Oranjegekte

Volwassen mannen die in oranje outfits elkaar vriendschappelijk een schouderblessure slaan. Gebroederlijk samen dronken worden van het Nederlandse succes. De wedstrijd analyseren alsof zij Johan Cruijff himself zijn. En daarna voldaan huiswaarts keren voor een korte maar zeer welverdiende nachtrust. Winst maakt Morpheus’ armen zacht.

Waarom kan de gewone competitie dit fenomeen niet teweeg brengen?

Moederdag

Het is niet dat ik het al die blije Libelle-moeders niet gun hoor, de verheerlijking van moederdag. Al weken van te voren worden de reclames gedomineerd door de meest verrukkelijke parfums en verzorgingsproducten. De plaatselijke bloemist besteedt extra zorg en omzet aan de boeketten, voor moeder is immers niks te duur. Uiteindelijk profiteert de middenstand nog het meest van moederdag maar dat is in deze tijd van crisis misschien niet eens zo erg.

Het is ook niet dat ik iets heb tegen al die wee-makende reclames op televisie, waarin moeders door hun kinderen in opperste aanbidding verwend worden met knutselwerkjes. Het glazuur spat spontaan van je tanden door alle zoetigheid. Modelkinderen, zonder vlekken in hun kleren, maken zonder ruzie te maken een ontbijt. Alles op een mooi opgemaakt dienblad, croissantjes, eitje, kopje thee. En moeder eet heerlijk zonder te knoeien in bed. Zij slaapt vanavond niet tussen de broodkruimels en eierschilletjes. Nee hoor, helemaal niet.

Het is niet dat ik simpel word van alle teksten in de Social Media “like if you have a mother”, de tenenkrommend slechte gedichten, al dan niet versierd met hartjes, sterretjes en bloemetjes. De wansmaak die de rest van het jaar ten strengste is verboden, wordt op deze dag met veel vertoon uit de kast getrokken.

Het is alleen dat ik er niks mee heb. Mijn moeder was geen Libelle-moeder, wij waren geen Libelle-gezin. Natuurlijk kweekten ook wij Afrikaantjes op de kleuterschool en maakten we grote tekeningen. Dat hoorde immers zo. Ik denk ook wel dat we ze gaven terwijl mama nog in bed lag. Het bevestigde voor haar het beeld dat zij de enige juiste invulling gaf aan moederschap en hoe je een gezin leidt. Of was het een gezinsleven lijdt.

Het is echt niet dat ik zuur wil doen en de dag wil verpesten hoor, maar de Cosby-show bestaat echt alleen maar op televisie.

Onhandig

Hoe onhandig kan een mens, en dan met name een vrouw, zich voelen.
Volgens mij kennen we het allemaal wel, netjes uitgedost, keurig in de kleren, hakken aan. Heerlijk zelfverzekerd lopen we met collega’s en gasten door de gang. Zakelijk, alles onder controle. En dan, een onbewaakt moment, even niet opletten, bons, daar lig je languit in de gang tussen de scherven van je ego. Elegant opkrabbelen is een uitdaging, zo niet onmogelijk. Als een krab met kramp scharrel je zijwaarts om jezelf op de been te krijgen.
Nee hoor, ik heb me echt niet zeer gedaan, niks aan de hand. Iedere vezel van je lijf schreeuwt dat je liegt. Het liefst wil je in een donker hoekje zitten en je wonden likken, aaauw.
Ik weet niet hoe het kwam, ik struikelde. Ook weer een leugen, je weet goed hoe het kwam, je lette niet op en tilde je voeten niet op. Waardoor je er over struikelde, over je eigen voeten.
Behulpzame collega’s snellen toe om je te helpen. Dat wil je eigenlijk niet, het bevestigt weer je onhandigheid, maar je kunt alleen maar vriendelijk zijn. Dat ben je verplicht. Inwendig grom en grauw je maar je perst er een benepen glimlachje uit. Je klopt het denkbeeldige stof van je kleren en recht je rug. Zo snel mogelijk vergeten en terug naar normaal. Nee, echt, ik heb me echt niet zeer gedaan, er is niks aan de hand.
’s Avonds thuis heb je eindelijk tijd om toe te geven aan je pijnlijke lijf. Armen en benen checken op blauwe plekken en met een zucht de befaamde ‘kneuzenzalf’, je aangeraden door een wel handige zuster, aanbrengen op de beurse plekken. Het zal wel weer even duren voor je er weer toonbaar uitziet.
Waarschijnlijk net zo lang als het duurt om je beschadigde ego weer te laten helen.

