
Ik had iets gegeten wat niet goed voor me was. Wat precies, daar zijn we het nog niet helemaal over eens. Het vrouwtje noemt het iets wat je absoluut niet had mogen eten. Ik noem het iets dat toevallig onder handbereik was. Dat is toch echt een groot verschil.
In ieder geval begon mijn buik een paar uur later rare dingen te doen. Eerst ging het rommelen. Toen begon het te borrelen. En daarna klonk het alsof er ergens diep in mij een complete verbouwing was begonnen.
Ik ging liggen.
‘Stef?’
Ik bleef heel stilletjes liggen.
‘Wil je een snoepje?’
Normaal gesproken kom ik voor het woord snoepje overeind alsof ik zojuist ben gestoken door een wesp. Nu niet, ik keek alleen even op en legde mijn kop weer neer.
Toen wist het vrouwtje dat het ernstig was.
Ze kwam naast me zitten en aaide over mijn buik. Ai, dat deed zeer, ik piepte een beetje.
‘Ach, mannetje toch.’
Ja inderdaad.
Ik voelde me verschrikkelijk. Mijn buik deed pijn, mijn poten wilden niet, mijn eten hoefde ik niet en zelfs Kaatje kreeg geen reactie toen ze met haar neus tegen mijn oor duwde. Ze keek me verbaasd aan. Waarschijnlijk dacht ze dat ik dood was. En dat ze eindelijk mijn kussen in kon pikken. Het vrouwtje dacht ondertussen ongeveer hetzelfde als Kaatje, alleen dan zonder dat gedeelte over dat kussen.
Ze belde de dierenarts en we konden meteen komen. Normaal probeer ik daar altijd duidelijk te maken dat ik prima in orde ben en dat iedereen vooral van mijn achterwerk af moet blijven. Deze keer liet ik alles gebeuren. Voelen, luisteren, prikken. Als iemand had voorgesteld mijn staart te amputeren, had ik waarschijnlijk gedacht, vooruit maar, als mijn buik maar ophoudt. Ik kreeg een spuit. En we kregen medicijnen mee voor thuis.
Langzaam werd het rustiger daarbinnen. Geen bouwvakkers meer. Geen zware machines. Alleen een wat vermoeid gerommel. Thuis kroop ik in mijn mand. Het vrouwtje ging naast me zitten.
‘Niet meer van die domme dingen eten, hoor Stef?’
Ik keek haar aan. Nee, natuurlijk doe ik dat niet meer. Nooit meer. Tenminste, voorlopig.
