Biechtgeheim

Begin oktober is het alweer vierentwintig jaar geleden dat mijn vader overleed. Hij ging slapen en werd niet meer wakker. Zomaar. Mijn vader was ook nog niet oud, pas zesenzestig jaar. Ik denk wel dat, hoe hard ook voor ons, dit voor hem wel het mooiste was. Een ziekbed is hem in ieder geval bespaard gebleven.

Natuurlijk worden er nog heel vaak anekdotes verteld. Mijn vader was conservatief tot in zijn tenen en een overtuigd katholiek. Niet dat hij ons dit probeerde op te dringen maar toen ik wat ouder was, vond ik het heerlijk om daar met hem over te discussiëren. Ik vond het namelijk onvoorstelbaar dat een clubje oude mannen zoveel macht had. Mijn vader stond daar vanzelfsprekend heel anders tegenover. Toch geloof ik wel dat hij ook plezier had in onze gesprekken. Hij kapte het onderwerp in ieder geval nooit af.

Ik luisterde ook graag naar zijn verhalen over vroeger. Over zijn moeder, die meerdere keren per week naar de kerk ging. Over zijn tante, die in de buurt ‘kwezel’ werd genoemd. Ik moest het woord opzoeken, een kwezel is ‘een vrouw met een overdreven vroomheid en overeenkomstige levenswijze’. Ik heb die tante nooit gekend, mijn vader was een nakomertje en zijn familie was nog maar heel klein. Op zich wel jammer, ook dat had vast leuke verhalen opgeleverd.

Waar mijn vader ook altijd over vertelde, was over het fenomeen biechten. Zelfs hij vond dat iets raars. Hij vertelde ook altijd dat hij als kleine jongen iedere week moest van zijn moeder. Maar ja, welke vreselijke zonden bega je als je tien jaar oud bent. Gejokt, een koekje uit de trommel gepikt, het was iedere week hetzelfde. Vijf weesgegroetjes en je was weer klaar. Mijn vader vond het maar niks en keek in de catechismus of hij niet iets spannenders kon vinden. De volgende zondag zat hij verwachtingsvol in de biechtstoel. Het schuifje ging open en meneer pastoor vroeg wat hij deze week fout had gedaan. ‘Nou,’ zei mijn vader, ‘ik heb onkuisheid gepleegd.’ Rang, het schuifje ging met een klap dicht en meneer pastoor kwam uit zijn stoel gestoven. Hij pakte mijn vader bij zijn oor en zette hem zonder pardon de kerk uit. Toen hij het vertelde, kwam ik niet meer bij van het lachen. ‘Ja,’ zei hij verontwaardigd, ‘maar weet je wat het ergste was. Ik wist helemaal niet wat onkuisheid was. En niemand wilde het me uitleggen. Het heeft jaren geduurd voor ik er achter kwam.’ Arme pap, dat was nu eens een echt biechtgeheim.

Kaatje

Eigenlijk heeft ze het best wel goed getroffen. Ze mag hartstikke veel en met haar grote broer Stef mag ze allerlei avonturen beleven. Ze zijn al naar zee geweest zelfs. Poeh, dat was wel veel water. Maar Stef was er niet bang voor dus ze was er maar gewoon achteraan gehold. Als Stef het kon, mocht zij toch niet achterblijven. En het was gewoon heel leuk. 

Ook mag ze gewoon op de bank liggen. Dat is wel fijn want als ze dan over de leuning gaat hangen, kan ze mooi naar buiten kijken. Ze mag alleen niet blaffen als er mensen langs komen, dat is dan wel weer minder. Niet dat er heel veel mensen langs komen, maar ze wil toch altijd wel even laten merken dat ze er is. 