Paasontbijt in 55 woorden

Paasontbijt
Broodjes, eitjes, vaasje narcissen op tafel. Heerlijk alle tijd.
Gewoon samen, woorden zijn overbodig.
Pasen vorig jaar was bijna hetzelfde maar toch ook zo helemaal anders.
Een burnout legde een grauwsluier over ons hele leven.
Het duurde lang maar op een gegeven moment scheen toch weer de zon.
Geluk is helemaal niet zo hoogdravend.

Het zit tussen de oren

Het zit tussen de oren, zeggen ze. Je moet het zelf doen. Jij bent de enige die er voor kunt zorgen dat je weer beter wordt en dat je je weer goed gaat voelen. Ze hebben makkelijk praten. Denken ze nou echt dat ik dat niet weet. Iedere zondag neem ik het me voor. Sterker nog, dan ga ik echt aan het werk. Ik doe dat al meer dan twintig jaar met heel veel plezier. Ik ben een van de besten, al zeg ik het zelf. Ik heb klanten waar ik al twintig jaar kom, die bij de lunch een bord voor me op tafel zetten en weten hoe ik mijn koffie drink. Klanten die hun hele ellende aan me voorleggen, waar ik eerst een uur koffie drink voor ik aan het werk kan gaan. Klanten waar ik een weekendje mee weg ben geweest, naar zo’n huisje in een park. Ik heb het beste werk van de hele wereld. Op zondagavond weet ik dat. En ik weet dat het me gaat lukken, ik ga het gewoon doen. Lekker aan het werk. Het komt allemaal goed. Beloofd.

