Tenslotte woonden de plegers van de aanslagen in Brussel in diezelfde gemeente. Al jaren.

Misschien is het dan nu eindelijk eens tijd om te gaan samenwerken. Gewoon over de eigen schaduw heen stappen en kijken wie wat het beste kan en hoe we de zaken het beste kunnen verdelen. Tenslotte hebben alle landen wel een eigen specialiteit. En er wordt vaak genoeg vergaderd. Het zou niet zo heel moeilijk hoeven zijn, toch? Of denk ik er, net als ik vroeger deed, toch weer veel te eenvoudig over. En stoppen we eerder met het kopen van wapens dan dat we over onze eigen schaduw stappen……

 

 

Manisch

Mijn schoonmoeder was manisch depressief. De diagnose werd pas heel laat gesteld. “Weemoedig”, noemde zij het zelf. En daar ging je niet mee naar de huisarts, dat liet je gewoon gebeuren. In de manische periodes was ze immers toch heel gelukkig. Als wij bij mijn schoonouders kwamen, en ma stond in de keuken uitbundig te zingen, riep mijn schoonvader altijd dat het heel goed ging. Wij knepen echter onze tenen bij elkaar en wachtten op de terugval.

Een manische periode was sowieso geen feest. Ik zie zo weer het stomverbaasde gezicht voor me van de standwerker die zijn nieuwste groente rasp stond te demonstreren. De wortelsliertjes die naast het apparaatje op een bord vielen, werden door mijn schoonmoeder gretig verslonden. “Ma!” ”Wat, dat vindt die man helemaal niet erg.” Nee, die man was veel te verbouwereerd om er wat van te zeggen.

Of die boer, waar mijn schoonmoeder toen ze bij een vriendin op de boerencamping logeerde, iedere morgen om half zes aan de koffie schoof. “Dat vindt die man goed hoor, anders zegt hij er wel iets van.” Waarschijnlijk koesterde de man een ieder jaar terugkerende campinggast en nam hij mijn schoonmoeder daarom maar voor lief. Als boerendochter hielp ze hem ook graag bij het verzorgen van de schapen. Ik weet niet of hij dat prettig vond, mijn schoonmoeder heeft het hem nooit gevraagd.

Ze bracht ook veel cadeaus voor ons mee. Spullen waar we niks mee konden maar die we, gezien de prijs op het kaartje, ook weer niet klakkeloos in de vuilbak wilden gooien. Het was een lastige spagaat. Ik, als schoondochter, kon helemaal niet veel goed doen. Ik wist het immers toch altijd beter. Nu was dat helemaal niet zo, maar in een dergelijke periode is iemand die nog wel nuchter kan nadenken altijd een bedreiging.

De manische perioden werden ook afgewisseld met intens verdrietige perioden. Weken waarin mijn schoonmoeder niet van de bank kwam. Haar huis, waar ze altijd zo trots op was, werd door haar verwaarloosd en ze kon het niet eens opbrengen om een maaltijd op tafel te zetten. De huisarts schreef medicijnen voor maar ook deze man werd afgesnauwd en niet geloofd. Wel zocht ze haar heil bij mooi pratende kwakzalvers. Mensen die haar beloofden van de pijn af te komen. Niet dat ze hadden onderzocht waar die pijn vandaan kwam, dat niet. Handenvol geld gaf zij hier aan uit, wanhopig op zoek naar een oplossing. Niet alleen zij ging ver, de prutser die haar beloofde via een antenne, gericht op haar huis, haar aardstralen te onderbreken, ging wat ons betreft ook veel te ver.

Later gingen de hyperactieve perioden over in agressie. Met schrik in het hart gingen wij bij haar op bezoek. Wat soms begon als een onschuldig gesprek, kon in een seconde omslaan in de meest heftige verwijten. Mijn schoonvader heeft in die periode heel wat naar zijn hoofd geslingerd gekregen. Wij ook, maar wij konden weer naar huis. Vrienden en kennissen begonnen weg te blijven, ook zij werden regelmatig afgesnauwd en verwenst. Een avondje gezellig keuvelen zat er niet meer in. Er hoefde maar iets te gebeuren en de sfeer werd direct dreigend.

