Manisch

Mijn schoonmoeder was manisch depressief. De diagnose werd pas heel laat gesteld. “Weemoedig”, noemde zij het zelf. En daar ging je niet mee naar de huisarts, dat liet je gewoon gebeuren. In de manische periodes was ze immers toch heel gelukkig. Als wij bij mijn schoonouders kwamen, en ma stond in de keuken uitbundig te zingen, riep mijn schoonvader altijd dat het heel goed ging. Wij knepen echter onze tenen bij elkaar en wachtten op de terugval.

Een manische periode was sowieso geen feest. Ik zie zo weer het stomverbaasde gezicht voor me van de standwerker die zijn nieuwste groente rasp stond te demonstreren. De wortelsliertjes die naast het apparaatje op een bord vielen, werden door mijn schoonmoeder gretig verslonden. “Ma!” ”Wat, dat vindt die man helemaal niet erg.” Nee, die man was veel te verbouwereerd om er wat van te zeggen.

Of die boer, waar mijn schoonmoeder toen ze bij een vriendin op de boerencamping logeerde, iedere morgen om half zes aan de koffie schoof. “Dat vindt die man goed hoor, anders zegt hij er wel iets van.” Waarschijnlijk koesterde de man een ieder jaar terugkerende campinggast en nam hij mijn schoonmoeder daarom maar voor lief. Als boerendochter hielp ze hem ook graag bij het verzorgen van de schapen. Ik weet niet of hij dat prettig vond, mijn schoonmoeder heeft het hem nooit gevraagd.

Ze bracht ook veel cadeaus voor ons mee. Spullen waar we niks mee konden maar die we, gezien de prijs op het kaartje, ook weer niet klakkeloos in de vuilbak wilden gooien. Het was een lastige spagaat. Ik, als schoondochter, kon helemaal niet veel goed doen. Ik wist het immers toch altijd beter. Nu was dat helemaal niet zo, maar in een dergelijke periode is iemand die nog wel nuchter kan nadenken altijd een bedreiging.

De manische perioden werden ook afgewisseld met intens verdrietige perioden. Weken waarin mijn schoonmoeder niet van de bank kwam. Haar huis, waar ze altijd zo trots op was, werd door haar verwaarloosd en ze kon het niet eens opbrengen om een maaltijd op tafel te zetten. De huisarts schreef medicijnen voor maar ook deze man werd afgesnauwd en niet geloofd. Wel zocht ze haar heil bij mooi pratende kwakzalvers. Mensen die haar beloofden van de pijn af te komen. Niet dat ze hadden onderzocht waar die pijn vandaan kwam, dat niet. Handenvol geld gaf zij hier aan uit, wanhopig op zoek naar een oplossing. Niet alleen zij ging ver, de prutser die haar beloofde via een antenne, gericht op haar huis, haar aardstralen te onderbreken, ging wat ons betreft ook veel te ver.

Later gingen de hyperactieve perioden over in agressie. Met schrik in het hart gingen wij bij haar op bezoek. Wat soms begon als een onschuldig gesprek, kon in een seconde omslaan in de meest heftige verwijten. Mijn schoonvader heeft in die periode heel wat naar zijn hoofd geslingerd gekregen. Wij ook, maar wij konden weer naar huis. Vrienden en kennissen begonnen weg te blijven, ook zij werden regelmatig afgesnauwd en verwenst. Een avondje gezellig keuvelen zat er niet meer in. Er hoefde maar iets te gebeuren en de sfeer werd direct dreigend.

Mijn schoonmoeder had niet in de gaten dat zij zelf door haar gedrag de mensen wegjoeg. Ze kon er ook niks aan doen, haar ziekte bracht het met zich mee, maar het was een vicieuze cirkel waarin ze was beland. Ze verweet de mensen dat ze niet meer kwamen en voelde zichzelf steeds meer het slachtoffer. Wij bleven komen, natuurlijk, en ondergingen met gebogen hoofd de toorn.

Eens werd het mijn man te veel. Hij zocht zijn moeder op in het ziekenhuis, waar ze op dat moment voor een longaandoening werd verpleegd, en kreeg in een volle zaal de meest vreselijke verwijten naar zijn hoofd. Hij heeft haar aangekeken en is weggelopen. Tot groot verdriet van hemzelf, maar hij kon er niet meer tegen. De schaamte over het gedrag van zijn moeder was te groot.

Uiteindelijk was het ook een longaandoening die mijn schoonmoeder fataal werd. We hebben gewaakt aan haar bed, tot haar hart stopte en haar de rust gaf waar ze zo wanhopig naar op zoek was. Het gezegde luidt “van de doden niks dan goeds”, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook wij deze rust koesteren.