Met het vrouwtje gaat ze ook naar school. Dat is grappig. Daar zijn heel veel honden waar je mee kunt spelen. De meesten zijn groter dan zij maar dat deert haar niet. Met een aanloop kun je daar best bovenop springen. En meestal schrikken ze dan toch best. Soms, als ze te druk wordt, komt het vrouwtje haar halen. Ze protesteert dan wel maar eigenlijk is het niet zo erg. Want dan kan ze lekker afkoelen in het bad zonder dat ze gezichtsverlies lijdt. Het is ook leuk om het vrouwtje te plagen. Dan doen ze een oefening waarbij ze moet blijven zitten als het vrouwtje met haar rug naar haar toe wegloopt. Ha, ze loopt dan stiekem iedere keer mee. Maar laatst had het vrouwtje het daarover met de mevrouw van de hondenschool dus er zal wel iets gaan gebeuren. Hmm.  

Ze heeft ook al zo’n rare band om haar neus gekregen. Als ze dan aan de riem trekt, buigt haar hoofd naar beneden. Nou, dan ben je zo klaar met trekken. Dat is echt niet grappig.  

Wel was het vrouwtje laatst echt boos, dat zag ze wel. Ze had nl. voor de tweede keer in een week tijd de hondendeur kapot gemaakt. Ze kreeg niet op haar kop hoor, dat niet, want het vrouwtje had niet gezien dat ze dat had gedaan. Maar het vrouwtje was niet blij, dat was wel duidelijk. Ze heeft zich voorgenomen om daar nu maar af te blijven. Stel je voor dat ze overdag niet meer los in huis mag blijven. Dat zou toch wel heel vervelend zijn. Dan kan ze niet meer lepeltje – lepeltje tukken op de bank met Stef. 

Verantwoord eten

Vegan is tegenwoordig het toverwoord in de keuken. Je kunt geen tijdschrift openslaan of geen website bezoeken of je wordt met je neus op de feiten gedrukt. Alles moet verantwoord en vegetarisch. Vlees is iets dat niet meer kan. We hebben vervangers en we eten groenten. Vervangers, het klinkt bijna als sciencefiction. Dan denk ik terug aan het eten dat mijn moeder vroeger op tafel zette. We aten bijna iedere dag vlees, aardappelen en groente. In het weekend werd dit wel eens vervangen door nasi, iets nieuws in die tijd, of stevige soep. Maar in de week, als we naar school gingen en mijn vader moest werken, dan aten we Hollandse kost. Dat kon ook in de vorm van een ovenschotel, ik herinner me nog de prei- met aardappelpureeschotel. Wat mijn moeder er verder bij deed, heb ik eigenlijk nooit gevraagd. Maar het was wel heel lekker. Gewoon eenvoudig en eerlijk eten. Daar was toen nog niks mis mee. We aten bitterkoekjespudding, custardsaus over warme appels, suiker in overvloed. Dat was toen nog niet slecht. En eigenlijk was het ook niet slecht, want niet alles kwam uit een potje. Niet alles was chemisch behandeld met allerlei toevoegingen en e-nummers. Je kon het ook niet zo heel lang bewaren, eten bedierf veel eerder dan nu.

Ik weet ook zeker dat wij geen plofkip aten. Want mijn moeder wist precies waar het eten vandaan kwam. Ze haalde haar groenten en eieren bij boeren uit de buurt. Vlees kwam van de slager. Er kwam een man langs de deur met mosterd. Ik weet het nog goed, wij noemden hem oneerbiedig het mosterdmannetje en hij reed in een donkergroene NSU. Dat is allemaal verleden tijd, tegenwoordig kopen we alles in de supermarkt. NSU’s zijn niet meer zichtbaar in het straatbeeld. De boodschappen worden thuis bezorgd, dat wel, net als vroeger, maar toch is het anders. We weten niet meer waar ons eten vandaan komt. Supermarkten beconcurreren elkaar kapot. Ten koste van dierenwelzijn.

Maar uiteindelijk is het onze eigen schuld. Zolang wij niet meer willen betalen voor onze kippenpootjes, zullen er altijd misstanden blijven. En dat is iets waar ik wel rekening mee probeer te houden. Ik ben me er van bewust dat er veel dierenleed verborgen zit achter een plofkip. Kiloknallers zul je bij mij niet aantreffen. Liever minder en dan eerlijk.

