Bolchrysant

 

IMG_20181110_160717_746

Onvoorstelbaar, hoe snel de zomer weer voorbij is. Natuurlijk, ik weet het wel, hij is nog niet helemaal voorbij, we krijgen vast nog een mooie nazomer, maar het is inmiddels toch al weer eind september. De bolchrysanten verschijnen alweer in de winkels. Mijn licht-autistische inslag verhindert me nog wel om er één te kopen. Een bolchrysant koop je nl. pas vanaf oktober. Vraag me niet waarom, ik kan het niet verklaren, maar het is zo. Net zoals je in oktober nog geen pepernoten koopt en dat je kerstboom pas na Sinterklaas in huis mag komen.

Ik koop er wel ieder jaar één. Een liefst zo groot mogelijke bolchrysant in mooie herfstkleuren. Iedere week gaat hij trouw even in een emmer water zodat de kluit niet uitdroogt en we er lang plezier van hebben. Stef is er niet zo van, die vindt volgens mij de bloemen enorm stinken. In de zomer ligt hij graag te tukken in de zon op onze zwarte tuintafel maar vanaf het moment dat de grote plant verschijnt, kruipt hij op zijn buitenkussen. Dat ligt ook lekker, dus ik heb er geen problemen mee.

In de Ardennen ga ik in deze periode ook graag naar het kleine kerkhof in het dorp. Ik ken er niemand maar ik kijk graag naar de oude graven en probeer me voor te stellen hoe de mensen een eeuw geleden hier geleefd moeten hebben. Het kerkhof is in oktober en november ook versierd met honderden chrysanten. Het lijkt alsof er een explosie van kleuren heeft plaatsgevonden. Als er op een graf maar één plant staat, valt dat gewoon op. De meeste zerken zijn bedolven. Ik heb het idee dat deze traditie in Nederland een heel eind weg is gezakt. Terwijl het toch wel heel mooi is, om je geliefden op die manier te herdenken. Misschien vinden veel mensen een bolchrysant een nare plant, omdat ze doen denken aan mensen die gestorven zijn. In Azië wordt dat heel anders gezien, daar staat de bloem symbool voor geluk, gezondheid en een lang leven. En wenst men de overledene hierdoor het eeuwige leven toe. Dat is mooi, eigenlijk moeten wij daar ook zo over denken.

Het graf van mijn vader is er inmiddels niet meer. We hebben zijn as uitgestrooid. Maar de bolchrysant die ik deze herfst ga kopen, zal me toch aan hem herinneren. 

 

Karretje

stef-kapotte-kin.jpg

Soms zag hij het vrouwtje wel eens op zo’n raar ding stappen met twee wielen. Ze moest dan een soort pedalen ronddraaien en dan ging ze vooruit. Heel bijzonder. Ze ging dan nog steeds langzamer dan hij kan rennen dus hij zag het nut er niet zo van in. Maar goed, als ze dat leuk vindt. Het baasje heeft ook zoiets, maar die hoeft niet te bewegen. Dat is wel relaxter. Hij gaat ook veel sneller, die kan hij niet bijhouden. Toch blijft ook dat een vreemd apparaat. Hij heeft het er niet op.

Het baasje heeft ook een karretje gekocht dat je achter die rare dingen kan hangen. Hij ziet het vrouwtje er geregeld boodschappen mee doen. Wel handig, zo kan ze wat meer meebrengen. Het schijnt alleen niet precies daarvoor bedoeld te zijn. Daar kwam hij pas nog achter. Tot schade en schande. Het baasje had het wagentje achter zijn scooter gehangen en riep hem. Hij weet het heus wel van zichzelf, hij is heel nieuwsgierig en dat breekt hem soms op. Dus hij kroop op aangeven van het baasje in dat rare wagentje. Die ritste het dicht en daar zat hij dan. Met alleen een gat boven zijn hoofd en verder niks. Brr, rete-eng. En wat nog veel griezeliger was, hij voelde dat het karretje ging rijden. Het wiebelde en hobbelde en hij hield zijn poten stijf onder zich. Echt, dat was helemaal niks voor hem. Als hij nou eens…..