Eerste Hulp bij Ongelukken

Als gecertificeerd onhandige ben ik gespecialiseerd in kleine ongelukjes. Ik laat dingen vallen, stoot dingen om, het is geen kwestie van onwil, het gebeurt gewoon. Grote hilariteit in mijn familie dus toen ik aankondigde een EHBO-cursus te gaan volgen. “Jij…!? Ach die arme slachtoffers.” De meest vreselijke scenario’s werden me voorgespiegeld, van het per ongeluk op een gebroken been gaan staan tot “oeps, nu is zijn nek echt gebroken.” Ik hoorde het goedmoedig gelaten aan, tenslotte heb ik meer vertrouwen in mezelf dan mijn zusters dat hebben.

Met een clubje van 11 startten we die eerste dag met koffie. Na kennis gemaakt te hebben met de instructeurs kon de les zijn aanvang nemen. Een beetje onwennig stapten we het klaslokaal binnen. De cursus werd gegeven in het gebouw van een middelbare school dus we namen, sinds jaren weer, plaats op de ongemakkelijke stoeltjes.

Ik leerde het verschil tussen soorten verband. Hoe ik een mitella moest aanleggen en wat een brede das was. De Lotusslachtoffers leerden ons dat je een slachtoffer nooit uit het oog mocht verliezen. Dat werd direct bestraft met een volleerd uitgevoerde flauwte. Natuurgetrouw gleden de dames van de stoel op de grond. Daar stond je dan met je goed gedrag, even op weg om een verband te halen en hup, daar gingen ze. De les was natuurlijk dat jij je om het slachtoffer bekommert terwijl je iemand anders vraagt, of liever nog opdraagt, om de spullen te gaan halen.

Wat een respect voor die dames. Het was dat de grijnzende medecursisten ernaast stonden, anders zou je toch echt geloven dat ze ladderzat uit de kroeg kwamen gehobbeld. Steekwonden, brandwonden, botbreuken, hyperventilatie, het kwam allemaal voorbij. We legden slachtoffers in de stabiele zijhouding, controleerden ademhalingen en leerden hoe we de Heimlichgreep moesten uitvoeren. Met veel geduld leerden de instructeurs ons dat je een slachtoffer echt niet vanachter moet benaderen, omdat hij anders bij het omkijken zijn toch al geblesseerde nek weleens helemaal zou kunnen breken.

Gelukkig was er ook veel ruimte voor hilariteit. Als een ongeoefende cursist bij een medecursist een hoofdverband aanlegt, leidt dit tot komische situaties die in The Mummy helemaal niet zouden misstaan.

De avond van het examen was zenuwslopend. Ik moest zelfs nadenken over wat links en wat rechts was. Met het gelach van mijn zussen in mijn achterhoofd deed ik mijn uiterste best. En het zal niet met vlag en wimpel zijn geweest, maar ik was in ieder geval geslaagd.

Het was een leerzame cursus. Ik hoop het geleerde niet te veel te hoeven gebruiken. Ondanks dat ik nu in ieder geval geleerd heb wat ik moet doen. Maar wat ik vooral geleerd heb, is dat je niet direct moet gaan rennen maar eerst de situatie moet doorgronden. Vaststellen wat er daadwerkelijk aan de hand is en welke actie daar bij past. En dat kan ik in mijn dagelijks werk ook prima gebruiken.

 

Zaterdagboodschappen

Mijn schoonvader wordt wat slechter ter been. Dat is eigenlijk een eufemisme, de arme man heeft door zijn reumatische aandoening een behoorlijke vergroeiing aan zijn voeten. Hij heeft aangepaste schoenen, een brace en een paar weken geleden is er een teen geamputeerd omdat die zo vreselijk vergroeide dat hij er alleen maar last van had. Hij draagt het blijmoedig, het loopt toch wel weer wat beter. En hij is zijn humor ook niet verloren, getuige het feit dat hij zijn pedicure om korting heeft gevraagd. Tenslotte hoeft ze nog maar negen tenen te verzorgen.

Met zijn scootmobiel maakt hij de hele stad onveilig. Met het apparaat standaard ingesteld op haasje, alsof alle ouderen trouwens seniel zijn, haasje en schilpadje, maar dat terzijde, op haasje dus, scheurt hij bijna op twee wielen door de bocht. Hij haalt bij de traiteur zijn maaltijden en bij de slijter zijn borreltjes. Tot dusver geen enkel probleem. Het enige waar hij tegenaan loopt, sinds hij zijn rijbewijs semi-vrijwillig heeft ingeleverd, zijn de wekelijkse boodschappen. Want een mens leeft niet alleen van warme maaltijden en een glaasje. Dus heb ik me opgeworpen om hem te helpen. Eens in de twee weken rijden we samen een rondje, supermarkt, slager, waar hij maar heen wil. Ik pas me aan.