Natuurlijk eet ik ook volgens de moderne richtlijnen. Niet te vet, niet te veel zout, veel groente. Maar als iedereen geniet van de gehaktballen die ik maak volgens het oude recept van mijn moeder, dan is dat voor mij toch wel een compliment. En dan zijn de food-influencers toch echt even vergeten.

Hoog risico hond

Eens in de zoveel tijd steekt de aloude discussie weer de kop op. ‘Moeten er maatregelen getroffen worden ten aanzien van Hoog Risico honden?’ Als bezitter van twee Engelse Staffordshire Bullterriërs gaat mij dat natuurlijk aan. Want Stef en Kaatje staan op die lijst. Meestal sta ik daar niet bij stil maar soms word ik met mijn neus op de feiten gedrukt. Want gaan we het fokken van die honden verbieden? Moeten ze voortaan een muilkorf gaan dragen? Of moeten de eigenaars van die honden misschien verplicht op training? Dat laatste zou ik best wel billijk vinden. Ik ben er nl. van overtuigd dat het niet ligt aan de honden maar aan de baasjes. Een potente hond als een Stafford, of een van de andere honden op de lijst, is heel makkelijk te verpesten.

Daarmee wil ik niet zeggen dat mijn honden nooit iets zullen doen. Helemaal niet. Ik wil alleen maar zeggen dat ik als eigenaar altijd verantwoordelijk ben. In de tijd dat mijn maatje en ik naar de camping in de Ardennen gingen, kwamen er vaak kinderen langs ons plekje lopen. Regelmatig vroegen ze, ‘mag ik de hond aaien?’ Dat mocht altijd. We bleven er bij en Stef liet het zich heerlijk welgevallen. Andere keren werd er gevraagd, ‘mogen wij Stef uitlaten?’ En dat mocht niet van ons. Nooit. Stel je voor. Je weet niet wat er gebeurt, de hond kan schrikken, het kind kan schrikken. En als Stef zich gaat verdedigen dan gaat het echt fout. Ik moet er niet aan denken, ik zou het mezelf nooit vergeven.

Als ik dan lees dat mensen een kruipende baby alleen in de kamer laten met een hond. Ik weet niet hoor, maar hoe dom kun je zijn. Een hond ziet een baby of een peuter als iemand die onder hem staat in de roedel. Die dus gecorrigeerd mag worden. En dat kan best lang goed gaan, maar dat kan ook weleens helemaal fout gaan. En dan zijn er alleen maar verliezers. Het kind, de ouders, de grootouders en ook de hond.

Daarom ben ik altijd alert. Want ik moet er niet aan denken dat ik met Stef of Kaatje naar de dierenarts moet. Ik moet het verstandigste zijn want de hond trekt altijd aan het kortste eind.

Gezellig uit eten

Ik ga graag uit eten. Heerlijk aan een tafel schuiven en op een kaart kijken wat je gaat eten. Wijntje erbij. Lekker kletsen over vanalles en nog wat. Mijn maatje en ik deden het geregeld. Graag met vrienden maar ook wel samen. Soms heel simpel en bij gelegenheden in een wat duurder restaurant hier in de buurt. Ook nu vind ik het nog steeds heerlijk. Als een goede vriend zegt, ‘zullen we vanavond..’, dan zeg ik altijd al ja voor hij is uitgesproken. We hebben hier in de buurt een restaurantje gevonden dat uitblinkt in kneuterigheid. Klein maar heel gezellig. Toen we laatst aanschoven en de serveerster met twee glazen witte wijn aan kwam zonder dat we iets hoefden te zeggen, zeiden we tegen elkaar; ‘we komen hier iets te vaak.’ 

