Lomp

Ik heb altijd van Stef gezegd, ‘hij is heel lief, maar ook heel lomp.’ Hij doet altijd zijn kop omhoog als jij je vooroverbuigt naar hem. En zijn kop is hard. Bovendien is hij onstuimig. Hij bezorgt me regelmatig blauwe plekken. Maar dat was voor dat Kaatje bij ons kwam wonen. Want ik heb mijn mening over Stef toch echt bij moeten stellen. Hij is nog altijd lief, de liefste hond van de hele wereld. Maar lomp, dat valt eigenlijk best wel mee. Dat dacht ik altijd maar ik had geen vergelijkingsmateriaal. Want als je het over lomp en onbehouwen hebt, dan moet je toch echt bij Kaatje zijn. Ze is eigenlijk een beetje een gespleten persoonlijkheid. Aan de ene kant is het een heel lief en knuffelig meisje. Maar aan de andere kant is het die stuiterbal die met de snelheid van het licht door het hondenluik naar buiten knalt. Wat de reden is dat ik alweer een nieuw deurtje heb moeten bestellen. Het vorige deurtje is overleden. Eerst brak ze de tochtrand af. Die was al niet meer zo sterk omdat ze die net nadat het deurtje was geplaatst al onderhanden had genomen. De duct-tape heeft het toch nog een paar maanden gehouden. Maar nu was het weer klaar. Dus ik nam me voor om een nieuw te bestellen. De klep zat er nog dus het tochtte alleen maar een beetje langs de randen.

Het voornemen werd al snel urgent. ’s Avonds brak ook de klep in stukken en zat er weer een groot gat in mijn achterdeur. Nog een geluk dat het geen winter is.

Stef en Kaatje zelf vinden het wel makkelijk, ze kunnen nu helemaal eenvoudig naar buiten. En ik vertrouw er maar op dat er geen vreemde dieren naar binnen komen. ’s Nachts sluit ik het gat toch maar voor de zekerheid af. Stel je voor dat je ’s morgens beneden komt en er ligt een vreemde kat op de bank te tukken. Het zou al snel een heel spektakel worden, met Stef die de indringer zo snel mogelijk weer naar buiten wil hebben.

Er zijn aluminium deurtjes, maar die passen dan weer net niet in het gat dat er nu eenmaal al in de achterdeur zit. Voorlopig ben ik dus veroordeeld tot de kunststof exemplaren. Die ieder jaar wel weer vervangen zullen moeten worden. Het is niet anders.

Oma’s eetclub

Ik kom uit een gezin van vrouwen. Vier dochters, twee kleindochters, geen mannelijke nazaten. En omdat mijn vader, helaas, al vijfentwintig jaar niet meer bij ons is, is het een echt vrouwenbastion. Om dat te vieren, en omdat ze het gewoon ook heel gezellig vindt, wil mijn moeder graag een paar keer per jaar gaan lunchen. Met de dames, zoals zij dat noemt. Het valt nog niet altijd mee om een datum te vinden dat iedereen kan maar met wat goede wil is het nog altijd wel gelukt.

Vorige week was het weer zover. We hadden gereserveerd en iedereen zou om 12.00 uur present zijn. Ik ging mama ophalen, dat is praktisch, haar rollator past prima in mijn auto.

‘Die kun je inklappen hè.’

‘Ja mam, maar dat hoeft niet, dat past zo ook.’  

Toch lief dat ze me daar iedere keer weer op wijst.

Bij het restaurantje aangekomen was het zoals altijd weer passen, meten en puzzelen maar even later zaten we dan toch allemaal. De rollator werd door de vriendelijke eigenaar geparkeerd en we konden gaan beslissen wat we wilden eten. De uitgebreide kaart bood keuze genoeg. Op zo’n moment zie je mijn moeder gewoon genieten. Op de vraag wat ze wilde drinken, kwam ook een gedecideerd antwoord.

‘Ik wil ook graag een glas witte wijn.’

Nou nou, mam. Nee, heerlijk toch. Lekker genieten.

