
Het bestaat nog, de mannen die de grootte van hun ego ontlenen aan de grootte van hun auto. Ik dacht dat we daar nu inmiddels wel overheen gegroeid waren. Tenslotte zie je ook die auto’s met enorme taartscheppen als spoiler achterop bijna niet meer in het straatbeeld. De Tupperware-uitvoering is toch wel verdwenen uit de folders van de autodealers.
Maar toch, onlangs, terwijl ik op mijn gemak naar huis reed, stak het fenomeen weer even de kop op. Op weg naar huis rijd ik meestal over een dijkje. Om de snelheid er uit te halen, zijn er wegversmallingen geplaatst. Heel eerlijk, de ene keer heb je voorrang, de andere keer moet je wachten tot je tegenligger je gepasseerd is. Niks aan de hand, zou je zeggen. Nu wil het geval dat mijn eigen auto, niet groot maar ook niet heel klein, voor het repareren van een schade in de garage staat. Nee, nee, ik heb niet tegen een paaltje aan gezeten (alweer) en ik heb me ook in parkeergarages keurig aan de rijrichting gehouden. Iemand nam de bocht te krap en kwam daarbij in aanraking met de achterkant van mijn auto. En dus heb ik een leenauto. Een heel fijn autootje, maar een stukje kleiner dan mijn eigen vervoermiddel.
En de bestuurder van de dikke SUV die mij tegemoet kwam, had waarschijnlijk hetzelfde vooroordeel in zijn hoofd. Klein autootje, zal wel een vrouw zijn, dus ik kan wel gewoon voorrang nemen. Ik zag het gebeuren. Hij ging pontificaal in het midden van de weg rijden. Maar ja, dat kan ik ook. Even nog dacht ik, het zou wel sukkelig zijn als ik deze auto ook met schade terug moet geven, maar toch. Ik heb een hekel aan machogedrag en tenslotte had ik voorrang. Zo’n bord staat er niet voor niks. Even zag ik de bestuurder van de auto twijfelen en toen stuurde hij toch maar naar rechts om te wachten. Ik zette mijn vriendelijkste gezicht op en passeerde de versmalling. Ik heb niet gekeken wie er in de auto zat, dat boeide niet meer. Je hoeft het er ook niet enorm in te wrijven.
Want tenslotte plaste ik toch het verste.