Maar, het moet ook wel betaalbaar blijven. In Nederland uit eten gaan is best wel aan de prijs. Toch blijkt het in sommige andere streken nog veel en veel duurder te zijn. Ik las een bizar artikel waaruit blijkt dat sommige restaurants gewoon met elkaar afspreken dat ze data van klanten opslaan zodat ze kunnen screenen op de ‘grote uitgevers’. In Frankrijk, in St. Tropez, schijnt dat te gebeuren. Er is een database in het leven geroepen waarin keurig wordt bijgehouden wat je hebt uitgegeven en, ook belangrijk, hoeveel fooi je hebt gegeven. En als dat niet voldoende is, word je niet meer geaccepteerd. Dan is het helaas, maar alle plaatsen zijn al bezet. Behoorlijk illegaal, maar ja, als iedereen eraan meedoet. 

Het schijnt zelfs dat een Italiaanse gast ooit achterna is gelopen omdat hij te weinig fooi gaf. De arme man had 500 euro extra op tafel laten liggen maar werd toch als een gierigaard bestempeld. Ik denk niet dat ik snel in aanmerking kom voor een plaatsje in een dergelijk restaurant. Ik ben niet het prototype zuinige Hollander die geen fooi geeft, maar 500 euro vind ik toch wel een beetje te gek.  

Inmiddels is de burgemeester eraan te pas gekomen. Hij gaat met de plaatselijke restaurateurs in gesprek om hen te wijzen op hun verantwoordelijkheid. Als ik de de Franse mentaliteit zo eens bekijk, zal dat best onder het genot van een goed gerecht en een lekker glas wijn zijn. Ik ben benieuwd naar de maatregelen. 

Met de deur in huis vallen

Mijn grote vriend Stef is niet het toonbeeld van subtiliteit. Nooit geweest ook. In wezen is hij eigenlijk een beetje lomp. Heel lief, maar lomp. Hij bezorgt je in een handomdraai een blauwe plek waar je u tegen zegt. Toen Kaatje dus bij mij kwam wonen, had ik niet het idee dat ik nog een grotere sloper in huis zou halen. Bovendien, Kaatje is een meisje, die zal toch wel een beetje subtieler zijn.

Ha, dat had ik gedacht. Stef heeft in zijn tijd echt wel dingen kapot gemaakt. Het dure outdoor hondenkussen dat we hadden gekocht, was in een middag veranderd in een hoopje vodden. Het leek wel of er een grote sneeuwbui door de huiskamer was getrokken. Stef zat er trots bij te kijken. ‘Heb ik gedaan!’ Maar Kaatje, nee, die spant echt de kroon. De hondenmand laat ze met rust. Maar dat is denk ik meer omdat het Stef zijn domein is. Voor de rest heeft ze helemaal nergens ontzag voor.

Het kind is ook nergens bang voor. Ze stort zich met volle overgave in alle avonturen die op haar pad komen. En als ze denkt dat die avonturen misschien wel buiten plaatsvinden, dan rent ze met volle vaart door het hondenluik. Remmen? Nooit van gehoord!

Op een gegeven moment zat er zelfs een scheurtje in het kunststof. Ach, dacht ik, het is ook al niet zo nieuw meer. Ik koop tegen de winter wel een nieuw exemplaar. Inmiddels ben ik daar maar van afgestapt. De winter gaat het deurtje niet halen. Het hangt aan elkaar van duct-tape en de afsluitrand aan de buitenkant is zelfs al helemaal afgebroken. Dat heeft Stef in zijn elfjarige leven nog niet voor elkaar gekregen.

En wat nog erger is, Kaatje is amper te straffen. Als ze stout is geweest, en dat weet ze heel goed, loopt ze zelf al vast naar de bench. ‘Want daar zal ik dan toch wel weer in moeten.’ Dat is dan ook zo, maar twee minuten later hoor ik haar dan heel tevreden snurken. En als ze er uit mag, kijkt ze vol verwachting uit naar nieuwe avonturen. Het enige dat helpt, dat vindt ze echt heel erg, is negeren. Want ja, het is wel een vrouw natuurlijk, en die worden niet graag over het hoofd gezien.

