
De regen kletst tegen het raam van de kamer waar ik zit. Deze periode van het jaar is niet mijn favoriete tijd. Om een aantal redenen niet, maar toch ook vanwege het feit dat het vaak vreselijk weer is en dat het sommige dagen helemaal niet licht lijkt te worden. Naast me ligt Stef zielstevreden te snurken op zijn kussen. Hij heeft nergens last van. Kaatje ook niet, trouwens, die ligt beneden op de bank. Ze heeft van de dekens die daar liggen een heerlijk nestje voor zichzelf gemaakt. Gezegende zielen.
Gelukkig zijn er veel leuke dingen in het verschiet. Eén ervan is de afronding van mijn verhaal voor de bundel met eilandverhalen, Terug naar Texel. Het verhaal is nu zover dat ik het kan delen met mijn meelezers. Dat is altijd een spannend moment. Het verhaal is van mij, het zat eerst in mijn hoofd en nu staat het op papier. En dan komt het moment dat je het los moet laten en dat andere mensen er naar gaan kijken. En er wat van gaan vinden. Dat is niet erg, daar wordt het alleen maar beter van, maar het is toch wel een dingetje.
Andersom werkt het natuurlijk ook zo. In mijn mailbox zitten twee verhalen van mijn medeschrijvers. Ik mag ze als eerste gaan lezen en voorzien van feedback. De personages die voor hen zo levend zijn, ga ik voor de eerste keer ontmoeten. Het is bijzonder hoe zo’n proces werkt. Een personage is zelfbedacht maar gaat op een gegeven moment zo leven dat hij of zij gewoon bij je gaat horen. Zelfs in het dagelijks leven ga je hen tegenkomen.
Voor mijn eigen manuscript werkt het ook zo. De hoofdpersoon, de hoteleigenaar Sebastiaan, is iemand die ik heel goed ken. Ik weet precies hoe hij denkt. Als ik zelf een keer in een hotel ben, kijk ik zelfs door zijn ogen rond. Wat zou hij goed vinden, wat zou hij willen veranderen. Ik moet er zelf om lachen.
Er komt een moment dat ik Sebastiaan mag delen met iedereen. Ik kijk er naar uit maar ik vind het ook ongelofelijk spannend. Ik hou jullie op de hoogte.
