Communicatie

gips

Mijn schoonvader heeft zijn enkel gebroken. Heel sneu natuurlijk, ’s nachts wakker geworden, oudere mannen moeten wat vaker, te snel uit bed gegaan en het evenwicht verloren. Hoe ongelukkig kun je terecht komen. Enfin, toen ’s ochtends de dame van de Thuiszorg hem vond, wat het leed al snel geleden. Pa kreeg gips om zijn pootje en het advies zich voorlopig rustig te houden. Hij schikte zich in zijn lot, nestelde zich in zijn stoel en begon de familie op de hoogte te brengen. Ons natuurlijk het eerst. “Ik heb heel slecht nieuws.” Als ik dat hoor, slaat de schrik me normaal om het hart. Wie is er opgenomen in het ziekenhuis of erger, wie is er dood. Gelukkig, al klinkt dat in dit geval wat hard, was dat nu niet aan de orde. Misschien dat ik daarom iets opgeluchter reageerde dan pa eigenlijk voor ogen had.

De dag er na troffen we hem in zijn huis om hem mee te nemen naar een feest. Een familielid vierde haar verjaardag. Pa had al weer praatjes, de buurvrouw en zijn schoonzus waren er om hem gezelschap te houden. “Morgenochtend moet ik om elf uur in het ziekenhuis zijn”, deelde hij ons mee “dan gaan ze kijken of ik geopereerd moet worden of dat ik loopgips krijg.” Eerdere ervaringen weerhielden me ervan te vragen waar een eventuele operatie van af zou hangen, meestal onthoudt pa niet echt wat de artsen zeggen. We hesen pa in de rolstoel en maakten aanstalten te vertrekken. “Hoe ga je morgen eigenlijk naar het ziekenhuis”, vroeg zijn schoonzus belangstellend. Een diepe zucht was haar deel, pa sloeg zijn ogen ten hemel. “Wat zeg ik nou net, Huub rijdt toch.” Mijn echtgenoot en ik keken elkaar vertwijfeld aan, dat hadden we toch echt niet gehoord. En afgaande op de vraag die zij stelde, zijn schoonzus ook niet. Ook de verjaardagsgasten moesten het verhaal horen in geuren en kleuren. Zijn zus vroeg hem bezorgd wat hij toch had gedaan. Weer sloeg hij zijn ogen ten hemel, van familie moest je het toch maar hebben. “Ik heb je gisteren drie keer gebeld maar je nam niet op.” “Maar dan weet tante toch nog niet wat je mankeert”, mijn man raakte er vertwijfeld van. Gelukkig zijn broer en zus uit hetzelfde hout gesneden dus het leidde niet tot wrevel. En pa was na de jarige job toch maar mooi de meest besproken persoon op het feest.

Natuurlijk is mijn man met hem naar het ziekenhuis gereden. Pa heeft gips gekregen en mag vijf weken niet lopen. Dat wordt dus boodschappen doen en regelmatig kijken hoe het gaat en of hij verder nog wat nodig heeft. Ach, we hebben het al vaker aan de hand gehad. Pa regeert vanuit zijn stoel. Het enige dat we moeten doen is zorgen dat we er niet gek van worden.

 

 

De Patriarch

WP_20160808_003 [6568362]

“Goedemiddag meneer, ik heb even uw stookpot geleend, u was er toch niet.” Verbouwereerd kijken we de man aan, een broodmagere man op leeftijd, gekleed in een kakikleurige afritsbroek. “Die willen we graag terug”, zegt mijn man stellig, “misschien dat wij hem vanavond nodig hebben.” Je ziet de man kijken, misschien nodig hebben, en dan moet hij hem nu al terugbrengen. We blijven hem rustig aankijken en hij kiest eieren voor zijn geld. Even later staat onze eigen stookpot weer op zijn eigen plaats. Tussen de grote keien die ik daar met veel moeite op mijn eigen creatieve wijze omheen heb gedrapeerd. We weten het zeker, deze meneer wordt geen vriend.