Gewapend met boodschappenlijstje betreden we de supermarkt. Ik duw het karretje en volg braaf mijn schoonvader. Zijn lijstje is op route opgesteld dus we hoeven de winkel maar één keer door. Daar kan ik nog wat van leren, ik moet nog wel eens terug naar het begin omdat ik weer eens een artikel over het hoofd heb gezien. Mijn schoonvader niet, hij heeft zijn lijstje en stapt doelbewust door de gangen. Zelfs hij kan zich ergeren aan de huisvrouwen die hun sociale leven ontlenen aan de supermarkt. Terwijl hij toch tijd genoeg heeft, zou je denken. Nee hoor, gedecideerd duwt hij karretjes opzij terwijl hij “mag ik er even bij” moppert.

Hij is ook nog van de oude stempel, pinnen doet hij niet. Hij wil graag overzicht houden over zijn uitgaven. Het is een logica die ik niet helemaal volg, maar goed. Hij is de baas. Nadat de bon is gecheckt en keurig opgeborgen in de beurs, zet ik de boodschappen in de auto. En rijden we terug naar huis.

De eerste keer maakte ik me al zorgen hoe ik al die boodschappen bij mijn schoonvader thuis kon krijgen. Natuurlijk, er is een lift, maar het is toch een paar keer lopen. Mijn schoonvader dirigeerde me echter naar de achteringang van het gebouw en het bleek dat ik de inventiviteit van de senioren schromelijk had onderschat. “Wacht maar even”, hij liep een berging in en kwam terug met een winkelwagentje. “Gekocht voor een euro”, grijnsde hij breed, “we gebruiken het allemaal hier in huis.” Alle boodschappen werden ingeladen en ik duwde blijmoedig achter hem aan naar de lift. Ideaal. Op mijn weg terug zette ik het karretje weer keurig terug op zijn plaats. Klaar voor de volgende keer.

 In de auto terug naar huis glimlach ik bijna de hele weg in mezelf. Natuurlijk, af en toe kan ik wel zuchten omdat de boodschappenrit me niet altijd uitkomt, maar uiteindelijk zou ik de humor ervan niet willen missen.

 

 

Vrijheid van meningsuiting

Vroeger was het geschreven woord voorbehouden aan “echte” schrijvers en journalisten. Een selecte groep mensen die ons voorzag van het dagelijkse nieuws en de boeken die we lazen. Ook de commentaren op artikelen werden door deze mensen verzorgd. Naast de inhoud werd ook aandacht besteed aan de vorm.

Met de komst van Social Media is er echter een hele nieuwe groep nieuwsbrengers opgestaan. Mensen die via hun Facebook- of Twitteraccount de hele wereld voorzien van commentaar. Geen enkel onderwerp wordt uit de weg gegaan.

Het is tegenwoordig dan ook verplicht om overal een mening over te hebben. Iedereen vindt iets van alles. Of het nu gaat over het vluchtelingenprobleem, de bezuinigingen in de zorg of de bonuscultuur bij de banken, mensen gaan volledig los in hun commentaren. En natuurlijk, iedereen heeft recht op zijn eigen mening, maar hoort daar dan ook bij dat je maar zonder gêne de meest kwetsende quotes op het internet gooit? Ik kan me verbazen over wat mensen elkaar toewensen. Hele creatieve verwensingen hoor, dat wel. Ziektes waar je nog nooit van gehoord hebt, ongemakken die je hoopt nooit te hoeven ondergaan.

En dit alles gesteld in een vorm van onze Nederlandse taal waar mijn leraar Nederlands op de middelbare school nog nooit van gehoord heeft. Ik weet niet of de goede man nog leeft, zo niet, dan draait hij zich zeker om in zijn graf.

Wat ook nieuw is, is dat mensen zich ook niet meer generen als ze voor televisie geïnterviewd worden. Met het meeste gemak worden politieke vraagstukken van commentaar voorzien. Houd iemand een microfoon onder zijn neus en hij loopt leeg. Burgemeesters, ministers, iedereen wordt bekritiseerd. Je hoort ook steeds dezelfde opmerkingen; “het vertrouwen is weg en dus moeten ze (nog net niet zullie) aftreden.” Mensen praten elkaar na zonder zichzelf af te vragen of ze voldoende feitenkennis hebben om dergelijke opmerkingen te maken.