Maar dan loopt de wekker af en is het maandagochtend. De gordijnen van de slaapkamer zijn nog dicht, ze sluiten de wereld nog veilig buiten. Mijn vrouw staat op en gaat voor de koffie zorgen. Ik hoor de vertrouwde geluiden en sleep mezelf uit bed met het gevoel dat ik nog vermoeider ben dan toen ik gisterenavond naar bed ging. Hoe gaat het?, vraagt ze dan. En ik zeg dat het goed gaat, ik wil haar niet bezorgd maken. Zij moet ook werken. Maar ik voel me zo bedonderd. Zo uitgeput. Alsof ik gisteren zes flessen hele slechte wijn heb leeggedronken. Mijn maag zit tegen mijn keel aan te duwen. Maar ik doe alsof er niks aan de hand is. Daar word ik steeds kundiger in, moet ik zeggen. Ik heb het idee dat mijn vrouw echt met een gerust hart de deur uit gaat. Misschien is dat ook maar schijn, maar goed, ik doe mijn best. Tenslotte kan zij er niks aan doen.
Ik drink mijn koffie. Rustig, met kleine slokjes, anders komt hij gelijk weer terug. Stiekem kijk ik op de klok. Het gevoel van angst in mijn maag wordt steeds groter. Welke klant ligt ook weer boven op de stapel. Ik weet het niet. Het enige dat ik weet is dat ik de deur niet uit durf. Ik kan die mensen toch niet onder ogen komen. Wat moeten ze wel denken. En dan gaan ze vragen hoe het met me gaat, omdat ze me al zo lang niet meer hebben gezien. Ik weet niet wat ik dan moet zeggen. Moet ik ze vertellen dat ik zo’n watje ben dat niet naar buiten durft en bang is voor wat andere mensen van hem zeggen. Maar ik kan ze ook niet zomaar voorbij lopen. Ik ken die mensen immers al zo lang. Soms zou ik willen dat ik onzichtbaar kon zijn, gewoon mijn werk doen zonder dat ik met iemand hoef te praten. Het knijpende gevoel in mijn maag wordt steeds erger. Ik zit onrustig te schuiven op mijn stoel. Mijn vrouw stopt eindelijk haar spullen in haar tas en doet haar jas aan. Niet dat ik haar weg wil hebben, ik zou haar het liefste de hele dag bij me hebben. Ze kust me en wenst me succes vandaag. “Pas maar goed op jezelf,” zegt ze. Ik knik. Ik hoor de voordeur achter haar dichtvallen. Nog even wacht ik tot ik zeker weet dat ze weg is. Dan ren ik naar het toilet om over te geven.
Ik durf niet naar mijn werk te gaan. Het idee alleen al maakt me ziek. Ik blijf net zo lang op het toilet tot er niks meer in mijn maag zit en ik alleen nog maar die bittere gal proef. Wat gebeurt er toch steeds met me? Ik ben toch nog steeds dezelfde als vroeger. De huisarts zegt dat ik een depressie heb. Maar hoe komt dat dan toch? En waarom helpen die medicijnen niet? Ik begrijp er niks van. In het weekend, als ik samen ben met mijn vrouw en onze hond, voel ik me prima, zelfs vol goede moed om maandag weer aan de slag te gaan. Maar waarom hang ik dan op maandag weer kotsend boven de pot? Hoe lang kan ik dit nog volhouden? En hoe lang houdt mijn vrouw dit nog vol? Want zij is toch destijds met een hele andere vent getrouwd. Ik moet het veranderen, ik moet aan het werk. Nu.
Met een zucht haal ik mijn jas tevoorschijn en pak mijn spullen. Ik ga het doen, ik ga de deur uit. Wat denken ze allemaal wel! Ik ben een man en geen muis. Ik start mijn auto en rij de straat uit. Mijn maag draait zich bijna om. Nog voor ik de snelweg bereik, moet ik stoppen. Het lukt niet, het lukt echt niet. Trillend en zwetend draai ik om en rij naar huis. Ik parkeer mijn auto weer op de oprit. Hopelijk kom ik de buurvrouw niet tegen. Die ziet mijn auto weer een dag voor de deur staan. Met een enorm gevoel van verslagenheid zet ik mijn spullen in de keuken en loop naar boven. Ik kleed me uit en kruip in de veilige geborgenheid van mijn bed. Deze dag zal ook wel weer voorbij gaan. Morgen ga ik het weer proberen, misschien gaat het dan beter. Het zit tussen de oren, zeggen ze. Ik weet het niet, misschien wel. Maar waarom doet het dan zo’n pijn?

(Gepubliceerd in Schoon Schip, 21e jaargang, 2014, nummer 1)

Wat schuilt er achter een advertentietitel…..

Tussen de kleintjes in de krant:
Gratis af te halen: ruime villa in Brasschaat. Volledig gemeubileerd naar Engels voorbeeld. Tuin onder architectuur aangelegd. Vroeger achtergrond voor een gelukkig gezin waar kinderstemmen helder weerklonken in de zonnige vertrekken. Alle voorwaarden aanwezig voor een goede omgeving om op te groeien.
Soms slaat geluk een andere richting in.

 

More is less

Schrijverspunt.nl heeft een nieuwe categorie verhalen, schrijf in 55 woorden wat je wilt zeggen. Eerlijk is eerlijk, dat valt niet mee. Vandaar dat ik begin met een makkelijk onderwerp. Onze eeuwige bron van vermaak, Stef. Altijd vrolijk als hij je ziet, aanhankelijk en soms vreselijk stout. Zie je, het lukt wel in 55 woorden.

Heerlijk huisdier

Trouwhartig keken de ronde zwarte ogen me aan. Heb ik dat nu niet heel goed gedaan? Ik ben echt trots op mezelf, een superprestatie al zeg ik het zelf.
Gelaten bekeek ik de woonkamer, bezaaid met grote witte vlokken, omgetoverd in een winterwonderland. Morgen maar weer naar de dierenspeciaalzaak om een nieuw kussen te kopen.