Dit wordt maar weer eens bevestigd als onze hond even later kennis gaat maken. Op luide toon wordt hij van hun plekje schuin tegenover ons weg gedirigeerd. “Nee, weg” een magere vinger priemt onze kant uit “daar hoor je thuis.” Alsof ‘daar’ iets minderwaardigs is, zijn stem drukt niets dan minachting uit. Arme hond, hij wil alleen maar even goedemiddag zeggen. Nog net niet met de staart tussen de benen druipt hij af. Hij bedoelde het toch goed.

De dagen erna blijkt de man voor ons een bron van vermaak. Met strenge hand regeert hij over zijn plek op de camping. Het is er drukbevolkt, waarschijnlijk met zijn kinderen en kleinkinderen. En zijn vrouw natuurlijk, grijs kortgeknipt kapsel, stevige stappers en ook diezelfde kakikleurige afritsbroek. En natuurlijk een rugzakje. Zij ziet haar man naar de ogen. Ik moet zeggen, hij heeft er de wind stevig onder. De kinderen zitten braaf te lezen of een spelletje te spelen, er valt geen onvertogen woord. Zelfs de hond die ze bij zich hebben durft zich amper te verroeren.

Wij worden door de man ook zo af en toe eens zijdelings bekeken. Ik zie hem denken. Bij ons is het namelijk niet zo geregeld, wij hebben geen schema en laten onze hond heerlijk rondscharrelen. Dat hij dan af en toe er tussenuit piept, hoort erbij. Het blijft een hond. Niet dat we het goedkeuren, hij wordt heus wel tot de orde geroepen, maar ach, heel erg druk kunnen wij ons er niet om maken. Bovendien kent iedereen hem. En roept iedereen hem, wat ons overwicht natuurlijk ook weer danig ondermijnt. Je ziet de man kijken, “niets waard, niks te zeggen over dat beest.” Gelukkig heeft hij het zelf beter geregeld.

Als we voorzichtig informeren bij andere campinggasten, blijkt dat wij niet de enigen zijn die door deze man zijn gewogen en te licht bevonden. De vrolijke verhalen komen al snel los. Hij blijkt iedere hond viezig te bekijken en stembanden voor kinderen onder de achttien jaar een overbodige luxe te vinden. En hij blijft nog een volle week. Mijn man heeft onze auto iets verder naar voren gereden. Zo hebben we beter uitzicht.

 

 

 

 

Schone schijn

“Oh meid, wat een heerlijk water heb je toch altijd. Werkelijk, ik weet niet hoe je het doet maar het smaakt voortreffelijk. En dat blaadje munt, werkelijk subliem.” De buurvrouw graait met haar benige handen naar de kan water die op sidetable staat. Zij neemt graag nog een glaasje. De felrood gelakte nagels matchen perfect met de vuurrode kring lippenstift die zij achterlaat op het glas. Ik griezel en neem nog maar een slok van mijn wijn. Natuurlijk komt me dat te staan op een waarschuwende blik van de gastvrouw maar dat negeer ik. Ze moet me tolereren, ik hoor nu eenmaal bij de familie, al weet ik ook wel dat dat niet van harte is. Zij voelt heus wel dat ik zie dat zij haar sjieke waterkan staat te vullen onder de kraan in de keuken. Daar komt helemaal geen duur bronwater aan te pas. Het blaadje munt is om te verhullen dat er werkelijk geen enkele smaak aan is te bekennen.

Het uiterlijk vertoon van deze familie is werkelijk tergend. Goedkope wijn wordt in een dure karaf geschonken. De karaf is waarschijnlijk een erfstuk, zelf aanschaffen zit er helemaal niet in. Gelukkig zijn hun vrienden en kennissen ook zo, het toneelstuk wordt vakkundig in stand gehouden. En dan is het helemaal niet wenselijk dat er iemand zijn intrede doet dit al deze zaken spottend bekijkt. De wijn van de Aldi is prima te drinken, niets mis mee, maar het feit dat er net wordt gedaan of hij van een vooraanstaand wijnhuis is, maakt dat je er toch hoofdpijn van krijgt.

Wat ook een feest is, is om met de familie naar een restaurant te gaan. Bij voorkeur als er wordt betaald, dan kunnen de duurste gerechten van de kaart besteld worden. Met de air van een veldheer kijkt mijn schoonvader de tafel rond. Zijn baas betaalt de rekening dus eigenlijk krijgen wij het indirect van hem. Respect lijkt hem daarom wel op zijn plaats. Ik bekijk het tafereel en zucht inwendig.

