Sport

Net als de meeste Nederlanders heb ik genoten van de Olympische Spelen. En was ik apetrots op de prestaties van mijn landgenoten. Ik ben helemaal niet sportief, dat heeft nog nooit in mijn genen gezeten. Daarom vind ik het superknap als iemand alles opzij kan zetten om de top te behalen. En als je daar dan op zo’n podium staat en je krijgt die medaille omgehangen, ja, dan geloof ik dat er niet veel mooiere dingen bestaan. Want alles heeft moeten wijken voor je sport. Je jeugd, uitgaan, stappen, gewoon een keer op een terrasje hangen en niks doen. Het is er allemaal niet bij. De discipline die de sporters moeten opbrengen, ik heb er wel bewondering voor. En als Sifan Hassan dan zo uitzinnig blij over de finish komt en later op het podium staat. Ja, dat doet toch wel wat.

Een misschien nog wel grotere prestatie krijgt in de media toch altijd minder aandacht. Onterecht, vind ik. Van 28 augustus tot en met 8 september 2024 zijn de Paralympische Spelen in Parijs. Meer dan vierduizend topsporters komen dan naar de Franse hoofdstad voor het grootste evenement in de wereld voor sporters met een beperking. Vanuit Nederland gaat ook een groot aantal sporters die kant uit. Mensen die ondanks een beperking deelnemen aan de meest uiteenlopende sporten. Als ik hen zie hardlopen of zwemmen, poeh, ik doe het hen niet na. Als je je bedenkt welke hobbels en horden zij allemaal hebben moeten nemen om zo ver te komen. Dan is het maar goed dat er steeds mee aandacht komt voor deze sporters. Want aandacht betekent geld. En dat is voor hen natuurlijk ook cruciaal. Gelukkig zijn er tegenwoordig ook ‘volwassen’ sponsors die ook een volwassen budget hebben. En zijn de steden die de Olympische Spelen organiseren ook verplicht om de Paralympische Spelen te organiseren. Langzaam maar zeker komt het evenement en zijn deelnemers beter op de kaart.

En dan is het maar te hopen dat Parijs ook tijdens die weken oranje kleurt. Dat hebben deze sporters dubbel en dwars verdiend.

Warm

Pff, het is wel warm hoor. Hij gaat zelfs maar niet in de zon liggen. Kaatje wel natuurlijk, die ligt op het plekje waar hij vroeger altijd lag. Tegen het tuinhuisje, met je buik in de zon. Dat mag ze hoor, voor hem is het nu toch veel te warm. Hij ligt het liefst op de koele tegels in de kamer. Of op het kussen boven, als het vrouwtje zit te werken. Gek toch, vroeger had hij daar eigenlijk nooit last van. Dan hoorde hij het vrouwtje tegen het baasje zeggen dat ze dachten dat hij een beetje gek was. Om zo pal in de zon te gaan liggen. Maar dat was lekker, op de camping in het gras of in het zand.

Nee, stiekem is hij nu wel blij dat hij thuis moet blijven als het vrouwtje met Kaatje gaat lopen tussen de middag. Kaatje is altijd zo enthousiast en dat is toch wel een beetje lastig als het zo warm is. Dan kruipt hij lekker op het grote kussen en wacht tot ze weer thuis zijn. Want hij krijgt dan toch altijd wel snoepjes.

Laatst hadden ze echt een hele grote kauwstok gekregen, allebei. Poeh, hij zag wel dat het een klus zou worden om dat helemaal op te krijgen. Maar, hij was er toch vol goede moed aan begonnen. Kaatje had haar kluif mee naar buiten genomen en was al volop bezig. Het was wel lekker, dat zeker. Kaatje had echt binnen een mum van tijd die hele kluif opgegeten, onvoorstelbaar. Natuurlijk kwam ze toen naast hem liggen om te kijken of hij misschien nog een stukje voor haar overliet. Hmm.

Het vrouwtje was in de keuken en deed de koelkast open. Dat is toch altijd wel interessant dus hij ging daar maar eens kijken. Terwijl hij naast het vrouwtje stond, pikte Kaatje gauw zijn kluif en sjeesde er mee naar buiten. Hij zag het wel. En hij zag dat het vrouwtje het ook gezien had. Die gaf hem gauw een paar stukjes kaas en nam hem mee naar boven.