Het was even aanzetten in zo’n krappe ruimte maar het lukte toch. Met een scheve sprong was hij door het gat in het dak uit het karretje. Hij hoorde het vrouwtje geschrokken roepen. Natuurlijk ging dat stomme ding nog om ook en viel boven op zijn lijf. Hij schoof vooruit over het grind.

Het baasje stopte meteen en hielp hem overeind. Natuurlijk was er niks aan de hand maar het vrouwtje keek ontzet. “Kijk toch eens naar zijn kin.” Zelf zag hij niks maar hij moest mee naar binnen en er werden rare witte lapjes tegen zijn kin gehouden. Volgens het vrouwtje ‘bloedde hij behoorlijk”. Nou, hij was al lang blij dat hij uit dat rare karretje was. En als hij zo eens naar het vrouwtje en het baasje keek, hoefde hij ook niet meer terug in dat stomme ding. Jammer alleen dat ze dat prikkende spul tegen zijn kin hield. “Dat ontsmet”, zei ze. Geen idee wat dat betekent.

Ach, soms moet je drastische maatregelen nemen om mensen ervan te overtuigen dat bepaalde dingen helemaal niet leuk zijn. Ook al denken zij van wel. Gelukkig had hij zelf nergens last van terwijl het baasje en vrouwtje toch een beetje een schuldgevoel hadden. En dat leverde behoorlijk wat snoepjes op. Niks zeggen, gewoon een beetje zielig doen. Mensen, zo makkelijk voor de gek te houden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Herinneringen

grave-674443_1920

Als je terugkijkt, is de tijd toch wel enorm snel gegaan. Soms blijkt dat uit iets dat je zomaar ineens met je neus op de feiten drukt. “Wat gaan we doen met het graf van papa, het wordt nu twintig jaar oud en de grafrechten moeten vernieuwd worden. Willen we dat?” Natuurlijk is het uiteindelijke antwoord op die vraag aan mijn moeder. Het is haar beslissing. Ze denkt erover na en besluit dat we nu zijn as gaan uitstrooien. Het graf wordt geruimd, wat een vreselijk nare omschrijving. Maar goed, het heet zo.

Dus wordt er een datum geprikt, een afspraak gemaakt met het kerkbestuur om het graf te openen. We hebben het over de plaats waar we de as gaan uitstrooien. Het moet een plekje zijn waar papa graag kwam. Dat wordt dus in De Moer. We halen herinneringen op en komen tot een goede plek. Natuurlijk moet het ook bereikbaar zijn, tenslotte moeten we er wel kunnen komen.

Ik vind het toch een bijzonder idee. Gaan we dit nu echt doen? Is het echt al twintig jaar geleden dat papa overleed. Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Ik stond aan mijn bureau, was net binnen, ik had net koffie gehaald, toen mijn telefoon ging. Mama. Het eerste dat ik dacht was “ben ik iets vergeten, ligt mijn jas nog bij hen?” Maar nee, het was iets heel anders. Ik weet nog dat ik mijn maatje belde en dat die ook vol ongeloof reageerde. “Hoe kan dat nou, we zijn er gisterenavond nog geweest.” Dat ongeloof, dat zou nog dagen blijven hangen. Alle mensen die ik belde om het nieuws te brengen, reageerden ook op die manier. Zijn broer, die vol verbazing vroeg “mijn broer?” Alsof het alleen iemand anders zijn broer kan overkomen.

Ik kan me de afscheidsmis ook nog zo voor de geest halen. Het kleine kerkje, de zonnestralen die door de gebrandschilderde ramen op de kist vielen. De vele bloemen. Het was druk, er moesten mensen staan. Iemand speelde The Last Post. De trompetmuziek ging op dat moment door merg en been. Het was een prachtige oktoberdag.

Ik kwam niet veel bij het graf waar zijn urn was geplaatst. En straks is het er niet meer. Maar zijn foto staat op dat speciale plekje waar ik herinneringen heb staan aan geliefden die er niet meer zijn. Daar kan ik iedere dag naar kijken.