Als we ’s avonds weer thuis zijn, in ons eigen simpele appartement en ik een fles wijn van de supermarkt opentrek, bedenk ik dat dat toch eigenlijk veel beter is. Lekker zijn wie je bent, zonder iedere dag weer die schijn te moeten ophouden. Het lijkt met dat je daar heel moe van wordt.

 

 

 

 

 

Games

Pokémon.jpgIk word oud, nu weet ik het zeker. Ik hou het niet meer bij. Laatst reden mijn echtgenoot en ik in de vroege avond onze straat uit en moesten uitwijken voor een jongen, ik schat hem een jaar of 10, 12, die in een bijzondere pose over zijn fiets gevouwen hing. Verwonderd vroeg ik “wat doet die jongen raar”. Het kwam mij op een licht verwijtende blik te staan. “Mach, die jongen speelt Pokémon Go!” Oh ja, da’s waar, dat nieuwe spel.

Nu ben ik al helemaal niet van het gamen, dat gaat me allemaal te snel en daar moet je handig voor zijn. Jaren geleden, toen we eens een weekendje weg waren met vrienden en hun twee zonen, hebben die eens een poging ondernomen het mij te leren. Ik hoorde hen vooraf al tegen elkaar zeggen “doe maar een makkelijke game, dat kan ze misschien wel.” Ik kan je zeggen, als een jongeman van 13 dat over je zegt, dan krijgt je zelfvertrouwen een heuse deuk. Helaas had hij gelijk, ook het makkelijke spel was aan mij niet besteed. Ik hing binnen de kortste keren met mijn aan flarden gereden autootje in de bomen. Met een zucht hebben de heren het opgegeven. En ben ik maar weer verder gegaan in mijn boek. Veel veiliger.

Het houdt de gemoederen wel bezig, dat op zich is al weer knap. De Russen vertrouwen het spel voor geen cent. In de media zijn de wildste verhalen verschenen over het spel: het zou een middel zijn van de CIA om hen in de gaten te houden. Anderen zien er een potentiële bedreiging in voor de nationale veiligheid. Spelers worden bedreigd, er verschijnen verbodsborden om speler te weren maar je kunt op internet ook accounts kopen van doorgewinterde gamers die die de helft van de Pokémon-populatie al opgespoord hebben. Persoonlijk vind ik dat vals spelen, maar goed.

Ik stel me zo voor dat de bedenker van al deze ongein zich thuis zit te verkneukelen om wat hij of zij (dat weet ik niet) heeft veroorzaakt. Iedere keer als het spel in het nieuws is, is dat een bevestiging van zijn talent. En daar heb ik toch wel veel bewondering voor.

Ik begrijp de hype niet, het ligt aan mij, ik weet het. Ik heb geen talent voor gamen. Ik ben blijven steken bij Wordfeud. Een app die inmiddels in het rijtje van Retro-games staat, naast Tetris. Ik zou alleen willen dat ik de creativiteit had om zo’n hype te veroorzaken.

Afscheid

Nettle-LeafSoms krijg je een bericht waarvan het kippenvel ineens op je rug staat. Je leest het nog een keer om jezelf ervan te vergewissen dat je je niet vergist. Ja, het staat er echt. Die collega, die nog geen jaar geleden met pensioen ging, om te gaan genieten met haar man, is niet meer. “Na een kort ziekbed”, zo’n simpele opmerking waar een wereld van verdriet achter schuil gaat. Voor een simpel kwaaltje naar de huisarts, niet wetende dat zij op het punt stond haar doodvonnis te vernemen.

Haar man is ongetwijfeld in ontreddering achtergebleven. Tenslotte waren ze al hun hele leven samen en deden ze ook alles samen. Ik ken geen stel dat zo op elkaar was ingespeeld dan zij. Ze hebben zelfs meer dan tien jaar een kantoor gedeeld. Moest ik met mijn man samen op één kamer werken, ik had na twee dagen al ruzie. Misschien zelfs wel na een dag, al was het alleen maar over de hoogte van de thermostaat of over het al dan niet openzetten van een raam. Niet zij, ze waren als jonge mensen bij het bedrijf gaan werken en gingen, veel jaren later, ook daar met pensioen. Ze zagen mensen gaan en komen maar bleven altijd hun eigen weg gaan.