Verjaardag

Vandaag is de verjaardag van mijn vader. Hij zou 81 jaar oud zijn geworden. Het was hem niet gegeven, hij is uiteindelijk maar 66 geworden. Zelf had hij ook nooit verwacht oud te worden, zelfs zijn vijfenzestigste verjaardag was al een verrassing voor hem. ‘Nu heb je jezelf overleefd pap, nu word je honderd’, ik hoor het mijn zus nog zeggen. Het mocht niet zo zijn.
We hebben elkaar nooit begrepen, mijn vader en ik. Ik was geen uitzondering, mijn zussen heeft hij ook nooit begrepen. Ik denk dat het zijn grootste frustratie was. Wij hebben er mee moeten leren leven.

Wij zijn opgegroeid in de nare jaren ’70, waarin het leek of iedereen modern en liberaal was. Helaas heerste achter de meeste doorzongevels nog altijd de invloed van een opvoeding in de jaren ’50. Bekrompenheid was dan misschien wel uit de mode, het was zeker nog niet uit de wereld. Het ‘wat zullen de mensen er van zeggen’ was nog altijd een belangrijke drijfveer. Ook in ons gezin, waar mijn moeder er enorm belang aan hechtte het beter te doen dan haar moeder en naar de buitenwereld een schijn van een gelukkig gezin op te houden.

Ik denk dat mijn vader kopje onder is gegaan. Hij zat teveel vast in het verleden om de moderne tijd te kunnen begrijpen. Ik weet niet of hij het heeft geprobeerd. Ik heb het hem nooit gevraagd. Ik heb hem eigenlijk nooit gevraagd wat zijn drijfveren waren. Helaas. Want nu is dat te laat. En zal ik nooit weten wat hem dreef.

De plaats van mijn heimwee

Een kleine boerendorpje ligt stil in de zinderende zon. De toren van de kleine kerk rijst boven alles uit, fier en trots. Het kleine kerkhof waar de dorpsbewoners van oudsher hun laatste rustplaats vinden, leunt tegen de zijkant van de kerk. Het ligt er keurig bij, alle paadjes zorgvuldig geharkt, alle dorre blaadjes een voor een opgeraapt. Het enige dat de ijverige koster niet heeft kunnen voorkomen, is de tijd, die de oude grafzerken hun verweerde uiterlijk heeft gegeven.

Naast de kerk, recht tegenover het dorpscafé, waar op zondag de mannen hun borreltje komen drinken, voordat zij bij hun vrouw plaats nemen aan het hoofd van de tafel, staat de dorpsschool. Het gebouwtje stamt nog uit de vorige eeuw. Het heeft een smalle hoge gang, de vloertegels zijn uitgesleten door de honderden klompjes die er in de voorbije jaren overheen geklepperd hebben. De ramen van de lokalen zijn hoog, kijken uit op de vierkante speelplaats waar de kinderen vroeger tikkertje speelden en knikkerden. Al naar gelang welk spel er op dat moment populair was. Als je goed luistert, kun je de schrille stemmen nog horen roepen.

Het lijkt of de tijd heeft stilgestaan in het dorp. Alsof de boeren met hun harde koppen nog altijd hun vrouw en kinderen de wet voorschrijven. Vaders wil is wet. Het leven loopt langs de uitgesleten paden. De burgemeester weet, in overleg met de pastoor, wat goed is voor de dorpelingen. En van de dorpsonderwijzer wordt verwacht dat hij in die geest de kinderen onderricht geeft.