Ik heb mezelf voorgenomen om me nooit te mengen in dat soort discussies. En al zeker niet op Facebook of Twitter. Mensen waarvan ik denk “bij jou wil ik niet horen” worden ook zonder pardon ‘ontvolgd’ of ‘ontvriend’. Ook hele mooie nieuwe woorden waar diezelfde leraar Nederlands nog nooit van heeft gehoord. Natuurlijk heb ik over sommige zaken wel een mening. En natuurlijk praat ik ook wel met mensen over bepaalde zaken. Maar er zijn ook genoeg onderwerpen waar ik niks of te weinig van weet. En dan ga ik echt niet iedereen vermoeien met kreten die nergens op slaan. Dat doen er al genoeg.

Veel mensen zijn van mening dat “tegenwoordig alles gezegd moet kunnen worden”. Maar je vraagt je toch serieus af, verwarren die mensen het begrip “vrijheid van meningsuiting” niet met “het, ongehinderd door enige vorm van intelligentie, je bek maar een douw geven”.

 

 

De digitale wereld van de mantelzorger

Als mantelzorger was ik al bekend met de fenomenen steunkousen en gebitten. Medicijnen worden geleverd aan de rol, de slager brengt eens per week de maaltijden en eenmaal per twee weken rij ik met mijn schoonvader naar de supermarkt om zijn voorraad koffie en biertjes aan te vullen. Dat gaat snel, zijn boodschappenlijstje maakt hij op looproute en hij is niet van het winkelen, hij koopt wat hij nodig heeft. Tot zover geen enkel probleem, het is een kleine moeite.

Lastiger wordt het als er weer een envelop is binnengevallen met lijsten die ingevuld moeten worden. En dat zijn er door het jaar heen toch stiekem best een aantal. Mijn schoonvader opent de envelop, ziet dat er wat ingevuld moet worden, en hangt aan de telefoon. “Zeg, ik heb een brief gekregen..” Ik weet wat er van me verwacht wordt, het liefst dezelfde dag nog even langskomen, de brief meenemen en zorgen voor een zorgvuldige en accurate afhandeling. Ik heb me verdiept in huursubsidies, eenmalige uitkeringen aan chronisch zieken, windschermen voor scootmobielen, noem het en ik weet bij welk loket ik moet zijn. Er zijn weinig instanties die niet hebben kennisgemaakt met mijn vasthoudendheid. Waarschijnlijk zijn er ook best wel mensen die hebben gedacht “mens, bel je nu al weer…” Ja, inderdaad, als mijn schoonvader er recht op had, moest hij het krijgen. Al was het alleen al omdat hij me anders blijft stalken.

Ieder jaar voorziet de belastingdienst alle Nederlanders van overzichten. Wat je moet betalen, welke toeslagen voor je gereserveerd staan. Keurige blauwe enveloppen vallen in de bus, soms meerdere tegelijk. Voor iedere mededeling een aparte brief, keurig gesteld. Ook die brieven worden netjes bewaard. Op jaar, in de map, bij de andere belastingzaken. Nog een geluk dat mijn schoonvader zo goed georganiseerd is, bij anderen moet je eerst het halve huis door om de benodigde bescheiden te verzamelen. Ik heb ooit jaaropgaven uit een nachtkastje moeten halen, geen idee waarom die juist daar bewaard werden, zo opwindend waren ze niet.

Eind vorig jaar kwam de belastingdienst ineens met een mededeling. Men ging afscheid nemen van de oude vertrouwde envelop. Reclamespotjes met een eenzaam wachtende hond op de deurmat moesten ons voorbereiden op een digitale belastingtoekomst. Tenslotte heeft iedereen tegenwoordig toegang tot het wereldwijde web. Hoewel, iedereen, er is toch nog een groot aantal mensen, wat meer op leeftijd, dat bij het woord muis alleen denkt aan het piepende beestje dat zo charmant met een stukje kaas gaat slepen. En niet aan dat kunststof blokje waarmee je een pijltje over een scherm laat manoeuvreren. En inderdaad, mijn schoonvader is er daar één van. “Hoe moet dat nou”, vroeg hij, “moet ik nu een computer kopen?” Gelukkig kon ik hem geruststellen, ik kan van afstand zijn gegevens opvragen. “En wat moet je dan hebben?” Hij kon zich er niet veel bij voorstellen, het feit dat ik via telebankieren zijn rekeningen kan inzien is al een wonderlijk gegeven, laat staan dat ik kan ophalen hoeveel toeslagen hij krijgt. Braaf heb ik alles gedownload en geprint. Na bestudering gingen de papieren in de administratiekoffer. Tenslotte wil mijn schoonvader wel graag compleet blijven. De werklast voor de belastingdienst is fors afgenomen, ik moet weer wat extra handelingen verrichten. Ach, begrijp me niet verkeerd, voor mijn schoonvader doe ik het met liefde. Ik vraag me alleen af of over sommige dingen wel wordt nagedacht.