En dat doet mijn moeder dan ook. Ze kijkt, luistert, vertelt. En zeker, het halve restaurant moet verbouwd worden als ze even, aan de arm van mijn jongste zus, naar het toilet moet. Maar hé, als je 87 jaar oud bent, dan mag dat.

Na een paar uur eten, drinken, kletsen en lachen lopen we dan weer terug naar de auto’s. Mijn moeder in het midden. Een van mijn zussen merkte op, ‘daar loop je dan mam, met al je vrouwen.’ En inderdaad, ze was trots. Trots op ons maar ook toch op zichzelf.

Ik weet zeker dat ze de rest van de middag en avond niet veel heeft gedaan. Zo’n middag is best een aanslag en daar moet ze toch even van bijkomen. Maar het is het dubbel en dwars waard. Ik weet zeker dat er een volgende keer komt. Gelukkig.

Verjaardagen

Toch blijven verjaardagen een raar ding. Als je jong bent, kun je niet wachten. Wacht maar tot ik achttien ben, wacht maar tot ik eenentwintig ben. Uitgaan, een drankje doen, zelf dingen beslissen, het kan niet snel genoeg. Later verandert dat weer, dan zucht je eens diep als je dertig wordt, of als je veertig wordt. Daarna wordt het zelfs nog erger. En eigenlijk is het maar een getal. Want je voelt je echt niet ineens anders.

Ik ben ook niet zo van het vieren. Een feestje is gezellig maar omdat nu uitgerekend op je verjaardag te doen. Vroeger had ik ook altijd al een hekel aan familieverjaardagen. Dat we mee naar opa en oma moesten. Ik weet niet eens meer of we daar dan taart kregen. Het zal wel. Maar al snel werden wij kinderen naar buiten gebonjourd en moesten we ons daar maar vermaken. Nog een geluk dat we veel nichtjes en neefjes hadden.

Sommige verjaardagen waren wel gezellig, als je mensen tegenkwam die je eigenlijk maar één of twee keer per jaar zag. Maar meestal waren het toch verplichte nummers waar je vaak maar moeilijk onderuit kon. Vooral als het ging om wat oudere familieleden. Ik zal nooit de verjaardagen van tante Tina in het bejaardenhuis vergeten. Allemaal oudjes, de een had nog meer ziektes en kwalen dan de ander en die moesten allemaal besproken worden. In de auto terug naar huis hadden we dan wel weer veel plezier. Al die krakende bessen bij elkaar.

Nee, ik heb me voorgenomen, ik vier alleen nog maar kroonjaren. En ook niet meer thuis. Dat iedereen zwaait en zegt dat het gezellig was en dat je zelf met een diepe zucht denkt, ‘laat ik dan toch maar aan het opruimen slaan want morgen moet ik de restjes eisalade zo uit die schaaltjes bikken.’ Geen denken aan, gewoon ergens lekker met familie en vrienden gaan eten. Volgend jaar is het weer zo ver.

Gisteren zou mijn maatje eenenzestig jaar oud zijn geworden. Dat zou hij vast ook niet gevierd hebben. Natuurlijk denk ik op zo’n dag weer meer terug. En dan hoor ik hem weer zeggen, ‘uiteindelijk word je maar één dag ouder hoor Mach.’

Groene vingers

Van oudsher ben ik niet gezegend met groene vingers. Anders dan bij mijn moeder gaan de plantjes die ik verzorg regelmatig ter ziele. Of te veel water, of te weinig water, ik ben er niet handig in. Dat was vroeger op school al niet. Op de lagere school hadden ik en mijn klasgenoten vaak om en om de taak om voor de planten te zorgen. Het was te zien, de een was nog armetieriger dan de ander. In de vakantie gingen de planten mee naar huis. Zes weken geen water, dat overleeft zo’n arm ding natuurlijk sowieso niet. Door de goede zorgen van mijn moeder ging zo’n plant dan na de vakantie volledig opgeknapt weer mee terug. Een grotere metamorfose was bijna niet voor te stellen. ‘Je hebt zeker een nieuwe gekocht,’ mijn klasgenoten waren vaak heel jaloers.