Ik had ook daar veel bewondering voor. Hij ouderwets galant, zij goedmoedig dominant. Maar altijd met respect naar elkaar en anderen. Als je informatie wilde hebben, over welk onderwerp dan ook, dan liep je bij hem binnen. Als lopende encyclopedie kon hij je bijpraten over wat je ook maar wilde weten. Zij specialiseerde zich in kwaliteit en het milieu en werd in het bedrijf daarin een expert. Collega’s haalden soms met schaamrood op de kaken het afval weer uit de verkeerde bak waar ze het net nonchalant hadden ingegooid. Geduldig legde zij ons nog maar een keer uit waarom we afval moesten scheiden. En waarom het ook voor het bedrijf waar we voor werkten zo belangrijk was, het statement dat we maakten richting de klant. Onhoorbaar zuchtten we, haar passie duurde soms in onze ogen wel erg lang.

Met een simpel bericht is aan dit alles een eind gekomen. We kunnen ons nooit meer verbazen over haar presentaties die zo moeilijk waren dat vrijwel iedereen na een tijdje het spoor bijster was. Maar ik zal ook nooit meer bij haar binnen kunnen lopen voor advies. Ik heb vaak dankbaar gebruik gemaakt van haar levenservaring. En ik had haar zo gegund dat ze nog lang had kunnen genieten van dat glaasje witte wijn, zittend in de zon met haar geliefde man.

Naarmate je ouder wordt, overkomt je dit steeds vaker. Het hoort bij het leven. Maar wennen doet het nooit.

Gevaarlijke vechthond

Stef

Stef

Sinds een aantal jaren hebben wij een hond. Een hele lieve hond, genaamd Stef. Hij is van het bekende ras Staffordshire Bull Terriër. Dat zijn hele gevaarlijke honden, gemaakt om te vechten. Althans, dat is het vooroordeel. Vaak als ik vertel wat het ras is van onze hond, is de reactie “maar die zijn toch vals”. Natuurlijk, het is een ras dat vals geboren wordt. Net als Pittbulls.

Gelukkig kan Stef zelf alle vooroordelen in een handomdraai wegnemen. Er is geen grotere knuffelbeer en het liefste dat hij doet is op schoot kruipen. Niet helemaal ideaal met zijn 24 kilo maar wel heel gezellig. Ook op de behendigheidstraining wordt er goedmoedig om hem gelachen. Zijn enthousiasme is grenzeloos. Hij kan bijna niet wachten tot de andere honden hun rondje hebben gelopen en hij aan de beurt is. Als het alleen om snelheid ging, was hij de absolute kampioen. Het gaat alleen niet enkel om snelheid maar ook om elegantie. En dat is niet een van Stef’s eigenschappen. Hij is heel lief, maar ook heel lomp. Vrijwel alle dwarsliggers heeft hij al een keer omvergesprongen, de nieuwe band was na één ontmoeting met Stef al in twee stukken en zelfs de tunnel wist hij te ontwrichten. Hij bedoelt het goed.

Ook in de competitie zullen we nooit bovenaan eindigen. Natuurlijk ligt dat voornamelijk aan mijzelf. Ik moet Stef sturen, hij kijkt trouw en vol ongeduld naar me om te zien waar we heen moeten. Als ik te laat reageer, neemt hij een beslissing. En dat is niet altijd de juiste, maar ach. Hij loopt zo hard, ik kan hem toch met geen mogelijkheid bijhouden.

Eenmaal thuisgekomen na een uurtje sporten springt hij voldaan op de bank. Hij rolt zich in een knoedel en valt tevreden in slaap. Zijn gesnurk klinkt huiselijk, ook dat zou ik niet willen missen.

Helaas zijn de vooroordelen ten opzichte van een pikzwarte Stafford niet makkelijk weg te nemen. Ik kan het me ook wel voorstellen, hij oogt wel degelijk vervaarlijk, met zijn brede kop en vierkante schouders. Maar het is niet eerlijk een hond af te rekenen op de fouten die zijn eigenaar maakt. Ik denk niet dat Stef en ik daar iets aan gaan veranderen, we zullen er mee moeten leren leven. We blijven echter ons best doen. Sowieso.

