Kaatje en de kippen

In het huis waar ze nu wonen, wonen ook kippen. Die hebben achter in de tuin hun kooi. Eerst waren het er vier maar nu zijn er nog maar drie. Ze maken best veel lawaai. ‘Er wordt weer een ei gelegd,’ lacht het vriendje van het vrouwtje dan. Hij vindt het prima, hij krijgt af een toe ook een eitje en dat is lekker. Verder interesseren de kippen hem niet veel. Gekke beesten. Ze lopen alleen maar heen en weer en pikken in de grond.

Voor Kaatje is dat anders. Het lijkt wel of ze de kippen wil hypnotiseren. Als ze door het buitenhok lopen, sjeest ze naar buiten alsof ze ze weg wil jagen. Het grind spat dan alle kanten uit. In het begin schrokken ze er van en gingen snel naar binnen. Maar nu kijken ze alleen maar naar Kaatje. En soms kijken ze zelfs niet eens meer. Het schiet echt niet erg op, al dat gedoe van haar. Soms krijgt ze ook enorm op haar kop als ze weer ze tekeer gaat. Laatst had ze zelfs al weer het hondendeurtje kapot gemaakt, zo hard als ze naar de kippen liep. Ze sprong bijna van een meter afstand door het luikje. Tja, daar kan het niet tegen. Moest er weer een nieuw deurtje in.

‘Kaatje heeft nu echt al vier deurtjes kapot gemaakt,’ zuchtte het vrouwtje, ‘in ons nieuwe huis nemen we een deurtje dat voor grote honden bestemd is. Misschien dat dat beter houdt.’

Natuurlijk liep Kaatje weer vreselijk in de weg bij het monteren van het nieuwe deurtje. Dus werd ze aan haar nekvel gepakt en vastgemaakt. Dat wil je toch niet, zo bungelend met je voeten van de vloer. En dan aan een riempje vast. Alleen maar om naar beesten te rennen die je toch negeren. Nee, mooi dat hij gewoon afstand houdt. Hij blijft wel lekker op het kussen liggen. Of op de bank. Die eitjes krijgt hij vanzelf wel.

Verjaardag


Gisteren was je verjaardag. De derde die we zonder jou moesten vieren. Het blijft lastig.

Natuurlijk zijn we naar Antwerpen geweest om te vieren dat je jarig was. Jij zou niet anders gewild hebben. Je kwam altijd zo graag in die stad. We hebben een Bolleke Konink gedronken op jouw nagedachtenis.

Proost lieverd. 

Wolkenpraat

‘Kijk nou toch, daar zitten ze hoor. Ze gaan een ander huis kopen.’

‘Nou, dat zou een keer tijd worden. Ze weten toch al lang dat ze samen verder gaan. En dat ze dan niet aan de Haven willen blijven wonen.’

‘Wel leuk dat ze zo dicht bij familie gaan wonen. Och, wat heb ik daar als kind veel mee opgetrokken. Ik weet nog goed dat we samen ziek zijn geworden van sigaretten. Want ja, ik mocht natuurlijk nog niet roken, dus dat pakje moest wel leeg. We zagen allebei groen, echt. En vissen hè, samen op de brommer, ik achterop. Ik ben zelfs een keer in slaap gevallen en er af gekukeld.’

‘Sukkel, dan heb je nog geluk gehad.’

‘Ach ja, zonder geluk vaart niemand wel.’

‘Hmmm, jij zegt het.’

‘Nou ja, je snapt wel wat ik bedoel.’

‘Ja natuurlijk, we zijn allemaal wel eens goed weggekomen. Ze zijn trouwens ook al flink aan het opruimen hè. Dat zou niet gelukt zijn als jij er nog iets over te zeggen had.’