Battledamage repairkit

make-up-1209798_1920 (1)Heerlijk, twee weken vakantie. Even niks moeten, geen wekker die afloopt. Gewoon lekker een beetje aanrommelen. En dat nog in de aanloop naar mijn favoriete maand, september. Wat wil een mens nog meer. Even kijken wat we allemaal mee moeten nemen. Het wordt mooi weer dus de zomerkleding mag nog in de koffer. Maar ook een trui, het koelt ’s avonds wel al behoorlijk af. “Vergeet je niet om brokken voor Stef mee te nemen.” Ach, het arme beest, hij zou toch eens honger moeten lijden. Niet dat hij niet wat kwijt kan, zijn baasje knijpt hem al voor de jaarlijkse afspraak met de dierenarts die net na de vakantie staat gepland. Want eerlijk is eerlijk, Stef is wel wat te dik.

Systematisch wordt de auto gepakt. Mijn maatje kan dat prima, ik bemoei me dan ook nergens mee. Ik zet alleen maar klaar wat er mee moet. En loop in gedachten alles nog even na. “Niks vergeten?” “Nee, niks vergeten.” Stef springt op de achterbank en stelt zich met een hoorbare zucht in op een paar uurtjes kachelen. Het is zaterdag, dus het zal niet al te druk zijn.

En inderdaad, na twee uurtjes rijden zijn we op ons favoriete plekje in de Ardennen. Ik ruim de koffers uit en vul de ijskast. Oh, ja, ik had een nieuw rolletje wattenschijfjes meegenomen. Dat kan in het vakje bij de toiletspullen. En dan zie ik het ineens. Ik ben wel iets vergeten. Ik ben mijn beautycase vergeten. Al mijn make-up, al mijn cremetjes en schoonheidsrommel, het ligt allemaal thuis.

Nou ben ik niet echt een hele zware poederdoos. Mascara en eyeliner, daar houdt het wel mee op. Maar dat is dan ook iets dat ik nooit vergeet. Ik teken eerst ’s morgens mijn ogen op mijn gezicht en ga dan pas de deur uit. En dat al vanaf (denk ik) mijn zestiende jaar. Ik ga niet de deur uit zonder. Dan voel ik me bloot. “Daar ben ik mee geboren.” En nu ligt al dat spul thuis. Wat een ellende.

Mijn maatje snapt het probleem niet maar snapt wel dat ik het een probleem vind. Hij vindt mij prima zoals ik ben. Heel lief, zeker, maar ik heb toch altijd maar liever wat maquillage. Gelukkig zijn in België de supermarkten ook op zondag open. Wel jammer dat ik zelf moet, mijn maatje heeft geen verstand van mascara en zou beslist met precies het verkeerde thuiskomen. Dus stapte ik, met mijn naakte gezicht, op mijn fiets en ging op pad. Een uurtje later stond ik met een blij gezicht voor de spiegel.

En de grap is, mensen kijken helemaal niet vreemd naar je. Dat zit heel gewoon in je eigen hoofd.  Maar ach, iedereen heeft recht op een tic, toch?

 

Regen

boots-774533_1920

Iedere kampeerder kent het wel, een dag waarop het alleen maar regent. Je hoort het al als je ’s ochtends wakker wordt. Het ritmische tikken op de caravan of tent. In de tijd dat wij met een tent gingen kamperen, was dit bij voorkeur op de laatste dag. Dan kon je alles kliedernat inpakken en reed je urenlang met een muf ruikende tent in de auto naar huis. Gelukkig was het daar dan meestal stralend weer zodat hij ook weer snel droog was. Dat was dan weer een voordeel.

Nu zijn we wat luxer uitgerust en draai ik me nog eens een keer om als ik het hoor druppen. Geen stress, het droogt vanzelf wel weer een keer op.

Ik loop op zo’n dag ook graag een keer over de camping. Zeker in de zomer, als de temperatuur op zich prima is, zie je her en der kleine tentjes staan. “Hoe doen die mensen dat?”, vraag ik me af. Ik zie nergens stoelen en de tentjes zijn zo klein dat je er volgens mij alleen maar languit in kunt liggen. Ach, misschien zijn ze in hun slaapzak gekropen en wachten ze op betere tijden. Kinderen maakt het niks uit, die stappen in hun rubber laarsjes en vervolgens met gierende pret in de grootste plas die ze kunnen vinden. Lekker stampen, wie de hoogste spetters kan maken. Samen met hen kan ik daarvan genieten.