Weet je, vroeger zou hij echt zijn kluif wel terug zijn gaan halen. En hij weet zeker dat Kaatje hem afgegeven zou hebben. Maar och, hij is ook ooit jong geweest. En het is niet zo erg, die stukjes kaas waren erg lekker. En als hij eerlijk is, voor hem ook wel makkelijker op te eten. Want tja, dat krijg je hè, als je wat ouder wordt.

Zorgzaam, deel 4

Ik begin ze al te kennen. Zij mij niet, ik word iedere keer weer enthousiast begroet en uitgebreid bekeken. Maar ik weet al wie er regelmatig aan de grote tafel zitten. De rijzige man die denk ik nog jonger is dan ik, het oude kleine dametje dat steevast gekleed gaat als Roodkapje. Ik probeer de oude brompot dan ook altijd te bewegen mee koffie te gaan drinken. En eerlijk gezegd, dat lukt ook altijd. Ik denk dat hij het zelf ook gezellig vindt maar dat hij voor de vorm net doet of hij het niet naar zijn zin heeft. Het is nu eenmaal een lastige oude man en dat houdt hij zelf ook graag in stand.

Laatst zaten we er weer. Ik had koffie gezet, ik zwart en hij twee scheppen suiker en een scheut melk, en we zaten aan de grote tafel in de huiskamer. Twee oude dames zaten te knikkebollen en een andere zat aan een laat ontbijt. De beker met tabletten vormde het grootste gedeelte van haar ontbijt, een gevolg van oud worden, denk ik. Op een gegeven moment kwam er een vrolijke man de kamer binnen stappen. Hij groette iedereen joviaal en werd ook op zijn beurt door iedereen begroet.

‘Jij bent een nieuw gezicht!’ De harde ‘g’ viel direct op.

Zo gek is hij dus nog niet, dacht ik oneerbiedig.

‘Ik ben Machteld.’

Hij stak zijn hand uit. Een dikke gouden armband bungelde om zijn pols.

‘Ik ben Cor.’

Tja, het hele plaatje klopte. Ik moest er in mezelf erg om lachen.

‘Kan ik je voorzien van koffie, Cor?’

Dat wilde hij wel. Dus ik liep naar de keuken en schonk voor hem in. Na de eerste slok werd ik nog even teruggestuurd voor wat extra suiker. Ik wachtte op de standaarduitdrukking en werd niet teleurgesteld.

‘Ik ben heel zoet van m’n eigen.’

Ook hij kreeg twee boterhammen, in kleine stukjes gesneden en even later zat hij met smaak te eten.

De omgeving begint te wennen. Ik heb niet meer de neiging om na tien minuten heel hard weg te rennen. Ik begrijp ook steeds beter dat je gewoon mee moet veren. Niet tegenspreken maar gewoon doen alsof het allemaal heel normaal is. Het kost me nog wel moeite maar ik ga het wel leren. En ik weet in ieder geval voor volgende keer hoe Cor zijn koffie drinkt.

Nieuwe spullen

In de tweeëneenhalf jaar dat ik nu samen met Stef en Kaatje in mijn huis woon, heb ik natuurlijk al best dingen moeten vervangen. Soms omdat ze gewoon versleten waren, andere keren omdat ik er op uitgekeken was. Ik ben niet van het makkelijk vervangen, ik raak ook wel gehecht aan spullen. En soms heb ik er niet eens erg in. Dan is het zo gewoon dat die dingen er zijn, dat ik het niet meer zie.

En natuurlijk zijn er dingen die me herinneren aan mijn maatje. Die we samen hebben uitgezocht en daar samen blij mee waren. Of de verzameling klokken waar hij zo van hield. Die gaan ook niet weg, zelfs al lopen ze niet meer. Ik heb niet het hele huis omgegooid nadat hij er niet meer was. Niet omdat ik het als nagedachtenis in stand wil houden maar omdat het ook altijd al mijn huis was. Waar ik me thuis voelde.