‘Nee, dat was altijd wel een doorn in haar oog. Ik kan echt nergens afscheid van nemen. Weet je, het kan altijd nog wel eens van pas komen. Ik heb heel wat dingen geknutseld met spullen die ik nog had. Dat was de uitdaging ook, iets bedenken, kijken welk materiaal je nog hebt en dan kijken of je het gemaakt kreeg. Jij maakte toch ook graag dingen, jurken toch?’

‘Ach ja, zeker. Maar daar kocht ik altijd stof voor. Weet je nog dat ik die mooie stof had gekocht voor een galajurk. Met bloemen en vogels. En dat ik het patroon ondersteboven had geknipt. Echt, ik vloek nooit maar toen alle duivels uit de hel. Kon ik alles weggooien. En hij kwam niet meer bij van het lachen, dat was nog het fraaiste.’

‘Toch hebben we het altijd wel goed gehad hè.’

‘Dat zeker, daarom ben ik blij dat zij het nu ook weer goed hebben. Gelukkig kunnen wij vanuit hier mooi een oogje in het zeil houden. En is onze wolk groot genoeg voor iedereen van wie zij veel hebben gehouden.’

‘Klopt. Ik ben benieuwd wat ze allemaal nog gaan meemaken. Laten we wat te drinken pakken, er komt vast nog een vervolg.’

Politiek

Politiek kan een heel fascinerend iets zijn. Naarmate de verkiezingen dichterbij komen, wordt er steeds harder geroepen. Debatten worden steeds venijniger want de kiezer moet wel overtuigd worden van het feit dat de spreker het bij het rechte eind heeft.

‘Stem op mij, dan komt alles goed.’

Het bijzondere is dat dit overal ter wereld hetzelfde is. Nou ja, niet in dictaturen natuurlijk, daar valt niks te stemmen. Maar in de meer democratische landen is het een terugkerende fenomeen. Ook in ons eigen land, waar de politiek het zelfs voor elkaar heeft gekregen om een demissionair kabinet te laten vallen, wordt weer fel gedebatteerd. Mannen als Wilders grijpen iedere mogelijkheid aan om hun standpunten kracht bij te zetten. Mevrouw Ouwehand haalt scherp uit naar alles en iedereen. Ik kijk er naar en denk, ik weet het ook niet meer. Op welke partij moet je nu gaan stemmen. Ze vallen allemaal al vechtend over elkaar.

‘Het is allemaal de schuld van links!’ Maar ja, we hebben al heel lang rechtse kabinetten en ook het laatste, toch wel redelijke rechtse, kabinet, heeft er weinig van gebakken. Sterker nog, die hebben er een zootje van gemaakt.

‘Het is allemaal de schuld van rechts!’ Maar veel Nederlanders hebben op deze partijen gestemd. Dus dan is het toch ook wel een beetje ‘eigen schuld’.

Ik heb de oplossing ook niet. Ik denk dat er geen afdoende oplossing is op dit moment. Er zijn zoveel problemen en alles haakt dermate in elkaar dat je niet met een simpel wetje alles kunt regelen. Bovendien zijn we natuurlijk ook nog afhankelijk van wat er verderop in de wereld gebeurt. Want Nederlanders hebben natuurlijk wel een groot ego, maar we zijn maar een piepklein spelertje op het grote toneel. Je kunt niet alles regelen met een grote mond.

Ik ben heel benieuwd wat er na 29 oktober gaat gebeuren. Welke partijen dan de mogelijkheid krijgen om het land weer een beetje vlot te trekken. En of dat dan ook gaat lukken. Voorlopig ben ik er nog niet uit, ik weet echt nog niet op wie ik ga stemmen. Op een vrouw, dat is voor mij traditie, maar van welke partij ze gaat zijn, ik heb geen idee.