Ach, en als een kakmadam met een Chihuahua ons in het vizier krijgt en fluks haar in blingbling geklede accessoire voor de zekerheid toch maar van de grond tilt, roep ik altijd net iets te hard, “kom maar Stef, je hebt al gegeten.” 

Efteling

Met mijn ouders woonde ik in mijn jeugd in het plaatsje waar ook de Efteling is gevestigd. Als inwoners waren wij bovenmatig trots op dit geweldige pretpark. Ik weet nog dat we van school uit zwemles hadden in het buitenbad dat de Efteling toen nog had. Het water was niet verwarmd, als het 14 graden was gingen we zwemmen. Wat heb ik daar een kou geleden, onvoorstelbaar.

Later mocht ik weleens mee met een vriendinnetje. Haar vader was werkzaam bij het pretpark en verantwoordelijk voor een groot aantal attracties. Ik weet nog dat we in het spookslot stonden, nog in aanbouw, en keken naar de grote vinger waar later een kroonluchter aan zou bengelen. Mijn, toen al immense, fantasie sloeg direct op hol. Het is altijd mijn meest favoriete plaats van het park gebleven.

Natuurlijk heb ook ik later vakantiewerk gedaan in het park. Dat deden we allemaal, de kinderen uit het dorp. We kregen een uniform en begonnen ’s ochtends eerst met het vegen van de omgeving van de attractie waar we die dag stonden. ’s Avonds was je doodmoe van het helpen van de gasten, het blijven lachen en het harde werken. Maar voor we weg mochten, werd eerst weer de hele omgeving van de attractie geveegd. Het park moest schoon blijven.

Ook als volwassene kom ik nog graag terug. Het sprookjesbos, de prachtig aangelegde bloemenborders. Geweldig om te zien hoe kinderen kunnen genieten en griezelen. Die verwachtingsvolle gezichtjes met rode wangen van de spanning. De Fata Morgana, Villa Volta, de geweldige verhalen die verteld worden. Je kunt zien dat het park met veel zorg en liefde wordt ontworpen en onderhouden.

Het enige irritante aan sommige attracties, is het muziekje dat er wordt gespeeld. Je raakt het de hele dag niet meer kwijt.

En nu, nu liggen die attracties onder vuur. Omdat zij discriminerend zouden zijn. De Efteling gaat luisteren naar de argumenten van de actiegroep. Ik ben eigenlijk wel heel benieuwd wat die argumenten zijn. Als de fantasie van kinderen al niet meer geprikkeld mag worden, wat mag er dan eigenlijk nog wel. Gaat het niet veel te ver om overal iets slechts in te zien, is er dan ook niet iets mis met de manier waarop je zelf naar de wereld kijkt?

Uiterlijk vertoon

Kamperen is voor mij een zegen. Als ik ’s ochtends de hond uitlaat op de camping, en ik weet zeker dat ik niemand tegen ga komen, dan loop ik in mijn rubberlaarzen. Als ik ’s avonds tanden ga poetsen en het heeft overdag geregend, dan heb ik mijn groene regenjas aan. Ook weer samen met die rubberlaarzen. Ik zie er dan namelijk niet uit. Mijn krullen zijn een heel eigen leven gaan leiden, mijn spijkerbroek zit vol vegen van mijn overenthousiaste hond.

Hoe is het dan toch mogelijk dat ik dan bij de toiletten iemand tegenkom die helemaal gemaquilleerd is en er tiptop uit ziet. Er zit zelfs geen modder op haar lichte schoentjes. En dat terwijl ik op mijn deel van de heenweg om de plassen heb moeten slalommen. “Dat komt omdat jij nou nooit eens uitkijkt”, zou mijn moeder verwijtend zeggen. En het klopt, ik ben daarin redelijk onbesuisd.

