Het zit tussen de oren

Het zit tussen de oren, zeggen ze. Je moet het zelf doen. Jij bent de enige die er voor kunt zorgen dat je weer beter wordt en dat je je weer goed gaat voelen. Ze hebben makkelijk praten. Denken ze nou echt dat ik dat niet weet. Iedere zondag neem ik het me voor. Sterker nog, dan ga ik echt aan het werk. Ik doe dat al meer dan twintig jaar met heel veel plezier. Ik ben een van de besten, al zeg ik het zelf. Ik heb klanten waar ik al twintig jaar kom, die bij de lunch een bord voor me op tafel zetten en weten hoe ik mijn koffie drink. Klanten die hun hele ellende aan me voorleggen, waar ik eerst een uur koffie drink voor ik aan het werk kan gaan. Klanten waar ik een weekendje mee weg ben geweest, naar zo’n huisje in een park. Ik heb het beste werk van de hele wereld. Op zondagavond weet ik dat. En ik weet dat het me gaat lukken, ik ga het gewoon doen. Lekker aan het werk. Het komt allemaal goed. Beloofd.

Maar dan loopt de wekker af en is het maandagochtend. De gordijnen van de slaapkamer zijn nog dicht, ze sluiten de wereld nog veilig buiten. Mijn vrouw staat op en gaat voor de koffie zorgen. Ik hoor de vertrouwde geluiden en sleep mezelf uit bed met het gevoel dat ik nog vermoeider ben dan toen ik gisterenavond naar bed ging. Hoe gaat het?, vraagt ze dan. En ik zeg dat het goed gaat, ik wil haar niet bezorgd maken. Zij moet ook werken. Maar ik voel me zo bedonderd. Zo uitgeput. Alsof ik gisteren zes flessen hele slechte wijn heb leeggedronken. Mijn maag zit tegen mijn keel aan te duwen. Maar ik doe alsof er niks aan de hand is. Daar word ik steeds kundiger in, moet ik zeggen. Ik heb het idee dat mijn vrouw echt met een gerust hart de deur uit gaat. Misschien is dat ook maar schijn, maar goed, ik doe mijn best. Tenslotte kan zij er niks aan doen.
Ik drink mijn koffie. Rustig, met kleine slokjes, anders komt hij gelijk weer terug. Stiekem kijk ik op de klok. Het gevoel van angst in mijn maag wordt steeds groter. Welke klant ligt ook weer boven op de stapel. Ik weet het niet. Het enige dat ik weet is dat ik de deur niet uit durf. Ik kan die mensen toch niet onder ogen komen. Wat moeten ze wel denken. En dan gaan ze vragen hoe het met me gaat, omdat ze me al zo lang niet meer hebben gezien. Ik weet niet wat ik dan moet zeggen. Moet ik ze vertellen dat ik zo’n watje ben dat niet naar buiten durft en bang is voor wat andere mensen van hem zeggen. Maar ik kan ze ook niet zomaar voorbij lopen. Ik ken die mensen immers al zo lang. Soms zou ik willen dat ik onzichtbaar kon zijn, gewoon mijn werk doen zonder dat ik met iemand hoef te praten. Het knijpende gevoel in mijn maag wordt steeds erger. Ik zit onrustig te schuiven op mijn stoel. Mijn vrouw stopt eindelijk haar spullen in haar tas en doet haar jas aan. Niet dat ik haar weg wil hebben, ik zou haar het liefste de hele dag bij me hebben. Ze kust me en wenst me succes vandaag. “Pas maar goed op jezelf,” zegt ze. Ik knik. Ik hoor de voordeur achter haar dichtvallen. Nog even wacht ik tot ik zeker weet dat ze weg is. Dan ren ik naar het toilet om over te geven.
Ik durf niet naar mijn werk te gaan. Het idee alleen al maakt me ziek. Ik blijf net zo lang op het toilet tot er niks meer in mijn maag zit en ik alleen nog maar die bittere gal proef. Wat gebeurt er toch steeds met me? Ik ben toch nog steeds dezelfde als vroeger. De huisarts zegt dat ik een depressie heb. Maar hoe komt dat dan toch? En waarom helpen die medicijnen niet? Ik begrijp er niks van. In het weekend, als ik samen ben met mijn vrouw en onze hond, voel ik me prima, zelfs vol goede moed om maandag weer aan de slag te gaan. Maar waarom hang ik dan op maandag weer kotsend boven de pot? Hoe lang kan ik dit nog volhouden? En hoe lang houdt mijn vrouw dit nog vol? Want zij is toch destijds met een hele andere vent getrouwd. Ik moet het veranderen, ik moet aan het werk. Nu.
Met een zucht haal ik mijn jas tevoorschijn en pak mijn spullen. Ik ga het doen, ik ga de deur uit. Wat denken ze allemaal wel! Ik ben een man en geen muis. Ik start mijn auto en rij de straat uit. Mijn maag draait zich bijna om. Nog voor ik de snelweg bereik, moet ik stoppen. Het lukt niet, het lukt echt niet. Trillend en zwetend draai ik om en rij naar huis. Ik parkeer mijn auto weer op de oprit. Hopelijk kom ik de buurvrouw niet tegen. Die ziet mijn auto weer een dag voor de deur staan. Met een enorm gevoel van verslagenheid zet ik mijn spullen in de keuken en loop naar boven. Ik kleed me uit en kruip in de veilige geborgenheid van mijn bed. Deze dag zal ook wel weer voorbij gaan. Morgen ga ik het weer proberen, misschien gaat het dan beter. Het zit tussen de oren, zeggen ze. Ik weet het niet, misschien wel. Maar waarom doet het dan zo’n pijn?

(Gepubliceerd in Schoon Schip, 21e jaargang, 2014, nummer 1)

7 reacties op ‘Het zit tussen de oren

  1. Begrijpender kun je het niet schrijven. Erg onder de indruk. Ik wist dat het moeilijk was, maar je kunt je niet echt inleven. Knap hoe je dit op papier hebt gezet.

  2. heel mooi verwoord en dat t tussen de oren zit is een conclusie van anderen…u heeft uw tijd nodig om te helen…door de druk van buitenaf wordt het geheel alleen maar erger omdat u aan u zelf gaat twijfelen…Ik weet wat het is en herken het verhaal…Ik ben er doorgekomen…maar wel op mijn snelheid…heel veel sterkte

    1. Het is inderdaad het oordeel van anderen dat hard kan binnenkomen. Mijn man is goed op weg, hij is in ieder geval weer een gelukkig mens. Nog niet de oude, dat niet, maar we hopen dat dat komt.
      Bedankt voor je reactie.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.