Verhuizen

Het zijn hele rare dagen geweest, sinds het afgelopen weekend. Het vrouwtje was weer druk met het pakken van spullen. Gezellig, had hij gedacht, dan gingen ze dit weekend vast weer bij haar vriendje logeren. Leuk is dat, dan mogen hij en Kaatje op zondag altijd even op bed uitslapen. Dat is zo gezellig. Hij vond het wel raar dat ze echt heel veel spullen uit de kasten haalde. Voor twee dagen hoef je toch niet zoveel kleren mee te nemen, zou je denken. Jeetje, en ze nam ook jassen mee. De mussen vallen van het dak, dan hoef je toch geen jas mee te nemen. Heel raar allemaal. Nou ja, als ze hem en Kaatje maar niet vergat, dan is het prima.

Gelukkig had ze wel geroepen. Hij was ook meegegaan. Natuurlijk was hij veel eerder dan het vrouwtje. Die liep niet zo hard, met al die spullen die ze bij zich had. Hij was nog maar eens even kijken of het toch allemaal wel lukte. Zo te zien wel. Dan maar weer gewoon bij het vriendje voor de deur gaan staan.

En die ging toen zelfs helpen om spullen te halen. Er was toch wel echt iets raars aan de hand. Ze hadden zelfs de grote ton met brokjes meegenomen.

Gelukkig deden ze het hele weekend wel leuke dingen verder. Het leek allemaal heel normaal. Behalve dan toen ze weer moesten werken. Het vriendje van het vrouwtje gaf hen eten en zei, ‘nou dag, braaf zijn en tot vanavond.’ En het vrouwtje ging gewoon daar achter een bureau zitten om te werken. Wel op haar eigen plekje zoals thuis maar het was toch echt een heel ander bureau. Hij zag wel dat Kaatje het ook allemaal maar vreemd vond. Die ging onder de stoel van het vrouwtje liggen en hijzelf had maar naast haar stoel een plekje gezocht. Ze moesten maar even heel dicht bij elkaar blijven. Want het is wel heel gezellig als ze allemaal samen zijn, maar het is toch ook best een beetje wennen.

Toeval

Vroeger, als kind, was ik er vast van overtuigd dat ook de theepot boos kon zijn. Als ik dan te laat uit mijn bed was gekomen en moest haasten om op tijd op school te zijn, werkte de theepot mij tegen. Hij drupte en lekte en was eigenlijk veel te zwaar. De botervloot keek me boos aan en het pak hagelslag was zo recalcitrant dat het meeste naast mijn boterham terecht kwam. Onzin natuurlijk, vanwege mijn onhandige aard en het feit dat ik moest haasten, lukte het gewoon niet om zonder knoeien mijn ontbijt te eten. Toeval, zo kun je het ook noemen.

De laatste dagen in mijn eigen huis waren ook zo. Ik wil natuurlijk alles zo schoon en netjes mogelijk houden en zorgen dat er helemaal niks beschadigd raakt. En juist dan loopt alles mis. Ik stoot ergens tegenaan, ik zie dat er een grote zwarte veeg achter een schilderij zit. Pfff. Zelfs nu, nu ik iedere dag even binnen loop voor de plantenbakken en de tuin, kijkt het huis mij argwanend aan.

‘Wat kom je hier doen? Jij hebt toch dat bord in de tuin laten zetten.’

Dus ik stoot me aan de tafel, wat een grote blauwe plek oplevert. Ik stoot mijn hoofd als ik de televisiekabels los wil trekken onder de tafel waar de televisie stond. Het hele huis is in de contramine. De tomatenplant overwoekert boos de andere planten en als ik de grootste stukken afknip en in de container gooi, valt natuurlijk de deksel dicht terwijl mijn hand er tussen zit. Al mopperend gooi ik de snoeischaar in de bak waar hij altijd ligt en onderdruk de neiging om tegen de container aan te schoppen. Want het zit gewoon in mijn eigen hoofd.

Want net als vroeger met het ontbijt, heeft dit helemaal niks met mijn huis te maken maar met mijn onhandige aard en het feit dat ik het nu allemaal te goed wil doen.

Ach ja, mijn fijne huis. Ik ga het missen. En toeval is wat het is, gewoon toeval.