Maar zoals dat gaat, zeker als je twee rouwdouwers van honden hebt, af en toe moet er toch iets groots vervangen worden. De bank die in mijn woonkamer staat, wordt gebruikt als hondenmand. Het is al een oudje en met de komst van Kaatje is hij er niet mooier op geworden. De hoes die ik er overheen heb gehangen is me eigenlijk ook een doorn in het oog. Het past van geen kanten, wat ook komt door mijn onhandigheid. Ik kwam er namelijk na drie keer wassen pas achter hoe hij er nu eigenlijk echt omheen moest. Maar toch, ik vind het er niet uitzien. Langzamerhand groeide er een idee.

‘Ik moet een andere bank gaan kopen.’

Oei, spannend.

Want ik ben niet iemand die op zaterdag naar de woonboulevard gaat om meubels te kijken. Alsjeblieft, daar moet je me echt niet mee naar toe nemen. En eigenlijk weet ik ook wel wat ik wil. Iets dat zelfs mijn maatje geweldig had gevonden. Een Chesterfield. Geen nieuwe, die zijn nog niet mooi. Een mooie gebruikte.

Gelukkig is er op internet veel te vinden. Vrijdag wordt hij als het goed is gebracht.

Ik vind het raar. En dat vind ik weer raar van mezelf. Ik kan best dingen weggooien. Dat kan ik heel goed zelfs. Maar een dergelijk groot ding als een bank, zomaar in mijn uppie beslissen en kopen. Dat is best een stap kwam ik achter.

Zo komen er steeds meer dingen die mijn maatje niet heeft meegemaakt. Met als belangrijkste natuurlijk kleine Kaatje. Maar ook zo’n verandering in huis, dat stemt me dan toch even weer melancholiek. Want ik ben hem echt niet vergeten.

Prinses Kaatje

Het ligt aan de naam, ik weet het zeker. Een collega heeft een dochtertje dat ook luistert naar de naam Kaatje. Of eigenlijk, ze heet Kaatje, ze luistert er niet vaak naar. Hij vertelde ook laatst dat ze de aanspreektitel Prinses Kaatje prefereerde. Als ouder ga je daar dan maar in mee, vooral ’s ochtends als iedereen moet eten omdat het bijna schooltijd is. En inderdaad, ze liet liggen waar ze mee bezig was en schreed naar de eettafel om haar boterhammetje op te eten.

Mijn Kaatje stelt geen enkele voorwaarde aan het leegeten van haar bakje brokken, dat niet, maar verder weet ze precies hoe ze iedereen om haar vingertje moet winden. Als een waar prinsesje overziet ze haar gevolg. Wij, haar onderdanen, hebben ook allemaal een eigen taak. Ik ben voor de dagelijkse gang van zaken, het op schoot liggen ’s morgens vroeg om rustig wakker te kunnen worden, voor de brokjes en de rondjes met Stef. Mijn vriendje is voor de lange wandelingen en de snoepjes. En de logeerpartijen waarbij ze languit bij hem op de bank mag liggen.

Verder is Kaatje een heel zelfstandig hondje dat zich niet veel aantrekt van ‘hoe het eigenlijk hoort’. Volgens mij is dat ook iets dat alle Kaatjes hebben. Lekker zelfstandig en geen boodschap aan wat anderen doen. Ik hou ervan. Ik zie Stef af en toe kijken en zuchten, de arme hond is altijd zo heel braaf geweest en nu is er een stout meisje dat maar doet waar ze zelf zin in heeft. Niet dat ze daarvoor geen straf krijgt, maar ze mag toch ook gewoon altijd mee en ze krijgt net zoveel snoepjes als hij. Want Stef heeft wel meer privileges, maar dat is toch meer een gevolg van zijn gevorderde leeftijd. Arme Stef.

Ik kan me voorstellen dat mijn collega zijn kleine Kaatje ook af en toe wel achter het behang wil plakken. En dat hij zich af en toe afvraagt waarom het kleine meisje eigenlijk oortjes heeft gekregen. Ze gebruikt ze toch nooit. Daar heeft ze allemaal geen tijd voor.

Maar ach, één ding is wel zeker. Kaatjes maken de wereld een stuk kleurrijker.

Schrijven is een ambacht

Een jaar geleden schreef ik een blog met de naam ‘schrijven is een vak.’ Ik was toen net terug van een schrijfvakantie op Texel. Heerlijk een week met gelijkgestemden schrijven en leren over schrijven. En natuurlijk druk aan het werk met het verhaal voor de verhalenbundel Voetsporen. Het was een toffe ervaring om uiteindelijk je eigen hersenspinsels gedrukt en wel voor je te hebben liggen. Het maakte dat ik nog meer voldoening ging halen uit het schrijven.