Waarom kan ik dat niveau van ‘appearance’ nou nooit eens bereiken. Als ik me onbespied waan, zie ik er uit als een vogelverschrikker. En natuurlijk kom ik dan iemand tegen die ik niet had verwacht. Uiteraard een bekende en meestal iemand die er ook moeiteloos onberispelijk uit kan zien. En die je dan ook een, voor je gevoel, uur aan de praat houdt over koetjes en kalfjes. En jij je maar pijnlijk bewust zijn van hoe je er uit ziet. Je voelt gewoon je haar alle kanten uit gaan pieken. Gewoon weglopen is ook zo onbeleefd dus je blijft keurig in gesprek. Als de kwelling eindelijk voorbij is en er zo ongeveer een schroeiplek moet zijn ontstaan op de plaats waar je stond, kijk je met een zucht de ander na. Nee, een salonfiguur zul je nooit worden. Helaas.

Die mensen hebben ook nooit blauwe plekken of schrammen. Terwijl ik niet compleet ben zonder. Dat komt ook weer door die eerder genoemde onbesuisdheid, maar toch. En eerlijk is eerlijk, iedere vrouw wil er aantrekkelijk uitzien. Noem het een misser in onze karakters, het is wel een gegeven waar we rekening mee moeten houden. En we doen het niet eens zo zeer om de mannelijke bevolking te behagen. Wel nee, we doen het omdat we niet willen onderdoen voor onze vrouwelijke collega’s. De meeste mannen houden ook helemaal niet van een graatmager model. Het feit dat wij vrouwen ons met liefde en plezier uithongeren wordt veroorzaakt door onze eigen rivaliteit ten opzichte van onze vriendinnen.

Wij lopen door de stad en bezien alle andere vrouwen met een kritische blik. Hoe dik is zij, hoe goed past die skinny jeans haar? “Nee hoor” zeggen we zelfverzekerd “ik doe niet aan de lijn, mijn lijf is goed zoals het is.” Huh huh, maar ondertussen staan we ’s ochtends voor de spiegel en nemen ons voor vandaag minder te eten. Het beste zou zijn helemaal niet. Als een fotomodel zouden wij ook op een enkel blaadje sla willen leven. Helaas past dat dan weer niet bij het leven dat wij leiden en het werk dat we moeten doen. Halverwege de ochtend vertelt onze maag ons zonder omwegen dat er voeding in moet, omdat we anders om gaan vallen.

We hebben altijd onze mond vol over emancipatie en hoe vrouwen zich moeten ontwikkelen. Maar als een vrouw dat dan probeert en boven het maaiveld uit komt, zijn het echt niet de mannen die als eerste proberen de vrouw terug op haar plaats te zetten. Meestal zijn het vrouwen in haar omgeving die achter haar rug om proberen haar opmars te stuiten. Want daar zijn wij vrouwen ook meester in, in het achter iemands rug om dingen voor elkaar boksen. “Wie denkt zij wel dat ze is. ”Misschien komt het gewoon voort uit onzekerheid, want als andere vrouwen geëmancipeerd zijn en hun leven inrichten zoals ze zelf willen, dan moet jij dat misschien ook gaan doen. Dan heb je geen excuus meer.

Daarom schaam ik me in mijn hart ook eigenlijk helemaal niet voor mijn vogelverschrikker-outfit. Ik ben wie ik ben en daar ben ik trots op. 

Mensen kijken

Ik word blij van mensen kijken. Dat hoeft niet eens per se op een terras te zijn, onder het genot van een drankje. Als ik in de auto zit, op weg naar iets wat ik weer moet, kan ik fantaseren over de mensen die ik tegen kom. Die oude man, die zo heel vergenoegd een broodje zit te eten op een bankje. Je ziet hem genieten.

Ik zie een jong meisje een hond uitlaten. Waarschijnlijk is het nog een jong beest, hij springt enthousiast om de benen van het meisje. Zij probeert hem hulpeloos in bedwang te houden, niet bekend met het feit dat ze rust moet uitstralen om de hond ook wat minder hyper te maken. Het geeft niet, ze houden van elkaar, dat zie je zo.

En zwaar gemaquilleerde vrouw zit naast mij in de auto als ik bij het stoplicht sta. Zij rijdt een populaire SUV, waarschijnlijk een kadootje van haar man. Als zij nou niet zeurt als hij een keer de secretaresse meeneemt, dan klaagt hij niet als ze iets te veel geld uitgeeft. “Ga maar lekker naar de schoonheidsspecialiste, laat je maar lekker verwennen”. Dat doe ik dat ook bij mijn secretaresse, hij zegt het niet maar je hoort het hem denken. Het tekent zich ook op het gezicht van de vrouw, de meest dure foundation kan haar chagrijn niet verbloemen.