En een beetje schuldig moet ik ook toegeven dat ik ook altijd stiekem plezier heb als mensen niet in de gaten hebben hoe zwaar water kan zijn. Luifels die keurig waterpas gesteld zijn, buigen onder hun last en bezwijken. En dan moet je daar niet onder staan want daar helpt geen regenjasje aan. Vaak is het dan de vrouw die de laag water krijgt. Waarna de man ook weer de volle laag krijgt. Het is immers zijn schuld dat de luifel bezwijkt. Tenslotte heeft hij hem opgezet. Kamperen heeft zo zijn invloed op relaties.

Tegenover ons stonden op een gegeven moment mensen die duidelijk nog niet vaak hadden gekampeerd. De caravan stond prima maar zij hadden geen luifel bij zich. Hmm, geen probleem. Er werd een losse tent gekocht en die werd voor de caravan geplaatst. En voor beginners, ik moet het zeggen, was de tent uitmuntend opgezet. Keurig en kaarsrecht. Ze keken er allebei tevreden naar. Zij konden lekker buiten zitten. En inderdaad, dat ging prima. Helaas voor hen trok er op een gegeven moment toch een klein buienfront over. En natuurlijk net op een dag dat zij een dagje weg waren. Het superlichte materiaal was niet tegen zoveel geweld bestand en zakte heel langzaam maar wel zeker in elkaar. Het was een zielig gezicht, die stokken zo zielloos omhoog en het doek verfomfaaid in de plassen. Ik ben benieuwd wie van hen de schuld heeft gekregen. Ze hadden de tent toch in goede harmonie opgezet. Een dag later stond hij weer. Niet meer zo mooi wit, niet meer zo mooi strak maar waarschijnlijk wel wat beter bestand tegen het weer. Ach, al doende leert men.

 

Rages

smoothie-3697014_1920

Wij Nederlanders zijn een nieuwsgierig volkje. We staan open voor ontwikkelingen en rages en proberen alles uit. Uiteraard slaan we daar weer regelmatig in door. Iedereen moet verantwoord eten, een killerbody ontwikkelen en supersonische sapjes drinken. Dat deze er uit zien als iets dat door een filter met compost is gelopen, dat doet er minder toe. Het is goed voor je. We volgen collectief de gezondheidsgoeroe.

Tot er natuurlijk weer een nieuwe voorganger opstaat. Met een nieuw plan en een nieuw dieet. En hup, de hele goegemeente slaat mee af in de opdragen richting.

In de tijd dat mijn ouders dertigers waren, was de wereld een stuk kleiner. Zij hadden geen last van deze rages. Uiteraard was de wereld toen ook een stuk bekrompener, dat wel. Maar bij verjaardagen werden bakjes chips op tafel gezet. Toastjes met ham-prei salade. En natuurlijk glaasjes met sigaretten, met en zonder filter. Oei, je zou afgeschoten worden als je dat vandaag de dag zou wagen.

Het liefste bewandel ik de tussenweg. Ik ben allergisch voor rages die mij vertellen dat ik de hele dag moet leven op een rauwe wortel. Maar ik snap ook wel dat je niet ongestraft maar wat kunt doen. Ik ga ook niet naar de sportschool. Dat zit niet in mijn genen. In zo’n kleurig pakje stiekem kijken naar vrouwen die gestroomlijnd en gebruind met trots voor zo’n grote spiegel staan. Die staan ook nooit te klunzen. En ik regelmatig. Nee, dank u.

Ik koop ook nooit boeken van dergelijke goeroe ’s. Geen kookboeken en ook geen lifestyle-boeken. Daar word ik alleen maar verdrietig van. Die discipline kan ik echt niet opbrengen. Ik heb er trouwens ook geen tijd voor. Ik moet werken, plezier maken met mijn maatje, voor mijn hondje zorgen en dan wil ik ook nog wel eens gewoon ongegeneerd op de bank hangen. Liefst met een glaasje wijn. En als dat dan betekent dat ik geen killerbody ontwikkel, tja dat moet dan maar. Een mens kan niet alles hebben.