Schrijven is ook een verslaving. Bovendien helpt het me om bij bepaalde gevoelens te komen. Als ik schrijf over mijn maatje, kan ik bij mijn verdriet. Dat heeft me enorm geholpen.

En zo kwam het dat het smaakte naar meer. Ik was al bezig met het schrijven van een eigen verhaal, een boek klinkt gelijk zo hoogdravend, en de schrijfweek gaf me inspiratie om verder te gaan. De personages gingen leven, een eigen leven leiden, en het verhaal kreeg steeds meer vorm. Maar als je schrijft, wil je ook gelezen worden. Dus moet je je houden aan regels. Een boek moet een bepaald aantal woorden hebben, de hoofdpersoon dient toch wel een reis af te leggen en moet aan het einde iets geleerd hebben. Allemaal zaken waar je rekening mee moet houden. Want honderd pagina’s ‘en toen, en toen, en toen,’ zijn niet heel uitnodigend voor de lezer. Dus worden boeken geschreven, tegengelezen en herschreven. Vaak diverse keren. Gelukkig heb ik een hele lieve coach gevonden die mij gaat helpen mijn verhaal zo op papier te zetten dat het hopelijk ooit een echt boek kan worden. Dat zou toch wel geweldig zijn. Tot die tijd is het voor mij ook een zaak van discipline. En plannen.

Want ik ben erachter gekomen dat schrijven ook vooral een ambacht is. Je moet er tijd voor maken en voor gaan zitten. De woorden komen niet vanzelf vanuit je hoofd op papier. Dat is noeste arbeid. En voor mij, naast mijn drukke baan en mijn drukke privéleven, is dat best een uitdaging. Maar wel een hele leuke uitdaging. En ik weet zeker dat het me gaat lukken.

Politiek

We hebben een nieuw kabinet. Wij als Nederlanders hebben hiervoor gekozen. Dat is het democratische beginsel. Er wordt gestemd en de grootste partij mag proberen een regering te vormen. En Nederlanders kozen dit keer voor verandering. Ik ben bang dat we dat zullen gaan meemaken. De grootste verandering is al dat de politici nu al rollend over straat gaan. Wat een vertoning zeg. Dat zijn dan onze volksvertegenwoordigers. Het allereerste debat wat werd gehouden, was al tenenkrommend. Zou minister-president Schoof dit hebben verwacht? Of zou hij denken, ‘mijn God, waar ben ik aan begonnen?’ Van zijn gezicht was niet veel af te lezen, dat deed hij wel goed. Maar het geeft toch weinig vertrouwen voor de toekomst. Gelukkig hadden ze het zelf ook over een kleuterklas.

Tijdens de formatie vond ik ergens nog wel dat de partijen een kans moesten krijgen. Tenslotte waren ze verkozen door de mensen die gestemd hadden. Dat de combinatie niet mijn keuze was, was niet belangrijk. En misschien is het ook wel weer eens goed om een andere wind te laten waaien. De PVV is in haar zorgbeleid meer links dan rechts, misschien dat dat toch weer nieuwe ideeën geeft.

Na een hoop gedoe was er dan toch eindelijk een regering. Niet de ploeg die in eerste instantie werd gepresenteerd. Want een aantal mensen daarvan kwam niet door de screening. Hoe dan, denk ik, dat zoek je toch van tevoren uit. Maar nee, dat was blijkbaar niet gedaan. Meneer Markuszower moest toch in allerijl vervangen worden. Uiteindelijk werd de regering geïnstalleerd en kwam de eerste confrontatie. De nieuwe kamer praat met de nieuwe regering.

En dan gaat mevrouw Agema tijdens het debat tweets versturen. Over Kamerleden, die ook door de Nederlandse bevolking zijn verkozen. Waar zij de komende vier jaar, als het zo ver komt, mee te maken gaat krijgen. Heel goed voor de samenwerking, lijkt me zo. De toon is inmiddels wel gezet.