Later, in mijn eigen huis, was het al niet veel beter gesteld. Bij het doen van boodschappen kreeg ik regelmatig van mijn moeder een plant. Ze kocht er dan ook een voor zichzelf. Eigenlijk was het niet eerlijk, want als ik dan bij mijn moeder kwam, liet ze me vol trots zien hoe goed die plant het deed. Stink-ding. Want bij mij thuis lagen natuurlijk de eerste blaadjes alweer naast de pot.

Tegenwoordig gaat het wel wat beter maar soms kan ik nog wel eens zuchten. Gelukkig heb ik de laatste tijd een reuze-excuus. En dat heet Kaatje. Kaatje is een echte vegetariër. Een bakje met bolletjes dat op tafel stond was vakkundig uitgegraven. De velletjes en scheuten lagen er nog maar de bolletjes waren opgegeten. En het ergste was, het bakje stond op de eettafel. Dus Kaatje kan echt heel goed springen.

Bij alle planten die nu het loodje leggen, kijk ik eerst onderzoekend naar mijn kleine hondje. Die kijkt me dan heel trouwhartig aan. Want het is echt niet altijd haar schuld. En bovendien is het vaak sterker dan zij is. Daar kun je niks aan doen, dat gebeurt gewoon. Ach, Stef heeft in zijn jonge tijd ook heel wat hortensia’s gekortwiekt, maar dat was ik eigenlijk alweer vergeten. En als het blijft bij wat plantjes, wat ik dan nog kan gebruiken als excuus als ik het zelf weer eens verprutst heb, dan mag ik toch echt niet klagen.

Andere mensen

Vaak is het zo, zeker naarmate je ouder wordt, dat je vrienden en kennissen hebt die een beetje hetzelfde in het leven staan als jij. Mijn maatje en ik hadden bewust geen kinderen en we merkten dat veel van onze vrienden ook geen kinderen hadden. Niet allemaal natuurlijk, dat zou wel heel beperkt zijn, maar toch. Als we naar de Ardennen gingen, trokken we ook op met mensen die het gezellig vonden om op een terrasje te zitten en een keer uit eten te gaan. Het is geen bewuste keuze, het loopt gewoon zo.

Terwijl het wel heel erg leuk is om te luisteren naar mensen die helemaal anders in het leven staan. Ik hou daarvan. En soms kom je dan ineens zo iemand tegen. Omdat de nieuwe huurder van je bedrijfspandje in een parallel universum lijkt te leven. Een jonge vent, werkt enorm hard, maar wel vanaf 12.00 uur ’s middags. Dat mag, hij is eigen baas dus hij bepaalt zijn eigen uren. En als je dan van zijn buurman een berichtje krijgt dat er vaak ’s nachts nog licht aan is, dan ga je toch eens even vragen. Dus ik appte hem, ‘heb je tijd voor koffie, dan kom ik even langs.’ Vol trots liet hij mij zijn nieuwe apparatuur zien, zijn nieuwe briefpapier, zijn nieuwe logo. Ik moest overal mee naar gaan kijken. Van veel dingen snapte ik absoluut niet waar ze voor dienden maar dat kon zijn geestdrift niet temperen. Hij bleef maar vertellen.

Ook zijn privéleven ziet er heel anders uit dan dat van mij. Logisch, hij is jong en ik niet meer zo heel erg. Maar toch. Ik ben gestructureerd en hij is het tegenovergestelde. Maar zijn enthousiasme is grenzeloos. Natuurlijk, ik zie een lange slungel met een vlassig baardje en ik denk, ach, ach, jongen, scheer dat toch af. Maar hij vindt het leuk als ik kom en ik merk geen enkele terughoudendheid over het feit dat we zoveel in leeftijd schelen. Misschien ziet hij mij wel als een moederfiguur, dat zou natuurlijk kunnen, maar hij behandelt me in ieder geval niet als een oud mens.