Ik denk alleen dat we moeten uitkijken met dat doorslaan. Ik heb niet meer de leeftijd dat ik me te veel zorgen maak over wat andere mensen van me vinden. Ik ben te oud om als schoonheidsideaal veel volgers te trekken op Instagram. Mijn account staat vol foto’s van mijn hond. Het zijn meer de jonge vrouwen waar ik me dan zorgen over maak. Ze moeten zo veel. Het hele plaatje moet kloppen en perfect zijn. Het lijkt me zo vermoeiend.

Soms is het best fijn om wat ouder te zijn. Het geeft op een bepaalde manier ook rust. Als ik in mijn oude afgewassen joggingbroek achter mijn laptop kruip om te schrijven of huiswerk te maken, vindt mijn maatje dat gezellig. Ik hoef het decorum niet op te houden. Ik kijk meewarig naar al die druktemakende vrouwen op televisie, die mij willen vertellen dat ik het helemaal verkeerd doe. En als mijn maatje dan vraagt of ik een wijntje wil, zeg ik volmondig “hè ja, gezellig”.

 

 

Suiker

pick-and-mix-171342_1920

Als kind kreeg ik van mijn moeder wel eens felgekleurde zuurtjes. Mijn zussen en ik deden een wedstrijdje wie de meest blauwe of rode tong had. De snoepjes op zich waren eigenlijk niet eens zo heel lekker. Het ging om de kleur. Waarschijnlijk zat er megaveel kleurstof in, ik weet het niet. Ik geloof ook niet dat mijn moeder zich er zoveel zorgen om maakte. We kregen ze niet iedere dag en ze werden ruim gecompenseerd door bruine boterhammen met kaas.

Tegenwoordig zijn dergelijke snoepjes zwaar verboden. Suiker is het nieuwe vergif. Van rode snoepjes word je agressief en blauwe snoepjes, laten we daar helemaal maar over zwijgen. Toch wel jammer voor de kinderen van nu. Als er toentertijd kinderen jarig waren, werd er in de klas getrakteerd op dropveters of spekken. Ik heb geen idee wat er tegenwoordig getrakteerd wordt. Volgens mij zitten zelfs in mandarijntjes te veel suikers. Op televisie zie ik dat het glazuur spontaan van mijn tanden springt als ik alleen nog maar kijk naar een banaan.

Wij gingen vroeger in de meimaand naar de Hasseltse kapel in Tilburg. Niet omdat we zo devoot waren, maar omdat er in die maand overal snoepkraampjes stonden om dat kleine kapelletje. Het was een waar walhalla voor ons kinderen. Je wist niet waar je moest kijken en wat je moest kiezen. Zuurballen, kaneelstokken, spekken, stroopsoldaatjes. Te veel om op te noemen. Ik weet dat het nog bestaat maar ik vind het al bijna een wonder dat het nog niet is verboden door de suikerpolitie. Waarschijnlijk worden de ouders die de kraampjes bezoeken verguisd door ouders die zich meer verantwoordelijk noemen.

Er waren in mijn kindertijd wel meer kinderen met een slecht gebit, dat wel. Maar ook dat heeft voor mijn gevoel meer te maken met het schoonheidsideaal van deze tijd. Tenslotte hoor je er als kind niet bij als je geen beugel hebt gehad.

Frisdrank had mijn moeder eigenlijk nooit in huis. We kregen thee, als we uit school kwamen. En gewone melk bij het eten. Maar misschien heeft iemand uitgevonden dat dat ook niet goed was. Je weet maar nooit. Waarmee ik nog altijd niet wil zeggen dat vroeger alles beter was, helemaal niet. Maar op sommige gebieden was het wel wat relaxter.

 

 

 

 

 

Roedel

Stef camping

Met een zucht keek hij naar het vrouwtje. Ze snapte er ook niks van. Hoe kon hij nou rustig gaan liggen als hij zo moest opletten. Op het plaatsje recht tegenover de caravan stonden die aardige meisjes met hun vader en schuin tegenover de caravan stond die vriend van het baasje. Eigenlijk was dat wel iets te ver uit elkaar. Zo kon hij niet goed overzien of er iets gebeurde. En daarom liep hij er steeds naar toe. Maar het vrouwtje snapte dat maar niet. Die riep hem steeds maar terug. Ze vond het ook veel te warm om teveel te lopen. Net of dat er iets toe deed.