Ik draag geen hoofddoek. Ik heb niet die overtuiging. Maar als anderen dat wel hebben, zijn ze voor mij vrij om dat wel te doen. Waarom zou ik daar aanstoot aan nemen? Tenslotte droeg mijn oma ook altijd een hoofddoek als ze boodschappen ging doen. En met haar heel veel dames in die tijd.

Voetbalgekte

Ik ben een van de weinige Nederlanders die niet aangestoken is door de voetbalgekte van het moment. Als ik alleen thuis ben, denk ik er nog niet eens aan om naar een wedstrijd te kijken. Natuurlijk vind ik het leuk als Nederland wint, zo chauvinistisch ben ik ook wel, maar om te gaan huilen bij verlies. Nee, dat gaat me toch een beetje te ver. En het is niet dat ik er bewust niet naar kijk, ik heb er gewoon geen erg in.

Ook het versieren van mijn huis is iets dat ik echt niet ga doen. Gelukkig is er in mijn straat niemand die dit graag wil maar anders zou mijn huis kaal hebben afgestoken. In sommige straten zijn de oranje vlaggetjes van huis naar huis gespannen en rijd je onder een heel oranje dak door. Ik vraag me dan altijd af of die mensen de rest van het jaar ook zo harmonieus met elkaar samenleven. Want dat is toch wel bijzonder, hoe zo’n Europees kampioenschap kan verbroederen. De NAC-fans staan schouder aan schouder met de Willem II-fans op de camping en in het stadion. En slaan elkaar vriendschappelijk op de schouder. Tijdens de competitie slaan ze elkaar op het gezicht. Ik snap daar heel weinig van.

Oh, prima dat voetbal verbroedert, zeker. Maar kan dat dan ook niet tijdens gewone wedstrijden. Of moet dan allemaal echt met verbaal geweld. Zelfs bij de jeugd zijn de verwensingen niet van de lucht. Vaders die zelf het idee hadden dat ze Johan Cruijff de tweede waren maar daar jammerlijk in zijn mislukt, brullen nu naar hun kind dat hij breed moet spelen. Of zoiets, ik heb er geen verstand van. Scheidsrechters die bedreigd worden. Niet bij het EK maar bij de amateurs. Hoe dan? Iemand maakt een fout, dat wordt gezien, de scheidsrechter fluit en hup, weer door. Zo moeilijk is het toch allemaal niet. Zeker niet als er alleen maar de eer van je club vanaf hangt. En niet je leven.

Nee, ik vind het maar een raar fenomeen. Ik hoop dat Nederland ver komt, het zou leuk zijn om weer eens kampioen te worden. En als dat niet lukt, tja, dan is dat pech. Dan kan alle oranje zooi weer in de kast tot het volgende evenement. En dan gaan we weer over tot de orde van de dag.

Telefoondienst

Mijn zussen en ik hebben een soort telefoondienst ingesteld. Wij bellen iedere morgen om acht uur naar mijn moeder. Zij ziet het als zekerheid, als er iets gebeurt, zijn we tenminste direct op de hoogte. Wij zeggen tegen elkaar dat we bellen ‘om te kijken of ze het nog doet.’ Dat klinkt oneerbiedig maar zo is het helemaal niet bedoeld. Als je moeder zevenentachtig jaar oud is, moet je gewoon heel zuinig op haar zijn.

We hebben allemaal onze eigen dag in de week en in de weekenden volgen we elkaar op. Lekker overzichtelijk. Mijn beldag is maandag. Gewoon, de oudste begint op de eerste dag van de week. En omdat het een kleine moeite is, bel ik eigenlijk gewoon altijd, ook al ben ik op vakantie. Zo ook vorige week. Lekker op vakantie in Engeland. En er zelfs bij stilgestaan dat het in Engeland een uur vroeger is. Dus mijn wekker een uur eerder gezet.

Ik toetste het nummer en in hoorde de telefoon overgaan. Eén keer, twee keer, drie keer, vier keer…… Normaal gesproken neemt mama binnen twee keer de telefoon op en hoor je haar krakerige stemmetje groeten. Nog maar een keer gebeld, maar weer bleef de telefoon vergeefs overgaan. Ai, da’s minder. Ik stelde mezelf gerust, ‘er zal wel wat met de telefoon aan de hand zijn.’ Maar in sneltreinvaart schieten alle horrorscenario’s door je hoofd. Mama is gevallen en ligt op de grond maar kan niet meer omhoog om iemand te alarmeren. Dat zou niet moeten kunnen want ze heeft een alarm om haar pols, maar toch. Wie weet heeft ze dat uitgedaan. Mama is heel ziek en kan daarom niet opnemen. Of, het ergste, waardoor ze niet meer kan opnemen.