Mijn schoonmoeder had niet in de gaten dat zij zelf door haar gedrag de mensen wegjoeg. Ze kon er ook niks aan doen, haar ziekte bracht het met zich mee, maar het was een vicieuze cirkel waarin ze was beland. Ze verweet de mensen dat ze niet meer kwamen en voelde zichzelf steeds meer het slachtoffer. Wij bleven komen, natuurlijk, en ondergingen met gebogen hoofd de toorn.

Eens werd het mijn man te veel. Hij zocht zijn moeder op in het ziekenhuis, waar ze op dat moment voor een longaandoening werd verpleegd, en kreeg in een volle zaal de meest vreselijke verwijten naar zijn hoofd. Hij heeft haar aangekeken en is weggelopen. Tot groot verdriet van hemzelf, maar hij kon er niet meer tegen. De schaamte over het gedrag van zijn moeder was te groot.

Uiteindelijk was het ook een longaandoening die mijn schoonmoeder fataal werd. We hebben gewaakt aan haar bed, tot haar hart stopte en haar de rust gaf waar ze zo wanhopig naar op zoek was. Het gezegde luidt “van de doden niks dan goeds”, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook wij deze rust koesteren.

Eerste Hulp bij Ongelukken

Als gecertificeerd onhandige ben ik gespecialiseerd in kleine ongelukjes. Ik laat dingen vallen, stoot dingen om, het is geen kwestie van onwil, het gebeurt gewoon. Grote hilariteit in mijn familie dus toen ik aankondigde een EHBO-cursus te gaan volgen. “Jij…!? Ach die arme slachtoffers.” De meest vreselijke scenario’s werden me voorgespiegeld, van het per ongeluk op een gebroken been gaan staan tot “oeps, nu is zijn nek echt gebroken.” Ik hoorde het goedmoedig gelaten aan, tenslotte heb ik meer vertrouwen in mezelf dan mijn zusters dat hebben.

Met een clubje van 11 startten we die eerste dag met koffie. Na kennis gemaakt te hebben met de instructeurs kon de les zijn aanvang nemen. Een beetje onwennig stapten we het klaslokaal binnen. De cursus werd gegeven in het gebouw van een middelbare school dus we namen, sinds jaren weer, plaats op de ongemakkelijke stoeltjes.

Ik leerde het verschil tussen soorten verband. Hoe ik een mitella moest aanleggen en wat een brede das was. De Lotusslachtoffers leerden ons dat je een slachtoffer nooit uit het oog mocht verliezen. Dat werd direct bestraft met een volleerd uitgevoerde flauwte. Natuurgetrouw gleden de dames van de stoel op de grond. Daar stond je dan met je goed gedrag, even op weg om een verband te halen en hup, daar gingen ze. De les was natuurlijk dat jij je om het slachtoffer bekommert terwijl je iemand anders vraagt, of liever nog opdraagt, om de spullen te gaan halen.

Wat een respect voor die dames. Het was dat de grijnzende medecursisten ernaast stonden, anders zou je toch echt geloven dat ze ladderzat uit de kroeg kwamen gehobbeld. Steekwonden, brandwonden, botbreuken, hyperventilatie, het kwam allemaal voorbij. We legden slachtoffers in de stabiele zijhouding, controleerden ademhalingen en leerden hoe we de Heimlichgreep moesten uitvoeren. Met veel geduld leerden de instructeurs ons dat je een slachtoffer echt niet vanachter moet benaderen, omdat hij anders bij het omkijken zijn toch al geblesseerde nek weleens helemaal zou kunnen breken.

Gelukkig was er ook veel ruimte voor hilariteit. Als een ongeoefende cursist bij een medecursist een hoofdverband aanlegt, leidt dit tot komische situaties die in The Mummy helemaal niet zouden misstaan.

De avond van het examen was zenuwslopend. Ik moest zelfs nadenken over wat links en wat rechts was. Met het gelach van mijn zussen in mijn achterhoofd deed ik mijn uiterste best. En het zal niet met vlag en wimpel zijn geweest, maar ik was in ieder geval geslaagd.

Het was een leerzame cursus. Ik hoop het geleerde niet te veel te hoeven gebruiken. Ondanks dat ik nu in ieder geval geleerd heb wat ik moet doen. Maar wat ik vooral geleerd heb, is dat je niet direct moet gaan rennen maar eerst de situatie moet doorgronden. Vaststellen wat er daadwerkelijk aan de hand is en welke actie daar bij past. En dat kan ik in mijn dagelijks werk ook prima gebruiken.