En ik leer ook weer van hem. Dat het niet nodig is om altijd van 9 tot 5 te werken. Als je maar plezier hebt in je werk. En dat je best koffie kunt drinken uit een glazen potje, er hoeft helemaal niet per se een oortje aan te zitten. Ook hij is een paradijsvogel, heerlijk, daar hou ik van.

Lentekriebels

Een paar weken geleden schreef ik over lente en wat dat voor gevoel oproept. Toch heeft beter weer en meer licht ook een andere uitwerking op mij. In de winter doe ik eigenlijk niet veel. Maar als het dan lente dreigt te worden, dan wil ik toch gaan opruimen. Gelukkig doen we niet meer aan de voorjaarsschoonmaak, dat gaat me dan weer te ver, maar er moet wel wat gebeuren. De tuin moet opgeruimd worden, in huis moet er een en ander gebeuren. Dit jaar is zelfs de binnenboel geschilderd. Heerlijk, alles ziet er weer fris uit. Nu kan ik met een gerust hart in de tuin gaan rommelen.

En dan binnenkort, wie weet, zo op zaterdag aan het eind van de middag, lekker op mijn eigen terrasje zitten met een glaasje wijn. Stef en Kaatje lui in de zon, heerlijk. Ik kan niet wachten.

Kaatje onder het mes

Ach die Kaatje, is ze eindelijk een groot meisje geworden, moet ze onder het mes om daar weer een eind aan te maken. Want tja, ik wil echt geen puppy’s dus waarom zouden we het risico lopen. En een loopse Kaatje was ook niet echt een feest dus maakte ik een afspraak bij de dierenarts. Afgelopen dinsdag was het zover, Kaatje werd gesteriliseerd.

Mijn ervaringen met de dierenartsenpraktijk waar ik al veel jaren kom, zijn erg goed. Ik werd ook weer uitgebreid voorgelicht over wat ik wel en wat ik niet moest doen. Het begon er natuurlijk al mee dat Kaatje nuchter moest komen. Arm meisje, ze heeft ’s morgens een scheurende honger. Net als Stef. Ik had wel bedacht dat ik dan Stef ook pas eten zou geven als ik Kaatje had weggebracht. Anders was het wel heel erg zielig. Stef en Kaatje vonden zichzelf sowieso heel zielig. Want wie had er nou bedacht dat ze geen eten kregen. Dat was toch gewoon mishandeling. Stef stond me verwijtend aan te kijken en Kaatje bleef maar bij het kastje staan waar de bak met brokjes staat.

Bij de dierenarts ging ze braaf op de weegschaal. En daarna vrolijk springend met de assistente mee. Kaatje vindt alles een avontuur dus ze keek niet eens om. Wat heerlijk als je je zo onbevangen overal in stort. Daar stonden we dan, met ons goede gedrag. ‘We bellen tussen twaalf en één, behalve als er iets is, dan bellen we eerder.’ Toch spannend.

Thuis kreeg Stef eindelijk zijn brokken. Hij viel eropaan alsof hij al weken niks te eten had gehad, de aansteller. Daarna kwam het besef dat Kaatje niet mee terug was gekomen. Hé, dat was een beetje raar. Maar goed, het is ook wel lekker om alleen de aandacht te krijgen van het vrouwtje. En dus stiefelde hij vrolijk mee naar boven toen ik daar ging werken. Heerlijk op het kussen, zonder dat je plekje wordt ingepikt als je even bent wezen plassen.

Gelukkig (en ik wilde bijna zeggen natuurlijk) ging het allemaal goed met Kaatje en om twee uur konden we haar weer halen. Heel hip gekleed in een mooi rompertje. En toch nog een beetje wazig van de narcose. Die avond lag ze voornamelijk te slapen. Wat een rustig beestje.