Maar ja, vanuit Engeland ben je niet in vijf minuten ter plekke. Dus ik belde mijn zus. Ze vroeg gelijk wat er was, dat is normaal als je op een dergelijk tijdstip belt. Dus ik zei een beetje benepen, ‘mama neemt de telefoon niet op.’ Gelukkig zijn we allemaal nogal van het handelen dus mijn zus stond binnen no-time bij mama op de stoep. Die zal doodgemoedereerd en heel ontspannen aan een boterhammetje. ‘Hé, wat kom jij nou doen?’ Ik was er niet bij maar ik kan me zo voorstellen dat mijn zus innerlijk ontplofte. ‘Ik kom kijken hoe het met je is, je neemt de telefoon niet op.’

Natuurlijk had mama helemaal geen telefoon gehoord. Nee, natuurlijk niet, die had verkeerd op het basisstation gestaan waardoor de batterij helemaal leeg was. En een leeg toestel gaat niet over hè, als hij naast je op nachtkastje ligt. Pffff. Nou ja, eind goed al goed. Ik vond het sneu voor mijn zus, dat wel.

Maar toen ik afgelopen maandag belde, en na twee keer de telefoon werd opgenomen, kon ik toch alleen maar opgelucht zuchten. Ze doet het nog.

Inspiratievakantie

Het is heel gek om voor de tweede keer naar Engeland te gaan. Naar het land waar mijn maatje naar toe wilde om te zien waar het kerkje van Father Brown stond. En waar Midsomer Murders werd opgenomen. Covid gooide roet in het eten en daarna is het er voor mijn maatje nooit meer van gekomen. Dan maar met mijn vriendin naar de Cotswolds. We hadden toch een heerlijke vakantie. Maar ook zij is er niet meer. En nu dan toch weer terug. Met zijn tweeën. Naar Brighton en Bath deze keer. Slapen in The Old Ship, het hotel dat in het verhaal dat steeds meer zijn weg vindt van mijn hoofd naar papier een grote rol speelt. Ik kan me zomaar voorstellen dat mijn hoofdpersoon hier rondgelopen heeft.

De steden zijn mooi, veel oude tradities zijn bewaard gebleven. Dat in tegenstelling tot bij ons in Nederland. Wij hebben alles dat oud was weggegooid. Rommel, hups, weg er mee. Het blijft zonde, vind ik.

Natuurlijk hebben we ons echt verbaasd over veel zaken. Hoeveel dikke Engelsen er zijn. En dat ze zich soms kunnen uitdossen, heel verschrikkelijk. Maar ook de hele mooie winkels, met hele mooie merken. Die er dan wel heel verlaten uitzagen, wellicht waren de prijzen iets te hoog voor het winkelend publiek. En natuurlijk de hoeveelheid eten die je op je bord krijgt als je in een Pub een lunch bestelt.

Wat Engelsen ook heel goed kunnen, is parken aanleggen en onderhouden. En er dan een paviljoentje in bouwen waar je koffie en thee kunt drinken. De mezen en eekhoorns houden je gezelschap en de meeuwen komen brutaal kijken of er ergens wat te snaaien valt. Tenslotte is er genoeg gebak en koek te koop. Gelukkig staat er een bordje “Do not feed the birds on the patio.’ En, ook anders dan in Nederland, houden de mensen zich daar keurig aan.

Uiteraard hebben we ook Fish and Chips gegeten, dat hoort erbij. Net als Guinness, het bier dat je met mes en vork dient te drinken.

Ik voel me best thuis in dit rare land. En ik weet dat mijn maatje en mijn vriendin dit gevoel zouden delen. We praten dan ook samen regelmatig over de mensen die we zijn verloren. Zij zullen door ons nooit vergeten worden. En het lijkt daardoor toch of zij erbij zijn. In ons hart reizen ze immers altijd met ons mee.