Doorlopende voorstelling

Allereerst wil ik benadrukken dat ik echt respectvol omga met de medebewoners in het verzorgingstehuis waar ik regelmatig kom. Net als met de oude brompot die de reden is van mijn bezoek. Maar vandaag was het toch een doorlopende cabaretvoorstelling. Ik denk dat het te maken heeft met het vallen van het blad. De rijzige man die altijd rondloopt, was nog onrustiger dan normaal en de dames aan tafel kakelden nog harder dan anders.

De oude brompot was lastig over te halen om mee koffie te gaan drinken. Hij mopperde dat hij niet goed kon lopen en dat ik altijd overal maar licht over dacht. Maar ik hield vol en even later zat hij te genieten van zijn koffie en een koekje. Ik begin het te herkennen. Hij wil niet lopen maar hij wil wel graag koffie. En het koekje. Wel zat hij zich te ergeren aan het gekrakeel van de dames aan de andere tafel.

‘Wat een lawaai zeg. En dat gaat zo de hele dag door.’

Ik hoorde de dames inderdaad luidkeels commentaar op elkaar geven. Op een gegeven moment werd een van de dames op haar puntjes gewezen. ‘Jij bent echt niet meer dan een ander hoor, kakmadam.’

Ik genoot, het klinkt oneerbiedig maar ik kan het niet anders zeggen. Drie dames zaten te kibbelen, een dame koesterde haar pop alsof het een baby was en een man in een rolstoel snapte niet waarom hij niet door de deur kon. Dat zijn ene wiel klem zat achter de deurpost, daar had hij even geen erg in. Een geroutineerde verzorgster suste het gekibbel, zorgde dat de pop niet viel en verloste en passant ook nog even de klemzittende man uit zijn benarde situatie. Alle lof voor haar.

Mijn brompot keek het tafereel een beetje viezig aan. Een van zijn medebewoners viel hem hierin bij. ‘Dat gekibbel, bij mij gaat dat het ene oor in en het andere oor uit.’ Ach, dacht ik, zo helder ben je dan nog wel.

Het blijft bijzonder, hoe de menselijke geest kan werken. Het ene moment vertelt de brompot over zijn werk en hoe hij daarvan genoten heeft en het andere moment vertelt hij met dat hij gisteren nog mee gevoetbald heeft met het eerste team van de voetbalclub uit zijn woonplaats. Dat laatste is volgens mij al meer dan zestig jaar geleden maar goed.

Hij heeft wel vriendschap gesloten met de man die ook een hekel heeft aan het gekakel. Dat is fijn. Kunnen ze tenminste samen mopperen. Tenslotte is gedeelde smart halve smart.

Al weer herfst

Het is weer zover, je ruikt het al in de lucht. Als ik ’s morgens wakker word en uit mijn slaapkamerraam kijk, zie ik de mist weer over de haven en de polder liggen. De schapen lijken geen poten te hebben. Het heimwee-seizoen gaat weer beginnen, het wordt weer herfst. De herinnering aan mijn maatje loopt weer levensgroot met me mee.

‘Wat ruikt het lekker hè.’

‘Dat is rottend blad Mach.’

Toch moest hij er altijd wel om lachen, om mijn voorliefde voor de herfst. Als de natuur nog één keer knalt en dan in rust gaat. Zich terugtrekt om zich voor te bereiden op de nieuwe lente. Want dat is natuurlijk een gegeven. Hoe wij mensen de natuur ook proberen te vernielen, de seizoenen houden we niet tegen.

Als ik door de polder rijd, zie ik dat de mais ook al gemaaid wordt. Dat vond mijn maatje altijd erg. Dat was voor hem het einde van de zomer.

‘Als de mais er af gaat, begint de herfst.’

Ach, al die herinneringen. Die zitten echt overal in. In alles wat je ziet en tegenkomt. Dat zal vast het gevolg zijn van het feit dat we zo lang samen zijn geweest. Er zijn heel veel gezamenlijke herinneringen. We hebben heel veel samen meegemaakt.

Toch gek dat de herfst dat dan triggert.

Natuurlijk is het ook gewoon lekker om door de bladeren te banjeren. Om Kaatje te zien springen in de bermen als we ons rondje lopen. En Stef met zijn neus over de grond gaat om te zien of er verder nog wat te vinden valt. Want de herfstzon kleurt de wereld toch op een unieke wijze.

Wat wel jammer is, is dat het ’s avonds alweer vroeger donker wordt. Maar aan de andere kant dat heeft ook weer wat, het flesje rode port staat klaar. En de avonden kunnen toch ook nog best zwoel zijn. Meestal ruik je dan ook wel ergens een houtkacheltje. Ook daar zijn weer herinneringen aan verbonden.  

Ach, de herfst. Heimwee en melancholie. Ik vind het toch lekker ruiken. Ondanks alles.