Het zal heus wel goedkomen, ze is een puber en haar hormonen zitten ook in de weg. Maar soms kijken Stef en ik elkaar aan en dan denken we: ‘wat hebben we toch in huis gehaald.’

Energieleed

Afgelopen zondag was het weer zover, ik had geen warm water. Natuurlijk kom je daar altijd pas achter als je onder de douche wilt stappen. Maar goed, ik trok opgeruimd een badjas aan en klom de zoldertrap op. Tenslotte weet ik precies hoe ik de ketel bij moet vullen. Helaas had dat deze keer geen effect. Ik was er al bang voor want het display gaf een andere melding dan vorige keren. Ach, geen nood, ik heb een contract met Eneco dus ik ging gewoon de storingsdienst bellen. En dat ging ook prima, ik kreeg een hele vriendelijke meneer aan de telefoon die een keurige afspraak voor mij maakte, maandagochtend kwam de monteur.

Niet dus. Want een uur later kreeg ik een telefoontje van Eneco dat dat niet ging want mijn onderhoudscontract was beëindigd. Waarom, wanneer, door wie, dat was allemaal niet meer terug te vinden. Ik moest gewoon maandag om 09.00 uur even naar de klantenservice bellen, het contract weer activeren, dan de storingsdienst bellen en een nieuwe afspraak maken. Omdat ik heus wel begrijp dat de dame die ik sprak er ook niks aan kon doen, heb ik me ingehouden. Ik heb niet gescholden. Ik heb alleen maar verteld dat ik dat wel heel slecht vond. Want waarom wordt een contract gewoon beëindigd. Zonder reden. “Ja mevrouw, dat kan ik u ook niet vertellen.”

Maandagochtend om 09.00 uur hing ik bij Eneco aan de lijn. Na ongeveer 20 minuten in de wacht te hebben gestaan, kon ik mijn contract activeren en de storingsdienst bellen. Wat me weer een kwartier in de wacht opleverde. Maar, ik had een afspraak. Dinsdag tussen 11.00 en 14.00 uur. Ik verzette wat werkafspraken en zorgde dat ik om 11.00 uur thuis was. Wat fijn dat ik thuis kan werken.

De dag verstreek en het werd 14.00 uur. ‘Nee, nou niet gelijk gaan bellen, even wachten.’ Om half 3 kon ik er niet meer tegen en belde ik de storingsdienst. Weer een hele vriendelijke dame aan de telefoon. ‘Heeft onze onderaannemer u dan nog niet gebeld?’ Nee, dat was niet het geval. Ik voelde alweer een onzinnig gesprek aankomen dus ik vroeg het telefoonnummer van die onderaannemer, ‘dan ga ik die zelf wel bellen.’ De dame aan de andere kant gaf me het nummer en wenste me een fijne dag. Gelukkig zat ze niet binnen mijn handbereik.

Bij de onderaannemer werd ik echt heel vriendelijk behandeld. Alleen hadden ze helaas de opdracht teruggegeven aan Eneco omdat ik niet binnen hun postcodegebied woon. Op maandagmorgen al. En het was nu dinsdagmiddag kwart voor 3. En ik had nog altijd geen warm water. Nog een geluk dat het zomer is.

Laat ik een lang verhaal kort maken. De dame van de onderaannemer trok zich mijn lot aan en een supervriendelijke monteur heeft uiteindelijk ’s avonds om half acht gezorgd dat ik weer warm water heb. Er bestaan zeker heel klantvriendelijke bedrijven. Ze heten alleen geen Eneco.

Opruimwoede

Je hebt echte opruimgoeroe’s, zoals bijvoorbeeld Marie Kondo, die hele studies hebben gemaakt van ontspullen en hoe je dat volgens allerlei processen kunt doen. Ik ben een simpele ziel, ik ga gewoon weggooien. Volgens de eenvoudige stelregel ‘iets dat je een jaar niet gebruikt hebt, heb je niet meer nodig.’ Natuurlijk moet je daar wel enige nuance in aanbrengen, sommige dingen heb je echt niet nodig maar wil je gewoon bewaren. Omdat het een aandenken is of gewoon omdat je het mooi vindt. Maar ik kan heel gelukkig worden van opruimen. Ruimte in mijn huis geeft me ruimte in mijn hoofd.