Dat was de dag erna alweer over. Kaatje was er weer. ‘Rustig, rustig.’ Je kunt het beter tegen de stoelpoot zeggen, die luistert beter. Maar het ziet er allemaal mooi uit en Kaatje vindt het prima om het rompertje te dragen. Ze moppert niet en probeert er ook niet aan te trekken. Ach, en ze hoeft het maar anderhalve week aan, dat is niet zo heel lang toch. Ik heb goede hoop dat het ding het redt, tot aan de controle.

Toch ben ik wel trots op mijn kleine meisje. Ze ondergaat het toch allemaal maar en ze moppert nooit. Wat dat betreft is het een echt Staffordje.

Paradijsvogels

Als je Wikipedia raadpleegt, vind je bij het onderwerp Paradijsvogels de volgende omschrijving: ‘Paradijsvogels (Paradisaeidae) zijn een familie van vogels uit de orde zangvogels, die vrijwel beperkt is tot Nieuw-Guinea en omringende eilanden, en het noordoosten van Australië. Enkele soorten komen ook op de Molukken voor. De paradijsvogels zijn uitgedost met zeer weelderige veren. Dit is het resultaat van ver doorgeschoten seksuele selectie wat mogelijk was door het ontbreken van natuurlijke vijanden.’

Ik was bijna verrast, het woord paradijsvogel heeft voor mij een hele andere betekenis. Gelukkig kon ik die ook vinden: ‘Wat betekent de uitdrukking paradijsvogel? Paradijsvogel (figuurlijk), iemand met een excentrieke, kleurrijke levenswijze.’

Kijk, en dat komt al veel meer in de richting. Ik hou namelijk van paradijsvogels. Van mensen die zich niks aantrekken van de buitenwereld en hun eigen leven leiden. En dan bedoel ik niet de egoïsten die maar doen wat ze willen zonder rekening te houden met een ander. Nee, die man die een roze tuxedo leuk vindt en die dus dan gewoon aantrekt. Of die vrouw die standaard een pauwenveer in het haar draagt. En vervolgens met haar Volkswagen-campertje naar Zuid-Spanje trekt om te overwinteren. Alwaar ze de standaard-overwinteraars, de grijze duiven met een beetje centjes, tot wanhoop drijft. De vrouwen van jaloezie omdat hun mannen naar haar kijken en de mannen van jaloezie omdat hun vrouwen er niet zo spannend uit zien.

Ga maar op een mooie lentedag op een terrasje zitten in een willekeurige stad. Dan komen ze voorbij. Ze zijn zichzelf waarschijnlijk helemaal niet bewust van het feit dat ik hen nakijk. Daar zijn ze niet mee bezig. Het is immers niet belangrijk wat een ander vindt.

Heerlijk. Zij geven kleur aan ons dagelijks leven. Ik mag daar graag naar kijken. Ik kan er ook veel van leren. Want ik ben niet zo. Ik ben wat dat betreft veel behoudender. En veel meer van de zekerheden. Dat is ook prima, het is maar goed dat niet iedereen hetzelfde is, maar het zijn wel mooie verhalen. Verhalen die ik mooi kan gebruiken voor de verhalen die ik zelf wil schrijven. Want alleen als je Hendrik Groen heet, kun je inspiratie vinden in een bejaardenhuis.

Lente

Ondanks het vreselijke weer van de afgelopen dagen zit er toch al een beetje lente in de lucht. Ik hoor de meerkoeten al weer bezig in de haven en ik ruik het ook al een beetje. Ik weet niet, winter ruikt anders dan lente. Het lijkt wel of je in de winter helemaal niks ruikt. Behalve natuurlijk als het gesneeuwd heeft en de hele wereld lijkt nieuw. Maar als het regent en stormt, zoals de afgelopen weken, dan valt er buiten weinig te beleven.

Zoals ieder jaar kan ik niet wachten om weer aan de slag te gaan in de tuin. Ik wil harken, opruimen, potten vullen en bloemen planten. Er moet weer kleur komen. Helaas, als ik dan in mijn tuintje rond kijk, valt er nog weinig plezier te beleven. Je zakt zowat tot je enkels in de modder. Gelukkig hebben de stokrozen en de lupines het overleefd. Maar de canna ziet er uit alsof er een bulldozer overheen is gereden. Arme plant. Hij is zo dapper blijven groeien nadat Kaatje hem vorig jaar halveerde. Het zal toch niet zo zijn dat hij nu alsnog het loodje gaat leggen.