Toen ze even iets moest doen, was hij toch maar weer overgestoken. Even kijken of alles in orde was. Hij hoorde aan haar stem dat ze er niet blij mee was. “Waar is Stef nòu weer?” Oei. “Waarom kan hij nou niet even rustig hier blijven, hij is de hele dag al op pad.”

Hij keek even om maar ze kwam met grote stappen op hem af. Aan zijn riem werd hij meegetrokken naar huis. Zijn voorpootjes raakten de grond niet eens. Hij ging maar gauw tussen de benen van het baasje liggen. Niet dat die hem dan hielp, die was het toch wel meestal eens met het vrouwtje. Hmm. Hij kon het ook niet goed uitleggen.

Die meisjes waren ook wel heel aardig. Als ze bij het kraantje stond riepen ze hem altijd. Dan ging hij ook even kijken. Dat mocht gewoon, het was op hun eigen plekje. Maar als hij dan naar hun camper liep, was dat weer niet goed.

Eigenlijk konden ze toch ook niet van hem verwachten dat hij nooit iets verkeerd deed. Mensen hadden zoveel regeltjes, onvoorstelbaar. En als je dan dacht dat je het door had, dan was het ineens weer anders. Het was toch niet te volgen. Mensen waren soms echt hele moeilijke wezens. Bij honden was het veel makkelijker. Je rook aan elkaar en soms snauwde je naar elkaar en dan wist je precies waar je aan toe was. Heel simpel. En zelfs dat vonden mensen vaak niet goed.

Gelukkig waren zijn baasjes niet zo heel moeilijk. Over het algemeen vonden ze wel veel dingen goed. Je moest er toch niet aan denken dat je de hele dag moest doen wat ze zeiden. Daarom probeerde hij zich wel te houden aan de regels. Alleen als de roedel dan uitgebreid werd, zoals deze week, dan was dat toch weer lastig.

Waarom konden ze niet gewoon bij elkaar blijven zitten. Met een zucht liet hij zich op zijn kussen zakken. Het was inmiddels donker en er was bijna geen geluid meer op de camping. Eindelijk rust.

Smartphone

iphone-410311_1280

Je ziet ze toch nog regelmatig voorbij komen. Bestuurders in hun auto met hun telefoon aan hun oor. En het zijn vaak echt niet de kleine “goedkope” autootjes, vaak zijn het de duurdere Mercedessen of Audi’s. Ik vraag me dan altijd af of die mensen hun laatste cent hebben uitgegeven aan die glanzende bolide en geen geld meer over hadden voor een simpele carkit. Zo duur hoeft dat toch niet te zijn. Of zou het stoer zijn,” kijk mij eens, ik kan best een bekeuring betalen.” Je merkt het ook altijd aan hun rijgedrag, ze verminderen ineens hun vaart en gaan achter een andere auto of vrachtwagen hangen. Of hebben ineens meer ruimte nodig dan alleen hun eigen rijstrook. Heel bijzonder. Ik ben niet zo belangrijk, ik word niet zo vaak gebeld, maar ik heb wel een handsfree carkit. Gewoon, omdat ik een boete zonde vind van mijn geld.

De smartphone lijkt toch steeds meer een onlosmakelijk geheel te vormen met de mens. Ik persoonlijk ken niemand die er geen bezit. Als je door de stad loopt, moet je slalommen om de op hun beeldscherm turende meute te ontwijken. Ik snap niet waarom je dan nog door de stad loopt. Eigenlijk kunnen die mensen beter thuis blijven, dan kunnen ze rustig zitten tijdens het appen en swipen. Het hele idee van shoppen gaat er toch aan op die manier.

Het meest bijzondere vind ik de stelletjes die gezellig samen op een terrasje zitten. Drankje, schaaltje olijven en smartphone. Ze praten niet met elkaar maar loeren constant naar hun schermpje. Zouden ze elkaar appjes sturen, vraag ik me dan af.

“Zeg schat, wil jij nog een drankje?”