Foto’s

Lang geleden, in de tijd dat we nog geen mobiele telefoons met camera hadden, gingen mijn maatje en ik al op vakantie. De jonge mensen van nu kunnen het zich niet meer voorstellen, maar toen namen we gewoon allemaal een camera mee. In het begin niet eens een digitale. Een analoge camera. Met rolletjes. Na de vakantie ging het rolletje naar de fotograaf of naar de Hema en na een paar dagen kon je dan de foto’s ophalen. Eigenlijk was dat heel erg leuk, dan beleefde je de vakantie toch weer een beetje opnieuw.

Toen de digitale camera zijn opmars ging maken, werd er toch nog veel afgedrukt. Ook bij ons. Ik had een heel regiment fotoalbums, per jaar een ander. En dozen vol foto’s ‘die ik eigenlijk nog een keer in een album zou moeten plakken.’

Onlangs ben ik er voor gaan zitten. Dozen open, albums verspreid om me heen. Uitzoeken wat ik wilde bewaren en kijken welke foto’s er toch echt wel weg konden. De natuurfoto’s zonder mensen erop gingen al direct bij het oud papier. Van de meeste wist ik nog wel waar ze van waren maar er waren toch ook foto’s van plaatsen die ik niet thuis kon brengen. Hup, weg er mee. De foto’s met mensen uit het verleden kunnen ook weg. Daar wordt toch nooit meer naar gekeken.

De stapel ‘weggooien’ groeide gestaag. Na een behoorlijke tijd was ik aangeland bij de oude fotoalbums. Mijn maatje op vakantie met zijn ouders. Op de schouders van zijn vader. Op de motorkap van diens NSU Prince. Een aantal ging in de doos ‘bewaren’ maar ik heb er toch ook wel een aantal vernietigd. Wie gaat er ooit nog wat mee doen?

Mijn eigen kinderfoto’s heb ik nog maar bewaard. Wat daar ook aan opvalt, is dat ook toen de meisjes en jongens er een beetje hetzelfde uitzagen. De meeste meisjes, ik ook, hadden lang haar, een zijscheiding en een speldje in het haar om het uit het gezicht te houden. Als kind in de jaren zeventig had ik natuurlijk ook kleding met grote motieven. Bruin, oranje. Maar ook geruite rokjes met een grote speld. Mijn nichtjes zouden er in hun kindertijd hun neus voor opgehaald hebben maar wij waren er trots op. Sterker nog, veel van de motieven van toen zijn weer helemaal hip. Zelfs mijn jeugdtrauma, broeken met wijde pijpen, zijn enorm in. In de grote motieven wil ik nog wel meegaan, de wijde pijpen zijn voor mij echt een taboe. Nostalgie heeft echt wel grenzen.

Levensles

Sommige mensen voelen zich geroepen hun levensverhaal te vertellen aan iedereen die het maar horen wil. Dat is op zich niet erg. Maar ze vertellen het ook aan mensen die het helemaal niet willen horen. Maar die er met goed fatsoen niet onderuit kunnen. Na een zondagmiddagwandelingetje met Stef en Kaatje waren we maar weer eens op een terrasje beland. Zeker Stef was blij dat we eindelijk gingen zitten, hij had naar zijn zin al weer lang genoeg gelopen.

Het toch best grote terras werd overstemd door een grote man die in de hoek samen met zijn vrouw en een ander echtpaar een tafeltje bezette. Ze hadden de grootste lol samen. Altijd fijn als mensen het naar hun zin hebben, maar dit was best erg luidruchtig. Gelukkig werd er afgerekend en de helft van het gezelschap vertrok. De grote man bleef achter. Gekleed in een afgeknipte spijkerbroek en een overhemd dat zover open hing dat het ons een blik op zijn behaarde navel gunde, keek hij rond op zoek naar een volgend slachtoffer. Wat hij vond in een echtpaar met een Labradoodle. Niets vermoedend namen ze plaats aan het tafeltje naast hem.