Het was weer geen weer

Ik weet het wel, klagen over het weer heeft geen zin, je kunt het toch niet veranderen, maar jongens, het mag nu toch wel eens een keer wat beter worden toch. Wat een ellende. Het wil ’s morgens maar niet licht worden. Als ik thuis werk, heb ik toch zeker tot een uur of tien het licht gewoon aan. De tuin staat blank en als Stef en Kaatje binnenkomen door het luik kan ik precies zien waar ze gelopen hebben. Ik blijf er achteraan hobbelen met een dweil.

Buiten wandelen is ook geen feest. Als het regent, kijken ze me aan met een blik van ‘nee hè, we hoeven toch niet naar buiten hè.’ Maar ja, ze moeten toch ook wel een keer naar buiten en rennen. Zeker Kaatje moet haar energie wel kwijt. Ik weet niet hoe vaak ik alle tuigjes en riemen al uitgewassen heb. Het spul ligt regelmatig te drogen op de verwarming.

Als ik wel naar kantoor ga, voeg ik me ’s morgens in de rij van zwiepende ruitenwissers. Donker, regen, oplichtende achterlichten voor je. Nee, ik kan er niet enthousiast van worden. Normaal gesproken is de herfst mijn seizoen, de kleuren, de geuren. Maar nu wordt alles weggespoeld. Je kunt niet eens met goed fatsoen een grote berg bladeren uit elkaar schoppen. Alles plakt aan elkaar en het enige dat je er mee opschiet is dat je kleren onder de troep en de modder zitten.

Waar het wel heel goed weer voor is, is voor paddenstoelen. Ik ben al de grootste exemplaren tegengekomen die ik ooit heb gezien. Pas zag ik ook nog iemand voorovergebogen foto’s maken van drie enorme vliegenzwammen. Die stonden daar gewoon zomaar, in de berm naast de weg. Kabouter Spillebeen zou er jaloers op zijn geworden. Deze paddenstoelen zouden niet zomaar ‘gekrakt’ zijn. Daar had hij best een tijdje op kunnen wiebelen. En dat triggert dan toch wel weer mijn fantasie. Als kind maakten we kijkdozen. Met mos, kastanjes, bladeren en ja, inderdaad, ook paddenstoelen. Dat mocht toen nog. Nu weten we dat we die netjes moeten laten staan maar in mijn tijd bij de Jeugdnatuurwacht (ja ja) gingen we gewoon nog op pad om dat soort dingen te verzamelen. Die werden zorgvuldig gerangschikt in een schoenendoos waar we dan een kijkgaatje in maakten aan de voorkant. Ik weet eigenlijk niet wat we er dan verder mee deden. Waarschijnlijk stond het op de slaapkamer tot mijn moeder vond dat het ging stinken en zij het in de vuilnisbak gooide. Ik kan met ook niet herinneren dat ik er ooit een gemist heb.

Ach, het zal toch echt wel weer een keer beter weer worden? Het ziet er de laatste dagen in ieder geval al wel naar uit. Stef en Kaatje kunnen vast binnenkort weer een keer door het bos sjezen zonder thuis te komen met een bruine vacht in plaats van een mooie zwarte. Want pootjes poetsen is niet hun favoriete bezigheid. En stofzuigen niet de mijne.

Eindelijk herfst

Het is zo lang warm geweest dat het toch wel even wennen was. Zomaar ineens 14 graden. Brr. Ik zag al mensen lopen met een dikke sjaal om. Beetje overdreven, in mijn opinie, want wat moet je dan aan als het vriest, maar ik snap wel dat iedereen in shock was. Maar eindelijk dan toch, wordt het echt herfst. Mijn favoriete seizoen waar ik van mezelf eens per jaar over mag schrijven.

Ik heb ook alweer een bolchrysant gekregen.

‘Want die zul je zelf ook dit jaar wel weer niet kopen.’

Heel lief, want nee, ik ga geen bolchrysant meer kopen. Dat deed ik (alweer) jaren geleden bij de Delhaize in Aywaille. In België verkopen ze de grootste, ik weet het zeker. En bij de Delhaize waren ze enorm. Ik zie mezelf weer tobben, met die plant in een tas aan het stuur, al wiebelend en slingerend. Want ik had natuurlijk ook nog de rest van mijn boodschappen. Met ware doodsverachting fietste ik naar huis, ik had de hele breedte van het pad nodig.

‘Waarom ga je niet even met de auto terug?’, vroeg mijn maatje dan.

Tja, eerlijk gezegd had ik daar dan niet eens over nagedacht. Ze hadden bolchrysanten en die wilde ik één hebben. Thuis werd de plant dan ook nog eens laatdunkend bekeken door Andréa. ‘Bah, kerkhofbloemen.’ Inderdaad, eind oktober, begin november staan in België de kerkhoven er mee vol. De kleuren zijn geweldig. Ook daar kon ik van genieten. Ieder jaar weer een bezoek aan het kleine kerkhof in Aywaille. Mijn maatje vond het prima, als hij maar niet mee hoefde. Nee hoor, dat deed ik het liefst alleen.