Dus onlangs was het weer tijd. Er kwam een containertje en ik ging aan de slag. Volgens Marie Kondo moet je per categorie opruimen maar ik ga gewoon van boven naar beneden. Ik loop mijn zolder rond en beslis daar ter plekke wat er weg kan. Dat was veel, heel veel. Vooral de garage en het zoldertje op de garage hebben het moeten ontgelden. Heerlijk, ik bleef maar spullen in die bak kletteren. De overweging ‘word ik er gelukkig van en mag het daarom blijven’ ging daar helemaal niet op. Het was meer van ‘ha, ik kan er toch niks mee en het staat hier al een eeuwigheid spinrag te verzamelen.’ Soms moet je gewoon afscheid nemen. Bovendien ben ik van het kaliber ‘twee linkerhanden’ dus al die klusspullen zijn aan mij niet besteed. Gereedschap heb ik natuurlijk niet weggegooid. Stel je voor dat ik aan iemand moet vragen mij te komen helpen. Dan moet ik wel goed materiaal hebben. Zoveel heb ik wel geleerd van mijn maatje. Dat hij zelf alles dubbel had, was een ander verhaal.

Eenmaal gevuld, stond de container nog een paar dagen op de oprit voordat hij werd opgehaald. En wat me enorm verbaasde, was de interesse die voorbijgangers hadden in mijn troep. Er werd wat afgegraaid tussen die spullen, onvoorstelbaar. Uitslapen op zaterdagmorgen was er dat weekend niet bij. Om 7.00 uur werd er al gerommeld. De hond, wiens ochtendwandeling het eigenlijk was, stond er ongeduldig bij te kijken.

Het grappigste vond ik de jongeman die kwam aanbellen.

‘Mevrouw, ik ga altijd met mijn oma naar de rommelmarkt. Mag ik kijken of ik wat spulletjes uit uw container kan gebruiken?’

‘Natuurlijk mag dat, ga je gang, als je maar zorgt dat er geen spullen naast de container terecht komen.’

Even laten zag ik hem intens tevreden vertrekken met zijn buit. Toch weer iemand blij gemaakt.

Na het weekend werd de container gelukkig snel opgehaald. Ik werd er toch wat onrustig van, al die mensen die zich bemoeiden met mijn afval. Het was het uiteindelijk wel waard, ik heb weer meer ruimte. Overal.

Fantoompijn

Ik werd vanmorgen wakker uit een hele rare droom. Ik weet niet eens meer waar hij over ging, het was niet eng of zo, het was alleen maar vreemd. Ik had heel vast geslapen. En even, heel even, keek ik opzij en dacht: ‘Oh, Huub is al naar beneden.’ Zo maar een seconde. En toen dreunde het natuurlijk weer binnen.

‘Oh nee, natuurlijk niet, Huub is er niet meer.’

Voor mijn gevoel al zo lang geleden en toch nog als gisteren.

Zo gaat het ook met herinneringen. Daar heb je helemaal geen controle over. Ik rij naar mijn werk, zie een caravan rijden en hop, ik ben weer op vakantie. Of in de Ardennen. En dat gaat zo met heel veel dingen. Dat is ook logisch natuurlijk, ik heb een schat van 35 jaar aan herinneringen. Dat zijn er heel veel. We hebben heel veel gedaan, samen. Heel veel beleefd en heel veel gelachen.

En heel veel gehuild. Want natuurlijk zijn er ook herinneringen waar ik liever niet meer mee geconfronteerd word. We zijn in de loop van de jaren ook mensen verloren. Vaak veel te jong. En we werden geconfronteerd met tegenslagen en ongelukken. Dat kan niet anders als je zo lang bij elkaar bent. Het klinkt suf maar niemand haalt zonder krassen de eindstreep.

