Lente-heimwee

Het weer wordt uitnodigender, we kunnen weer naar buiten. Alles loopt uit, dikke knoppen aan bomen en struiken, tulpen en narcissen kleuren de wereld. Iemand zei ooit tegen mij, ‘ik hou zo van de lente, het is zo verwachtingsvol.’ Dat is zeker zo maar je moet het ook kunnen en willen zien. En ik merk dat het ook maakt dat ik mensen dan weer meer mis. Mijn maatje, die me nooit meer appt dat hij lekker met zijn rug in de zon, op een muurtje, een beker koffie drinkt en een sigaretje rookt. Mijn vriendin, met wie ik nooit meer naar lammetjes kan gaan kijken. Samen lachen om de capriolen die die jonge dieren uithalen als ze de ruimte krijgen in een wei. Dat komt nooit meer terug.

Weer een lente waarbij zij niet de warmte van de zonnestralen op hun gezicht kunnen voelen. Wij genieten van de langere avonden, maken plannen voor als het nog langer licht is en nog warmer wordt. Zij zijn daar niet meer bij. En soms komt dat weer heel scherp binnen. Want het voelt nog steeds heel oneerlijk. En dat gaat ook nooit meer weg.

Voor mij is het nog steeds als gisteren maar andere mensen zijn verdergegaan. Terecht hoor, dat deed ik vroeger zelf ook. ‘Goh, ja, is dat alweer zo lang geleden?’  Hoe vaak zeg je dat niet tegen elkaar. De wereld draait alsmaar door, er wordt geen moment gewacht. Zelf ga ik ook verder. Dat moet ik maar dat wil ik ook. En dat gaat ook goed. Maar toch, soms.

Ach, de lente. Zo verwachtingsvol. De zoon van de dame die dat tegen mij zei is er ook al lang niet meer. Hij is ook een hele dierbare herinnering geworden.

Gelukkig kan ik ook echt wel genieten. Ik voel de warmte en denk aan mijn maatje, ik zie de lammetjes en denk aan mijn vriendin. Er zijn nog zo veel mooie dingen in het leven. En zeker, dan voel ik mij verwachtingsvol.

Verhalenverteller

Soms ontmoet je mensen die je later gaat zien als een icoon. Een oom van mijn maatje was zo iemand. Goedlachs, gul en altijd vriendelijk. En met een eigenschap die hij duidelijk had geërfd van zijn vader. Hij was een geboren verhalenverteller. Je moest die verhalen niet altijd toetsen aan de waarheid. Daar waren ze ook niet voor bedoeld. Zijn vader, de opa van mijn maatje, was de meesterverteller. Jager, stroper, boer, de verhalen hadden altijd te maken met zaken die in de huidige maatschappij niet meer passen. Maar wel heerlijk om naar te luisteren.

Oom Bart was wat moderner. Hij stroopte niet maar had een moestuin. Oké, de kroppen sla waren niet zo groot als bij zijn vader. Daar was met twee kroppen sla een hele kruiwagen vol. Maar de groente mocht er zeker zijn. Wat ook zijn eeuwige strijd met de vogels bewees. En handig als hij was, bedacht hij een ingenieus systeem om de aanvallers uit de buurt te houden. Sowieso was hij heel handig en altijd bezig. Maar er was wel altijd tijd voor een praatje. Met zijn armen gekruist op de bezem of schoffel stond hij op zijn gemak te luisteren naar wat je te vertellen had.

Mijn maatje en ik luisterden altijd graag naar zijn verhalen. We zagen hem veel te weinig, zo gaat dat. Druk, druk, druk en dan zijn er zo weer een paar maanden voorbij. Gelukkig ben ik er nog niet zo lang geleden nog geweest. Natuurlijk samen met Stef, ondenkbaar dat ik op bezoek ging zonder de hond mee te nemen.

Vorige week, op de verjaardag van mijn maatje, is hij overleden. Weer een icoon minder. Mijn maatje maakt het niet meer mee maar ik ga zeker afscheid nemen. En hoewel ik niet geloof, stel ik me toch voor dat ze elkaar weer zijn tegengekomen. Dat de sterke verhalen weer met verve worden verteld. Tenslotte moet je een goed verhaal nooit verpesten met de waarheid.