Het kerkhof is klein, het ligt verlaten in het felle licht. De ouderwetse zerken zinderen onder de meedogenloze zonnestralen. Een aantal graven is verzakt, alsof de overledenen zich hebben teruggetrokken om zich voor te bereiden op het jongste gericht. Oude zonden worden gewogen, afgezet tegen wat de overledenen in hun arrogantie als hun rechtschapenheid zagen. De atmosfeer is doordrenkt van de gedachten aan de levens van alle namen.
De stilte is oorverdovend, hij neemt je vast met lange armen die niet meer los willen laten. Die dwingen, als willen ze zeggen ‘ denk na, allen die hier hun laatste rustplaats vonden, waren overtuigd van de afdruk van hun voetstappen. En zie wat er van is gebleven, een naam, gekerfd in een steen, begroeid met mos.’ De eenzame bezoeker, die zijn schroom heeft overwonnen, en voorzichtig het grindpad betreedt, kijkt twijfelend om zich heen. Zoals de herinnering aan een geliefde onherroepelijk door de tijd vervliegt, zo vervaagt ook de herinnering aan de laatste rustplaats. Ooit werden woorden gesproken vol verdriet, nu is de nagedachtenis overwoekerd. De plastic potten, verdorde planten, de gele bladeren uitgewaaierd over het graf, in een mozaïek zoals alleen de wind kan maken.

Bladeren ritselen, ook zij worden zacht geroerd door de wind. De geur van zomer heeft zich aan hen gehecht. Het brengt een melancholie mee die doet terugverlangen naar vroeger. Een vroeger dat waarschijnlijk nooit heeft bestaan zoals het wordt herinnerd, maar dat een gevoel van veiligheid en geborgenheid teweeg brengt. Een vroeger dat spreekt van kinderen die buiten spelen, hun ijle stemmen tegen de blauwe lucht. Van moeders die een onvoorwaardelijk thuis betekenen. Van vaders die alle demonen de baas kunnen, zodat deze ’s nachts de dromen van de kinderen niet kunnen binnendringen met hun tentakels. Een vroeger, dat is meegenomen door de gebeurtenissen in de tijd, een zacht zeurende pijn achterlatend in het hart.
In een hoek, half verscholen onder een deken van kleine blaadjes ligt een kleine gedenksteen. De voorbije jaren hebben naast het verdriet ook de letters verweert. Een loom insect koestert zich in de warmte van het graniet, de gazen vleugels trillen in de zon. Het is alsof het graf zich heeft overgegeven aan de eeuwigheid.

Het is het graf van mijn vader. De man die ik zo innig lief had, maar waar ik tegelijkertijd ook een heel moeizame relatie mee had. De conservatieve man, die maar geen begrip wist te vinden voor de moderne beuzelarijen waar de hedendaagse jeugd zich mee bezig hield. Die bleef steken in zijn eigen katholieke achtergrond, star, streng, niet genegen ook maar een sprankje flexibiliteit te vertonen.
Die zijn kinderen met harde hand opvoedde, vrijheid was een woord wat wij in onze jeugd niet tegenkwamen.

Maar mijn vader was ook een heel andere man, hij was die onderwijzer die zijn hart had gegeven aan de dorpsschool. Hij liep door die smalle hoge gang, hoorde de klompjes klepperen en de schrille stemmen roepen. Mijn vader bepaalde wat de jeugd moest leren, wat de kinderen moesten weten. Vol liefde heeft hij al die kinderen begeleid, hen de weg gewezen naar volwassenheid, getracht hen te leren wat goed is en kwaad, en hoe je tussen deze twee het onderscheid kunt opmerken. Dit was zijn roeping, zijn wezen. Hier was hij op zijn plaats.

Op oude foto’s zie ik hem staan, zijn hoofd gebogen over een kind, dat trouwhartig naar hem opkijkt. Het kind is bereid naar mijn vader te luisteren. Mijn vader immers, geeft hem alles wat hij heeft. De sfeer die dat beeld uitademt, doet mij toch ongemerkt terugverlangen naar mijn vroege jeugd. Toen het gezag van mijn vader nog niet werd ondermijnd door mijn ontwikkeling naar volwassenheid. Toen hij nog gewoon mijn demonen verjaagde.

Deze plek kan het niet veranderen. Wat gebeurd is, laat zich alleen nog maar verzachten door de tijd. Maar deze plek zal voor altijd een deel van mijn wezen zijn. Net als mijn vader.