En nu, in de zomer en de vakantieperiode, zijn de herinneringen levendiger dan ooit. Mijn maatje zijn favoriete seizoen. Waarin hij samen met mij op vakantie ging met onze Eriba Puck-caravan. En later met het campertje dat hij ’t Duveltje had gedoopt. We waren op luxe campings maar ook op veredelde grasvelden. Het maakte allemaal niks uit, we hadden plezier. Later gingen we natuurlijk regelmatig naar de Ardennen.

De bootjes voor mijn huis in de haven herinneren me aan de dagen dat we door de Biesbosch voeren met ons bootje. Samen of met een hele groep. De keer dat ik met mijn zussen ging plassen. We gingen over een boomstam hangen, net zo makkelijk. Helaas zijn boomstammen rond. Hij rolde om en wij eindigden op onze rug met de benen omhoog. Wat hebben we gelachen. Gelukkig had niemand het gezien.

Een goede vriend noemde het onlangs ‘fantoompijn’. Helaas weet hij waarover hij spreekt dus ik nam het gelijk van hem aan. En eigenlijk is het ook wel zo. Want in dat hele korte moment, net na het wakker worden, was de wereld nog even zoals hij ooit was. Compleet.

Schrijffouten

Ik dacht altijd dat ik best goed was in onze Nederlandse taal. Dat ik best wist hoe en waar ik komma’s en hoofdletters moest gebruiken. Tenslotte word ik altijd redelijk narrig als mensen het hebben over me boek en zich irriteren aan mijn commentaar daarop. Natuurlijk maak ik ook fouten, dat weet ik echt wel. En soms krijg ik ook opmerkingen, zelfs van professionals, dat ik iets te veel spreektaal gebruik in mijn blogs. Ik probeer er op te letten. Maar, ik vond dat ik toch altijd wel aandacht schonk aan de manier waarop ik mijn teksten op papier zette.

Totdat een echte redacteur het verhaal dat ik heb geschreven voor de Texel-verhalenbundel Voetsporen onder ogen kreeg. En ik het weer terug ontving. Poeh, tijd voor een lesje nederigheid. Want er zat niet één fout in, er zaten ettelijke tientallen fouten in. Zeker, over het algemeen weet ik wel wanneer ik deetjes en teetjes moet gebruiken maar mijn interpunctie is echt om te huilen. Komma’s waar punten moesten, kleine letters die toch echt een hoofdletter moesten zijn. Oei, het was niet mals.

Het leuke en leerzame er van is, dat je ook zelf je fouten moet herstellen. En dan heel goed moet kijken of je geen nieuwe fouten maakt. Dat je een zin herschrijft omdat er een fout in zit, maar dat je dan bijvoorbeeld weer twee nieuwe maakt. Want dat kan zomaar gebeuren. En dan maak je je werk niet beter maar slechter.

Door al deze ervaringen krijg ik toch steeds meer ontzag voor alles dat komt kijken bij het proces van het uitgeven van een boek. Want dan is het verhaal geschreven en dan begint het pas. De schrijver denkt dat hij of zij een helder en duidelijk relaas op papier heeft gezet. Tenslotte kan de schrijver in het hoofd van de personages kijken, hij heeft ze immers zelf bedacht. Maar de lezer kan dat niet. Want die ziet alleen wat de schrijver laat zien. En die kan in zijn ongeduld of arrogantie nog wel eens denken, ‘nou, dat snap je toch wel.’

Ik ben erg blij dat ik aan het avontuur van de schrijfweek ben begonnen. Natuurlijk ook omdat het mijn allereerste vakantie alleen was. Maar ook omdat er ongelooflijk veel van leer. En wie weet, misschien lukt het me om het boek dat in mijn hoofd zit echt op papier te krijgen. Een boek, hoeveel fouten zullen daar dan wel niet in zitten. Arme redacteur.