Leuker kunnen wij het niet maken, en voor de mantelzorger ook niet makkelijker.

Hoi pap

De school waar jij zoveel jaren onderwijzer bent geweest, bestaat dit jaar 100 jaar. Wat is het leuk om te zien dat jij nog op zoveel oude foto’s staat en dat nog zoveel oud-leerlingen precies weten wie je was. En goede herinneringen aan je bewaren. Deze maand zou je 83 jaar oud zijn geworden. Zou, natuurlijk, want je bent uiteindelijk maar 66 geworden. Inmiddels al 17 jaar geleden. Wat heb je veel gemist. Wat is je veel bespaard gebleven, eigenlijk. De perikelen rond je jongste dochter, de medische problemen van mama, jouw vrouw, het overlijden van de man van je tweede dochter, haar aneurysma in Oostenrijk, tijdens de vakantie. Wat zou je in paniek zijn geweest.

Soms denk ik weleens, je hebt er zelf voor gekozen. Je had je dochters op de plaats van bestemming, althans, voor het moment. Alle vier een relatie, een huis, je hebt zelfs je twee kleinkinderen leren kennen. Ze kunnen je zich denk ik niet meer herinneren, zeker de jongste niet, die was pas een jaar toen je overleed, maar jij hebt ze gekend. Wat was je trots op die meisjes. De mooiste kleinkinderen van de hele wereld.

Ik heb het al eens eerder gezegd, ik heb je nooit goed gekend. Je was voor mij die conservatieve man die niet wilde begrijpen dat de wereld niet meer was zoals jij zou willen. Wat waren er veel thema’s die jij niet wilde en kon begrijpen. Je kon naar de televisie kijken en je verbazen over wat je daar voorgeschoteld kreeg. Ik denk dat je het niet durfde te zeggen, omdat je eigen vader het vroeger ook zei, maar dat je dacht “waar moet het heen met de wereld”. Moeilijke onderwerpen ging je ook uit de weg, je ontkende gewoon dat het bestond, klaar. Het enige onderwerp waarbij we elkaar konden vinden was het katholieke geloof. Jij omdat je een trouw volgeling van de kerk was, ik omdat ik het fascinerend vind hoe een club oude mannen wereldwijd zoveel macht kan hebben.

Na je dood las ik je dagboek, je “gedachtenboek”, je had in oktober al een gedicht voor kerstmis en voor de jaarwisseling geschreven. Een bijzondere jaarwisseling, aan de vooravond van een nieuwe eeuw. Alsof je aanvoelde dat je het zelf niet mee zou maken. Wat was je een diepgelovig mens, ik schrok ervan. Je vertrouwde volledig op jouw god en een gelukkiger leven in het hiernamaals. Iets wat mij niet gegeven is, daar ben ik veel te achterdochtig voor.

Je ging zonder iets te zeggen. Gelukkig is ook een ziekbed je bespaard gebleven. Je ging slapen en werd nooit meer wakker. Mensen zeggen, “wat hard, je hebt geen afscheid kunnen nemen.” Nee, dat klopt, maar we hebben je ook niet hoeven zien aftakelen. In onze herinnering ben je nog altijd “ons pap” en geen zieke oude man. En daar heb ik inmiddels vrede mee en ik denk je andere dochters ook. Natuurlijk hadden we je gegund dat je 100 jaar oud zou worden. Het heeft helaas niet zo mogen zijn.  

Ik mis je niet in mijn dagelijks leven, daar heb je eigenlijk nooit een groot deel van uitgemaakt. Maar soms zie ik je foto staan, je vertrouwde gezicht met dat scheve lachje, en dan voel ik heimwee.

 

 

Vroom & Dreesman

Vroeger, heel lang geleden, mocht ik weleens met mijn moeder mee om te gaan winkelen. Dat was op zich al een hele belevenis. Als je de oudste van vier kinderen bent, heb je ouders die erg druk zijn. Zeker in een tijd dat de wasdroger en de vaatwasser nog geen gemeengoed waren. Natuurlijk kon je ook je kinderen laten afwassen, maar toch. Zo af en toe wist mijn moeder tijd te maken en dan togen we samen, met de bus, naar de stad. In mijn herinnering was het dan altijd koud dus mijn moeder zal mij in de zomer wel met mijn zussen op pad hebben gestuurd. “Ga maar fietsen, en neem je zusjes mee.”