“Ja lekker, doe maar.”

“Dan zal ik de ober even roepen.”

Het liefst zouden ze de bestelling ook nog telefonisch doorgeven. Ik denk dat er een moment komt waarop dat kan, ik weet het bijna zeker. Dan hoeven ze helemaal niet meer te praten.

Ik heb ook een smartphone. Ik gebruik hem vaak en inderdaad nog het minste om te bellen. Ik app, check Social Media, gebruik apps die het mogelijk maken van afstand de verwarming van mijn huis hoger of lager te zetten, ik ben echt wel een fan. Het ding zal alleen nooit een vervanging kunnen zijn van het plezier wat je kunt hebben met een groep vrienden op een terrasje in de zon. De onderwerpen hoeven helemaal niet hoogdravend te zijn, eigenlijk liever niet. Wat gaat er boven het lachen om gewone alledaagse dingen. Gelukkig is daar nog steeds geen app voor uitgevonden.

 

 

 

 

Quality time

InstagramCapture_c934307f-35fb-4fa3-bf40-12276a61a680

Hé, dat was vreemd. De campingspullen werden klaargezet maar het vrouwtje ging gewoon werken. Ze kwam hem net als altijd een knuffel geven en zei dat hij heel braaf moest zijn. Nou is hij dat altijd, dus dat is geen moeite. Maar toch gek dat ze gewoon op de normale tijd naar haar werk ging. Het baasje zat op zijn gemak aan de koffie, dat was ook niet anders dan anders. Hmm.

Even later kwam er toch leven in de brouwerij. Het baasje ging inderdaad de campingspullen in de auto zetten. Ook zijn dingen werden ingepakt. Nee, dan was het goed. Met een gerust hart ging hij weer liggen. Het baasje zou hem niet vergeten.

En inderdaad, even later was alles ingeladen en werd hij geroepen. “Kom joh, we gaan.” Ah, was dat het, gingen ze samen naar de camping? Enthousiast sprong hij van de bank. Want als hij alleen met het baasje ging, dan kreeg hij toch wel meer aandacht, eerlijk is eerlijk. Als hij dan zijn bal bij het baasje op schoot legde, ging die meestal toch wel de werpstok pakken. En als het vrouwtje er bij was, bleef hij nog wel eens zitten.

En, en dat was ook een groot voordeel, als het vrouwtje er niet bij was, kon hij lekker ’s nachts naast het baasje kruipen. Hij weet nog goed de eerste keer. Het baasje sliep en hij was heel stilletjes naar het bed gelopen. Normaal keek hij niet zo nauw maar nu had hij er voor gezorgd dat hij het baasje niet wakker maakte. Hij had zich lekker opgekruld en was gaan slapen. Het baasje had hem pas opgemerkt toen hij er ’s nachts even uit moest. Hij had het dekbed open geslagen en over zijn lijf heen gegooid. Daar was hij van geschrokken en had een beetje gebromd. Dat had het baasje gehoord. Hij moest vreselijk lachen en zei dat hij een kleine stinkerd was. Maar hij mocht toch blijven liggen. Lekker hoor. Toen na een paar dagen het vrouwtje kwam, moest hij wel weer naar de bank verhuizen. Dat lag ook lekker, maar naast het baasje was gezelliger.

’s Morgens moest hij wel wat langer op zijn eten wachten dan thuis. Het baasje ging altijd eerst koffie pakken. Thuis zorgde het vrouwtje eerst voor zijn eten. Het baasje wilde eerst even wakker worden. Ach, hij wist het inmiddels en hij vond het niet zo erg. De dag was nog lang genoeg.

Het vrouwtje bleef nooit zo lang weg, maar een paar daagjes. Hij merkte het wel aan het baasje als ze zou komen, die keek dan toch wel vaker op zijn horloge. En zette dan ook altijd een extra glaasje op tafel. Maar wat wel grappig was, hij had het toch altijd als eerste in de gaten als ze er aan kwam. Hij herkende het geluid van de auto veel beter dan het baasje. En hij was er ook altijd als eerste om het vrouwtje te begroeten. Want eerlijk is eerlijk, het was toch maar het beste om compleet te zijn.