Daar loopt een man met afhangende schouders. Je ziet het leed van de wereld op zijn schouders drukken. Hij sjokt en sukkelt voort, de triestheid straalt van hem af. Wat zou het zijn, heeft hij een slecht huwelijk, heeft zijn werkgever hem verteld dat het bedrijf het zonder hem gaat proberen? Ik weet het niet. Mijn fantasie slaat op hol, misschien heeft hij wel zojuist zijn hond, zijn beste maatje, bij de dierenarts achter moeten laten. Ach, de arme man, wat een verdriet.

Wat te denken van die ongeduldig wachtende man bij het stoplicht. Strak in het pak kijkt hij alsof hij niet begrijpt waar het stoplicht de brutaliteit vandaan haalt om hem te laten wachten. Hem, die het zo druk heeft, met zaken, met belangrijk zijn. Hij is blij met zichzelf en verwacht daarom ook respect van zijn omgeving. Arme man, wat zal hij ooit keihard tegen een muur aan lopen. Want dergelijk gedrag blijft nooit ongestraft.

Het gaat onbewust, ik doe het altijd. En dan vraag ik me af, zouden andere mensen dat ook doen? En zouden ze dan ook naar mij kijken? En wat zouden ze dan denken? Dat zou ik nou wel graag willen weten.

Sport verbroedert

Er is niets dat mensen zo verbroedert als sport. Het gevoel van saamhorigheid bij het aanmoedigen van de gezamenlijke sporthelden is onvergelijkbaar. Onoverwinnelijk ook. Mensen die in het dagelijks leven niets met elkaar hebben, staan schouder aan schouder hun held naar de overwinning te schreeuwen. Handen worden geheven in euforie, de prestatie van de collectieve sportman straalt af op iedere individuele toeschouwer. Vandaag is iedereen een held.

De sport die de lijst aanvoert qua broederschap is het voetbal. Een mooie sport, waarbij kracht en tactisch inzicht beiden vereist zijn voor het bereiken van de top. Het is een vergissing te denken dat iedereen met voetbalschoenen de carrière van Johan Cruijff ook maar bij benadering kan evenaren. Het is niet iedereen gegeven het spel te doorgronden. Hiervoor is inzicht nodig, en discipline.

De mooie voetbalsport mag zich dan ook verheugen in een grote schare fans. Trouwe aanhangers die alle grote evenementen volgen. Waar ook ter wereld ‘hun’ club speelt, zij boeken een vliegticket, stappen in de trein en zijn erbij. Ook nu weer, nu de Europese Kampioenschappen worden gespeeld. Voetbalteams spelen ín het stadion om de eer, buiten strijden de supporters. Of het nu Russen zijn, of Engelsen, schouder aan schouder staan zij om de wereld te tonen dat zij staan voor hun club. De rijen worden gesloten, de vuisten gebald, klaar om de strijd aan te gaan. Gezamenlijk trekken zij op naar de plaats waar zij hun helden weten. Alles wat de weg verspert, wordt meedogenloos aan de kant gezet. Geschopt, geslagen, getrokken, gezeuld. Zij zijn het legioen, zij zijn onoverwinnelijk. Ergens, meestal in het centrum van de stad, komen zij de supporters van de andere partij tegen. De vijand. Een siddering gaat door de gespannen lijven, de adrenaline suist. Er klinkt een woest gehuil en de strijd barst los. Geschrokken ordebewakers staan versteld van de explosie en proberen met man en macht de orde te herstellen. Dat lukt pas na het inzetten van grof geweld. Ten koste van veel gewonden en veel schade. De stad likt zijn wonden.

’s Avonds in het hotel verzorgen de aanhangers elkaars wonden. Schrammen, bulten, snijwonden, het wordt verzorgd door stoere mannen die niet zeuren. Zij drinken gezamenlijk bier en zingen nogmaals het clublied. De eer van de club is verdedigd, zij mogen trots zijn op elkaar. Tevreden kijken de leiders rond. Zij knikken naar elkaar “morgen weer?” “Ja, de strijd is nog lang niet gestreden, morgen weer…”