Het busstation was altijd een deprimerende omgeving. Lelijke stadbussen stonden te wachten onder betonnen grijze overkappingen om mensen van het station naar de diverse wijken in de stad te brengen. Wij hoefden daar geen gebruik van te maken, wij moesten immers naar het centrum. En dat was op loopafstand van het station. Diep in je jas gedoken, op een station waait het altijd. Het beeld van de eenzame krant die wegwaait is daar ontstaan, ik weet het zeker.

In de winkelstraat leek het altijd warmer. Alsof de mooi ingerichte etalages de straat verwarmden. Ik vergaapte me aan de schoenen, de kleding en alle andere zaken die waren uitgestald. Meestal werd het aangename met het nuttige verenigd en kreeg ik ook een nieuwe winterjas of een nieuw paar schoenen.

Ik ben van de generatie die nog is opgegroeid zonder de zegen van internet en het online shoppen. Ik heb wat in paskamers gestaan, mezelf en het witte licht vervloekend. Een jas passen ging nog wel maar als je een nieuw badpak moest hebben… Ik denk dat er weinig vrouwen zijn die niet weten wat ik bedoel. In de tijd dat ik nog met mijn moeder ging winkelen, was de paskamer niet eens mijn eigen domein. Ik weet nog goed dat ik voor de eerste keer, als veertienjarige, een beha ging kopen. Ik was er op voorhand al ongelukkig mee, want ik was als tiener niet helemaal gelijkmatig in de groei, zal ik maar zeggen. Mijn moeder gaf me een aantal exemplaren mee en dirigeerde me de paskamer in. Daar stond ik dan, met ontbloot bovenlijf, het kippenvel op mijn armen, onhandig te wurmen met haakjes en bandjes. “Lukt het?”, het hoofd van mijn moeder stak tussen de gordijnen door, gevolgd door het hoofd van meneer Beerens, de eigenaar van Beerens Textiel, waar mijn moeder al ons ondergoed placht te kopen. Nee, ik heb zelfverzekerdere momenten gekend.

Maar goed, in de winkelstraat, gearmd met mijn moeder, kon ik al die ellende achter me laten en genieten van de mensen, de lichtjes en de gezelligheid. Een van de hoogtepunten was dan ook als we bij Vroom & Dreesman binnen gingen. Bij binnenkomst had je de afdeling mutsen en handschoenen, maar die lieten we al snel achter ons. Eigenlijk kan ik me niet herinneren dat we de hele winkel bekeken, meestal namen we de roltrap naar het restaurant. In het restaurant kreeg ik dan chocolademelk en een saucijzenbroodje. Mijn moeder nam koffie. Of zij zich te buiten ging aan ook een saucijzenbroodje weet ik niet meer. Het is ook al zo lang geleden. Volledig verkleumd namen we dan de bus weer naar huis. ’s Avonds in bed overdacht ik dan met een voldaan gevoel een geslaagde dag.

Ik denk niet dat er nog moeders zijn die hun dochters meenemen voor chocolademelk bij V&D. Binnenkort lijkt het ook helemaal niet meer mogelijk te zijn. Iconen als V&D lijken een voor een het loodje te leggen. Ouderwets, oubollig, niet van deze tijd. Aan de ene kant snap ik het wel, niks zo makkelijk als achter het toetsenbord kruipen en gehoor te geven aan die vrouwelijke behoefte aan kleding en schoenen. Wat niet past, stuur je gewoon weer terug. En passen hoeft niet in die verschrikkelijke hokjes maar gewoon in de beslotenheid van je eigen slaapkamer. Heerlijk.

Toch is het aan de andere kant ook wel weer jammer. Al die jeugdherinneringen die een voor een ter ziele gaan.

 

 

 

 

Een nieuw jaar

We kijken weer terug. Lijstjes worden gemaakt. Wie zijn we verloren, wat is er allemaal misgegaan. De stroom van vluchtelingen, de aanslagen die zijn gepleegd, mensen die daardoor geliefden zijn kwijtgeraakt. Wat hebben we elkaar toch weer aangedaan, het afgelopen jaar. De vele doden die weer zijn gevallen door toedoen van fanatiekelingen die de naam van God misbruikten. Of niet eens in naam van God, maar gewoon, omdat iemand zijn winstbejag stelde boven het leven van een medemens.