Als een duveltje uit een doosje kwam er achter de man een Goldendoodle omhoog. En dat schept een band natuurlijk, twee van die knuffelige teddyberen. Even wisten de nieuwkomers niet wat hen overkwam maar al snel konden ze er niet meer onderuit. Ze moesten wel luisteren. Wij konden ons nog wel een beetje afsluiten maar dat zat er voor hen niet in.

Natuurlijk ben ik nieuwsgierig genoeg dus af en toe luisterde ik geamuseerd mee. De hond was aangeschaft toen hij in een heel moeilijke periode zat. Hij was heel ziek geweest, dokters hadden er een hard hoofd in gehad maar hij was toch genezen. En de hond was hem in die periode tot grote steun geweest. Zijn vrouw zat er een beetje sip bij te kijken. Zij kwam in hele verhaal niet voor. De man werd steeds emotioneler en op een gegeven moment maakte hij aanstalten om zijn nieuwe vrienden te omhelzen. Ik had moeite niet in lachen uit te barsten. De ontstelde gezichten van de nieuwkomers spraken boekdelen.

De man zal het echt best goed bedoeld hebben maar de meeste mensen zitten helemaal niet te wachten op dergelijke verhalen. Die willen gewoon gezellig een drankje doen en niet als therapeut fungeren. Maar ja, zonder onaardig te zijn, kom je er bijna niet onderuit. Gelukkig heb ik daar dan op zo’n moment geen moeite mee.

Makelaar

Als je dan het besluit hebt genomen dat je je huis gaat verkopen, gaat er ineens een heleboel lopen. Dan worden er afspraken gemaakt en moet je echt aan een heleboel dingen denken. Gelukkig ben ik van de lijstjes. Heerlijk, en dan afvinken wat je al gedaan hebt. Ik hou er van. Want waar je toch een beetje tegenaan loopt, als je alleen woont, is dat je makkelijk wordt. Ach, dan liggen er vier paar schoenen onder een stoel. Niemand die je er om uitlacht of moppert als hij er weer eens over gestruikeld is. Dus toen er een afspraak stond met de makelaar, ben ik de ochtend er voor toch maar een kritisch door mijn huis gaan lopen. Te beginnen bij de zolder, waar ik normaal mijn ijzeren voorraad was en mijn ijzeren voorraad al gewassen spullen heb liggen en hangen. Want je wilt zo’n makelaar ook niet bij de eerste afspraak een weidse blik op je ondergoed gunnen. Toch?

Gelukkig heb ik een lieve dame die mij helpt met het schoonhouden van de boel dus het ziet er altijd wel netjes uit maar het gaat toch om de puntjes op de i. Even de pyjama in een kastje gooien in plaats van over de badrand.

En het wordt nog erger als de fotograaf komt. Alle persoonlijke dingen moeten weg of in de kast. En mensen die mij kennen, weten dat mijn hele huis vol hangt met foto’s. Dat wordt nog een klus. Want ze hangen echt overal. Een aantal foto’s hoeft niet per se mee naar het nieuwe huis dus dat is makkelijk, maar het overgrote deel moet dan toch wel heel voorzichtig in een doos.

Toch is het ook wel eens lekker om met zo’n blik door je huis te gaan. Want wat verzamelt een mens een hoop spullen in de loop van de jaren. Zeker mijn maatje, die was niet van het makkelijk weggooien. ‘Je weet nooit waar je het nog voor kunt gebruiken.’

En inderdaad mijn maatje wist met dingen die ik al lang weg had gegooid toch weer iets handigs te maken. Of iets moois. Ik kan dat niet, handigheid is mij niet aangeboren.

Het huis begint steeds leger te worden. Daardoor wordt het ook steeds makkelijker om afscheid te nemen. En dan is dan weer een voordeel.