Maar, de hortensia’s lopen al uit. Ook die zijn vorig jaar gehalveerd, maar dan door mijn eigen snoeischaar. Ik hoop dat ik dit jaar wel bloemen krijg. De ene kenner zegt van wel en de andere kenner zegt van niet. Ik wacht maar af. Het snoeien was nodig dus het is niet anders.

Toch is dit ook wel weer de tijd dat ik mijn maatje meer mis. Ook hij kon niet wachten tot het lente werd. Dan konden we tenminste weer naar de Ardennen. Naar zijn geliefde plekje aan het water. ‘Als het maar eens half maart is, dan gaat het weer de goede kant uit.’

Ik mis ook mijn vriendin. In de lente deden we weer een dagje sauna samen. Naast heerlijk relaxen ons ook verbazen over alles wat groeit en bloeit en ons altijd weer boeit.

Wat kan een leven toch veranderen. Vroeger stond ik te springen als het lente werd, ik kon niet wachten. Dat gevoel is er nog steeds wel, maar nu is er ook een gevoel van melancholie. Het is allemaal zo anders geworden. Het is ook goed maar het is anders. En daar ben ik nog steeds niet aan gewend.

Oud mannetje

Hij wordt nu echt een oude man, mijn grote vriend Stef. Niet alleen door zijn grijze snoet maar ook door zijn gedrag. Hij hoeft niet zo nodig meer uren te lopen en hij hoeft ook niet meer te rennen. Als je hem van de riem laat, rent hij voor de vorm een stukje en komt dan weer gezellig bij je lopen. Hij vindt het heerlijk om op zijn comfortabele (nieuwe) kussen naast mijn bureau te liggen als ik thuis aan het werk ben. Ach, hij is tenslotte ook al elfenhalf jaar oud. Voor een hond een hele leeftijd.

Omdat ik vond dat hij ook af en toe wat stram ging lopen, maakte ik toch maar een afspraak bij de dierenarts. Want tja, het kan natuurlijk goed zijn dat hij beginnende artrose heeft. Ik zou er niet van staan te kijken. En ik snap dat daar weinig aan te doen is maar wellicht kunnen we hem iets geven om hem te ontlasten. Want mijn ventje mag natuurlijk geen pijn hebben. Dat zou vreselijk zijn.

Dus mocht hij vrijdag mee. Zonder Kaatje. Dat vond hij prima, dat kleine drakenkind mag toch al altijd mee. Het is ook wel eens lekker om zo samen met het vrouwtje op pad te gaan. Tot ik hem zag denken ‘Ai, maar dat was niet de bedoeling. Gingen ze weer naar dat gebouw waar het zo raar ruikt. En waar mensen steeds in zijn lijf knijpen of rare dingen in zijn neus spuiten. Laatst hadden ze gewoon een stuk van zijn haar afgeschoren. En het duurde toch lang voordat dat weer was aangegroeid, onvoorstelbaar.’ Arme hond, zo voor de gek gehouden.

En dan zie je toch weer wat een superhond mijn Stefke is. Hij doet niet lelijk en stapt gelaten mee naar binnen. Hij bromt niet, gromt niet en is gewoon lief voor iedereen die hij tegenkomt. Hij vindt het wel allemaal superspannend en dat is te horen. Maar dat levert hem ook weer snoepjes op want alle assistentes vinden hem schattig. De stinkerd.

Helaas werd er inderdaad beginnende artrose geconstateerd. In diverse gewrichten. En dus gaat Stef aan de medicatie. Over twee weken gaan we weer terug om het vervolgtraject te bespreken. Het maakt me niet uit wat dat is. Als Stef er maar wel bij vaart. Want ik wil hem nog lang niet kwijt, mijn mannetje.