Archief

Regelmatig loop ik binnen in het verzorgingstehuis bij de Oude Brompot. Gevolg daarvan is dat ik zijn huisgenoten ook steeds beter leer kennen. En zij mij. Waardoor ze mij ook wat meer gaan vertrouwen. Sommigen niet hoor, die weten niet wie je bent en leren je ook niet kennen. Daar moet je je weer iedere keer aan voorstellen. Maar sommigen krijgen toch een soort gevoel van herkenning. En gaan hele verhalen aan je vertellen. Ik luister geduldig. De Brompot zit toch vaak een beetje te doezelen dus dat kan best.

Een van de bewoners is een dame die wordt aangesproken met Mevrouw. Ik heb er denk ik al wel eens over verteld. Iedereen wordt genoemd bij de voornaam maar zij is een mevrouw. Ze is ook een echte dame. Haar haar in een nette knot en negen van de tien keer ook een zijden sjaaltje om. Ik verdenk haar er van dat ze vroeger onderwijzeres is geweest. Vraag me niet waarom, als dochter van mijn vader herken ik meestal het type wel.

Ze is meestal heel rustig aanwezig. Neemt wel deel aan de gesprekken en vertelt over vroeger. Van haar dochter weet ik dat ze heel overtuigend kan klinken maar dat de verhalen vaak kant noch wal raken. Geeft niet, dat is bij heel veel van de bewoners het geval. Ik vind haar aardig en groet haar ook altijd beleefd. Ik heb ook het idee dat ze dat wel prettig vindt.

Laatst kwam ze heel doelbewust naar me toe. Ik keek haar aan, wachtend op de vraag of opmerking die ongetwijfeld ging komen.

‘Zou jij iets voor mij willen doen?’

‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘als ik het kan, wil ik altijd iets voor u doen.’

Het antwoord sloeg me behoorlijk uit het veld.

‘Wil jij voor me uitzoeken wie ik ben?’

Waarschijnlijk heb ik haar toen iets te lang aangekeken want ze vervolgde:

‘Maar dat valt niet mee hoor, want ik denk dat je dan wel heel diep het archief in moet.’

Haar vraag is enorm bij me blijven hangen. Want als je niet meer weet wie je bent, wie ben je dan nog?

Verdwaald in zijn eigen hoofd

De oude brompot is een van de weinigen van de afdeling waar hij woont die nog een mobiele telefoon heeft. Zijn abonnement wordt trouw door mij betaald. Af en toe check ik zijn oproepenlijst. Want zoals een oud gezegde luidt, ‘wie tot tien kan tellen, kan de hele wereld bellen.’ Het valt op zich mee, hij belt niet zo heel veel. Ik had alleen wel graag bij het gesprek willen zijn dat hij gevoerd heeft met iemand uit Litouwen. Het duurde maar twee minuten, maar toch. Ik zie het al helemaal voor me, je telefoon gaat, je neemt op en dan hoor je iemand praten in een taal die je niet spreekt. Niet dat dat erg is, de verhalen die hij vertelt zijn vaak toch niet te volgen. Zelfs niet in het Nederlands. Maar het is toch opmerkelijk.

Ook WhatsApp wordt door hem dagelijks gebruikt. Ik krijg de meest exotische berichten binnen. Ze komen zo te pas en te onpas dat ik de meldingen voor zijn berichten heb uitgezet. Ik kijk af en toe en gooi ze meestal gewoon weg. Erop reageren heeft geen zin, hij weet meestal toch niet meer wat hij heeft gestuurd. Vorige week was hij er al vroeg bij, ik zag dat hij om half zeven ’s ochtends al had geappt.

‘Kun je komen? Het is niet zo heel erg hoor, maar ik zit op het politiebureau. Ik ben meegenomen.’

In het begin als ik een dergelijk bericht kreeg, schrok ik onbewust een beetje. Nu weet ik dat hij gewoon in zijn bedje ligt en dat de arrestatie alleen maar in zijn hoofd heeft plaatsgevonden. Ik blijf het bijzonder vinden, wat speelt er dan toch allemaal af in dat hoofd. Hij heeft ook al eens aan de verzorgende die hem uit bed kwam halen gevraagd of ze daar wel mocht komen. Normaal gesproken zijn vrouwen toch niet welkom op een slaapzaal van soldaten. Hij had er persoonlijk geen moeite mee maar hij zou het vervelend vinden als ze er problemen mee zou krijgen. Ze vertelde hem dat ze een speciale toestemming had gekregen en daar was hij dan weer tevreden mee. En kon ze hem wassen en aankleden zodat hij naar zijn ontbijt kon.

Pas geleden schreef ik dat de brompot op reis was in zijn eigen hoofd. De laatste tijd lijkt het er steeds meer op dat hij verdwaald is in zijn eigen hoofd.

Op reis in zijn eigen hoofd

‘Ik ben niet veel thuis geweest, deze week. Ik heb de hele week niet thuis geslapen.’

‘Oh,’ vroeg ik een beetje verbaasd, ‘waar ben je geweest dan?’

‘Nou, ik was in Breda en toen dacht ik, ik blijf hier maar gewoon slapen. Het is nu al zo laat, ik heb geen zin om nog helemaal naar huis te gaan.’

‘Groot gelijk,’ zeg ik.

Naast me zit de oude brompot tevreden op zijn Sprits-koekje te knabbelen. Ik heb hem net met moeite zo ver gekregen dat hij met zijn rollator meegaat naar de huiskamer om koffie te drinken. Geen denken aan dat hij verder loopt. Bovendien, hij weet de toegangscode van de deur niet, dus hij kan zonder begeleiding echt niet weg. Toch vertelt hij me iedere keer als ik hem zie waar hij allemaal is geweest. Hij maakt tochten door de stad waar hij nu woont. En hij dwaalt rond in de stad waar hij geboren is. Soms wordt hij zelfs door de politie thuisgebracht. Dat vindt hij wel een beetje vervelend, dat zou voor hem niet hoeven. Tenslotte is hij heel goed in staat om zelf zijn weg te vinden. Hij heeft er immers al lang genoeg gewoond. Hij vertelt me over zijn ouders en zijn familie. De stamkroeg waar hij altijd komt. De voetbalclub waar hij al heel lang lid van is. Al vanaf dat hij op school zat. Hij voetbalt ook nog steeds regelmatig met zijn collega’s. Alles gaat in de tegenwoordige tijd. Eigenlijk heeft hij het heel druk.

Van de dames van de verzorging hoor ik dat hij iedere avond rustig in de huiskamer zit. Hij drinkt zijn koffie, eet zijn koekje, drinkt soms zelfs een advocaatje met slagroom en hij luistert naar muziek. Of hij zit wat de dutten. Van op reis gaan is geen sprake, zelfs de binnentuin mijdt hij.

Wat is die ziekte toch bijzonder. Wat doet het toch met mensen. De oude brompot is op reis in zijn eigen hoofd. Ik vraag me af waar zijn reis hem allemaal nog gaat brengen. Onbewust moet ik toch een beetje aan The Matrix denken.