Je zou er bijna moedeloos van worden. Al die ellende, al dat verdriet. Het is moeilijk te blijven geloven in het goede en het mooie in de wereld. Toch is dat mijn goede voornemen voor het komende jaar. Te blijven geloven en te blijven liefhebben. Tenslotte bloeien de rozen ieder jaar opnieuw.

Gelukkig nieuwjaar.

 

De kerstmarkt

December is traditioneel de tijd van de kerstmarkten. Of, chiquer gezegd, de Christmas Fairs. En om niet uit de toon te vallen, togen mijn zusters en ik naar een Country & Christmas Fair. We kochten kaartjes via internet, dat dan weer wel, en dompelden ons onder in de ouderwetse Dickens-sfeer. De entree alleen al was indrukwekkend.

We waren op slag vergeten dat we in een blubberige berm hadden moeten parkeren, waardoor onze schoenen direct gedegradeerd waren tot modderige klompen. Dat we in de kou hadden staan wachten op een pendelbus, met een chauffeur die de opdracht had gekregen het gezelschap van overwegend vrouwen vriendelijk naar de plaats van bestemming te brengen. Hij probeerde het echt, maar de grap die hij vertelde had een langere baard dan de Kerstman die de ingang sierde.

We hobbelden en hielden ons vast aan lussen en leuningen. De bus was afgeladen vol dus we moesten staan. In de scherpere bochten kwamen de puntige knieën van de meneer die naast mij wel een zitplaats had veroverd angstig dichtbij. De man zelf zag er ook niet echt uitnodigend uit, hij bekeek het schouwspel in het gangpad van de bus met een zeker dedain. “Als je op tijd bent, heb je wel een goede plaats”, ik zag het hem denken.

Eenmaal de ingang voorbij keken wij onze ogen uit. De organisatie had uitgepakt, dat was een ding dat zeker was. Overal stonden vuurkorven, de geur van kampvuur bracht ons terug naar onze jeugd, door de kou naar de nachtmis, worstenbrood als we daarna thuis kwamen. We keken elkaar aan, de belofte was goed. Eensgezind begonnen we aan de route met kraampjes. Het was druk.

En dus liepen we direct tegen de eerste tegenvaller aan. Want wat opvalt op een beurs, met name als er veel vrouwen zijn, is dat er geen rekening wordt gehouden met de medepassagiers. De schier oneindige stoet aan bezoekers komt soms abrupt tot stilstand omdat een van de reizigers ineens bedenkt dat hij (meestal zij) iets is vergeten, of iets heeft gezien dat nog een keer extra bezichtiging behoeft. Zo ook deze keer. We botsten tegen ruggen, werden bijna de ogen uitgestoken door een dame die haar metgezel iets wilde aanwijzen en toen het een klein beetje ging miezeren en de zorgvuldig gestylde kapsels beschermd moesten worden met een uit de kluiten gewassen paraplu, beschermden we onze ogen tegen de punten daarvan. Mensen met een paraplu zien niets en kijken ook nergens naar.

Het publiek was wel divers. Het varieerde van degelijke huisvrouwen met stevige veterschoenen aan, liefst van het merk Mefisto, want “dan krijg ik in ieder geval geen zere voeten Mien”, tot over de top uitgedoste supernichten die hun stulpje tijdens de feestdagen omtoveren tot een waar kerstparadijs. Alles was er, van mus tot paradijsvogel.

Uiteraard kochten ook wij voor teveel geld spullen waar we niks aan hebben. Thuis is het weer wikken en wegen, wat gaan we weg gooien om de nieuw verworven schatten tentoon te kunnen stellen. Ik hoorde mijn echtgenoot al lachen “en, wat ga je nu weer op zolder zetten bij de andere rommel.”

In een ouderwets kraampje vonden we een plaatsje en konden we glühwein drinken. Dat hoort er bij, ook al is het normaal gesproken van een kaliber dat direct een maagverkramping veroorzaakt. Het viel dit keer mee, er waren stukjes appel en sinaasappel toegevoegd en je kon ruiken dat er ook een kaneelstokje in de buurt geweest moest zijn. We zaten goed en bekeken vrolijk alles wat voorbij kwam. Tegen de tijd dat twee bijzonder uitgedoste dames, door de organisatie ingehuurde figuranten in het Dickens-toneelstuk, een liefdeslied aanhieven, was de drank gelukkig op en konden we verder.

Na een paar uur rondneuzen en rondkijken waren we voldoende verkleumd om de terugreis weer te aanvaarden.

