
Pas heb ik weer een keer het boek De Vergeetclub van Tosca Niterink gelezen. Zij schrijft over de lotgevallen van haar dementerende moeder in een kleinschalige woongroep.
Het is hilarisch en aandoenlijk tegelijk. Tosca schrijft heel liefdevol over haar moeder. En omdat ik sinds een tijd regelmatig bij de oude brompot op bezoek ga, herken ik ook echt wel dingen. Het gemopper, de misverstanden, heerlijk.
Laatst werd ik door een meneer in keurig kostuum op luide toon aangesproken op het feit dat hij echt geen sufferd was. Hij was al zijn hele leven lid van de bond en hij liet zich echt niet door mij te kort doen. Ik had de man nog nooit gezien. In zijn kielzog schuifelde een krom wijffie dat aanbiddend naar hem probeerde te kijken. Daadwerkelijk naar hem opkijken lukte niet meer. Dat liet haar rug, die in een keurige hoepel stond, niet meer toe. Het gaf niet, de adoratie straalde uit haar ogen.
Ik herken ook inmiddels de twee dames die elkaar opzoeken omdat ze denken dat ze elkaar aardig vinden. Een van de dames streelt de andere steevast over haar wang. Waarop ze een grauw en een snauw krijgt en het duo elkaar in de haren vliegt.
Meestal haal ik koffie voor de brompot en mezelf en schuif naast hem aan tafel. Hij vertelde me dat hij het wel leuk vindt om naar het biljarten te gaan kijken maar dat de fietstocht ernaartoe wel steeds zwaarder wordt. Misschien kan ik hem een keer brengen met de auto? Hij is al maanden niet buiten geweest, zelfs de binnentuin mijdt hij als de pest maar dat dringt niet helemaal meer door. Ik probeer te schipperen tussen meeveren en uitleggen wat niet kan. Het komt niet binnen.
Ach, dan vertel ik het gewoon nog een keer. Volgende week wordt er een familie-avond georganiseerd waarbij we allemaal zijn uitgenodigd om te komen eten. Dus heb ik tegen de oude brompot gezegd dat we samen uit eten gaan. Hij keek me een beetje niet-begrijpend aan.
‘Hebben we dat afgesproken?’
‘Jazeker, we gaan samen uit eten.’
‘En kom je mij dan halen?’
‘Zeker. En dan doe je toch wel je nette pak aan?’
Daar werd hij een beetje achterdochtig van. Dus ik lachte en vertelde dat dat helemaal niet nodig was. Het stelde hem wel gerust geloof ik.
‘Oh, dan is het goed, dan ga ik wel mee eten.’
‘Nou, daar ben ik blij om, want jij betaalt.’
Ik ben benieuwd of hij het zich nog herinnert als het straks zover is. Ik geloof er niks van.