Heerlijk, dit seizoen. ’s Ochtends lekker fris maar ’s middags toch zo dat je vaak nog zonder jas naar buiten kunt. Lekker naar de bossen, honden mee, soms ook echt wel door de plassen banjeren. Ach, ook dat is prima. De riemen en tuigen van Stef en Kaatje door een sopje en er is geen zand meer te zien. Denk ik.

Er is maar één ding jammer aan de herfst. En dat is dat daarna onvermijdelijk weer die winter komt. Jakkes. Maar goed, ook die heeft een eind en dan begint de lente. Er komt altijd weer een nieuw begin.

Tijd van het jaar

Toch zijn deze dagen wel lekker. Hij houdt er wel van om door de bladeren te banjeren. Gelukkig vindt het vrouwtje dat ook prima, zij loopt er vrolijk achteraan. Het is niet zo heel warm meer maar wel warm genoeg om lekker op pad te gaan. Als het maar niet regent. Daar heeft hij zo’n hekel aan. Als het vrouwtje dan naar hem kijkt om naar buiten te gaan, doet hij net of hij slaapt. Nat worden is echt niks, bah bah. Het ergste is nog als ze naar buiten gaan omdat het droog is en dat het dan onderweg gaat regenen. Dan draait hij zich echt gewoon om en neemt het vrouwtje mee terug naar huis.

Pas nog, het vrouwtje zat steeds naar buiten te kijken of het eindelijk droog werd. Hij had er zelf een hard hoofd in. Dan loop je buiten en dan word je alsnog nat. Niks ervan. Hij deed maar alsof hij diep in slaap was. En het was gelukt, ze had hem “lekker laten tukken”.

Gelukkig was het wel droog toen er behendigheidscursus was. Daar waren ze al lang niet meer geweest zeg. Hij vond het nog steeds geweldig. Hij merkte wel dat hij niet meer zo hard kon lopen als vroeger. Maar waarschijnlijk vond het vrouwtje dat niet zo erg. Ze kon hem nog steeds niet bijhouden maar nu hoefde hij niet meer zo heel lang te wachten voor ze eindelijk kwam met een snoepje. Hij stond dan netjes op de A-schutting of de Kattenloop tot ze kwam. En dan roetsj, weer verder. Ha, volgens hem was het vrouwtje net zo moe als hij als ze thuiskwamen. Ze had ook nog niet in de gaten gehad dat hij vol zand zat. Na al die regen was het veld natuurlijk behoorlijk modderig maar ze had hem niet schoongewreven in de garage. Gelukkig, want dat is geen feest hoor. Bovendien duurt het dan ook weer langer voor hij eten krijgt. Ze had het pas gemerkt toen hij op schoot was gekropen. Niet zo heel slim, de handdoek hing nu alweer klaar voor de volgende keer. Nou ja, niet op schoot gaan zitten is natuurlijk geen optie, dat is veel te gezellig. Dan maar schoon schrobben.

Ze hebben het best weer een beetje gezellig, zo met zijn tweetjes.

Herfst

De herfst is normaal gesproken toch wel mijn favoriete seizoen. De zomer is heerlijk, ik hou van de lange avonden en het warme weer, maar de herfst, dat is toch wel iets bijzonders. De geur, het vochtige dat je ruikt, de mist ’s ochtends over de velden. Het melancholieke gevoel. Het ‘nog een keer knallen voor het winter wordt’. In de Ardennen ’s morgens wakker worden en kijken naar de mistflarden over de Amblève. Stef van zijn bedje lichten om samen in het bos te gaan wandelen. Paddenstoelen bekijken. De geur van de herfst opsnuiven. “Dat is rottend blad Mach”, zei mijn maatje dan. Maar ik vond het heerlijk. Bij terugkomst samen warm worden met de koffie die dan al voor me klaar stond. 

In het dorpje van onze camping liep ik dan ook altijd even naar het kerkhof. In de herfst veranderen de graven in een bonte kleurenpracht. Overal waar je kijken kunt, staan bolchrysanten. In alle kleuren en maten. Eén grote bloemenzee. En natuurlijk nam ik ook altijd een exemplaar mee naar huis. Die overleefde toch wel de hele winter. 

’s Avonds de vuurkorf aan, samen zitten in het donker en stil zijn. Naar de vlammen kijken. Wat een dierbare herinnering. 

Dit jaar is het gevoel anders. Ik zie er tegenop. De dagen worden korter, het wordt kouder. Zeker, ik steek ’s avonds weer kaarsjes aan, uiteindelijk moet je zelf voor lichtjes zorgen. En na de wandeling met Stef kan ik nog altijd mijn handen warmen aan een beker koffie. Die kleine man biedt gezelligheid en troost. Er liggen ook veel leuke dingen in het verschiet. Ik word echt niet in de steek gelaten. Het zal allemaal best wel goed komen. En één ding is zeker, het wordt uiteindelijk vanzelf weer lente. Het is alleen zo stil in mij. 

Maar goed, al is het niet zo’n blij seizoen, mijn maatje zal in gedachten veel bij me zijn. Tenslotte loopt hij in mijn hart nog altijd met mij mee. Alleen die bolchrysant, die sla ik dit jaar toch een keertje over.