In de bus terug zaten we tussen een groepje Urker plattelandsvrouwen. Zij waren gepakt en gezakt, grote tassen blokkeerden het gangpad. Een dame die later was, werd enthousiast gewenkt, “hier zitten wij”. Al zuchtend zeeg zij neer in de bank. Ondanks de Mefisto-stappers had ze toch pijn in de kuiten gekregen. Haar handtas van het formaat kleine koffer ging open en zij haalde een rol pepermunt tevoorschijn. Mijn zussen en ik keken elkaar aan en beten op onze wangen. En we namen ons serieus voor om volgend jaar weer te gaan.

 

 

Tegenwoordig gaan we overal aan dood

Tegenwoordig gaan we overal aan dood. Moesten we vroeger 3 glazen melk per dag drinken, wie herinnert zich Joris Driepinter niet, tegenwoordig zijn zuivelproducten een gruwel voor de gezondheid. De boterham met hagelslag, heerlijk favoriet bij de kleintjes, is inmiddels ook met stip op de zwarte lijst terecht gekomen. Eieren, je mag er maar één per dag, anders slibben je aderen geheid dicht. Het eigeel is namelijk puur vergif voor je cholesterol. Of toch, was het eiwit nu ineens weer het ultieme middel om datzelfde cholesterol naar beneden te krijgen.

Vlees, de nieuwste gruwel, is net zo schadelijk als alcohol en sigaretten. Je sterft een langzame dood door het te eten. Wellicht dat we binnenkort ook terecht kunnen bij de AV, de anonieme vleeseters. “Ik ben zwak geweest, ik ben gevallen voor een hamburger.” Een diepgaand wetenschappelijk onderzoek heeft dit uitgewezen. Het wachten is nu alleen op het volgende onderzoek dat dit weer ontkracht. Geloof me, dat is maar een kwestie van tijd.

De nieuwste onderzoeken wijzen uit dat je moet leven op noten, peulvruchten en groene thee. Oh, en vette vis. Maar hoe zit dat dan met andere onderzoek dat uitwijst dat er heel veel rubberdeeltjes van autobanden, van die banden afgesleten door het rijden, via onze rivieren in de zee terecht komen. De vissen krijgen die deeltjes dan via hun voedsel binnen en wij op onze beurt eten weer die vis. En krijgen dus dat rubber binnen.

Ook recyclen blijkt al weer niet gezond. De verpakkingen van onze producten geven hun inkt af aan hetgeen ze moeten beschermen. En wij eten dan die inkt weer op. Je zou er toch moedeloos van worden. Zeker in deze tijd van het jaar, de herfst en het jachtseizoen zijn qua eten toch wel mijn favoriete tijd. Helemaal niet verantwoord, ik weet het. Maar toch wel heel erg lekker.

Ook gebruiken we steeds meer medicijnen. Zonder Ritalin hoor je er op de middelbare school niet meer bij. Waar je vroeger als kind lastig was, en niet moest zeuren, word je nu gediagnosticeerd met ADHD. En moet je daar pillen voor slikken. Natuurlijk, laten we alsjeblieft gebruik maken van alle nieuwe ontwikkelingen maar laten we kritisch blijven.

Want waar we ook wanhopig naar op zoek zijn, is een medicijn tegen ouder worden. Oh de gruwel van een rimpel. Op televisie zien we alleen maar mooie mensen, slank, zonder de pukkels en plekjes die wij iedere ochtend in de spiegel aanschouwen. We worden er oprecht ongelukkig van. Gelukkig spelen de cosmeticafabrikanten in op onze behoefte en kunnen we voor een behoorlijk bedrag het gevoel kopen er toch alles aan te doen. Natuurlijk wijzen deze fabrikanten er wel op dat je hun producten moet blijven gebruiken. Om het beste resultaat te behalen. Financieel resultaat voor hun bedrijf dan natuurlijk. Onze rimpels zullen hen een zorg zijn.

Maar zien we niet de echte problemen over het hoofd? Is het niet zo dat deze maatschappij zoveel eist van mensen, dat zij het niet meer bij kunnen benen. Dat iedereen perfect moet zijn, vrouwen moeten fulltime werken, hun kinderen opvoeden, vrijwilligerswerk doen op de school van hun kinderen, hun huis in VT Wonen-staat houden en hun lichaam in de vorm van een topmodel. Mannen moeten carrière maken, papa-dag houden, hun steentje bijdragen aan het huishouden, sporten om hun lichaam in goddelijke staat te houden. Het is toch niet vreemd dat steeds meer mensen vermangeld raken en niet meer in staat zijn gelukkig te zijn.

Moeten, moeten, moeten. Eigenlijk moeten we daar eens goed over nadenken. Laten we dat doen als we samen met familie en vrienden aan tafel zitten, genietend van fazant met een goed glas wijn er bij.