Met de deur in huis vallen

Mijn grote vriend Stef is niet het toonbeeld van subtiliteit. Nooit geweest ook. In wezen is hij eigenlijk een beetje lomp. Heel lief, maar lomp. Hij bezorgt je in een handomdraai een blauwe plek waar je u tegen zegt. Toen Kaatje dus bij mij kwam wonen, had ik niet het idee dat ik nog een grotere sloper in huis zou halen. Bovendien, Kaatje is een meisje, die zal toch wel een beetje subtieler zijn.

Ha, dat had ik gedacht. Stef heeft in zijn tijd echt wel dingen kapot gemaakt. Het dure outdoor hondenkussen dat we hadden gekocht, was in een middag veranderd in een hoopje vodden. Het leek wel of er een grote sneeuwbui door de huiskamer was getrokken. Stef zat er trots bij te kijken. ‘Heb ik gedaan!’ Maar Kaatje, nee, die spant echt de kroon. De hondenmand laat ze met rust. Maar dat is denk ik meer omdat het Stef zijn domein is. Voor de rest heeft ze helemaal nergens ontzag voor.

Het kind is ook nergens bang voor. Ze stort zich met volle overgave in alle avonturen die op haar pad komen. En als ze denkt dat die avonturen misschien wel buiten plaatsvinden, dan rent ze met volle vaart door het hondenluik. Remmen? Nooit van gehoord!

Op een gegeven moment zat er zelfs een scheurtje in het kunststof. Ach, dacht ik, het is ook al niet zo nieuw meer. Ik koop tegen de winter wel een nieuw exemplaar. Inmiddels ben ik daar maar van afgestapt. De winter gaat het deurtje niet halen. Het hangt aan elkaar van duct-tape en de afsluitrand aan de buitenkant is zelfs al helemaal afgebroken. Dat heeft Stef in zijn elfjarige leven nog niet voor elkaar gekregen.

En wat nog erger is, Kaatje is amper te straffen. Als ze stout is geweest, en dat weet ze heel goed, loopt ze zelf al vast naar de bench. ‘Want daar zal ik dan toch wel weer in moeten.’ Dat is dan ook zo, maar twee minuten later hoor ik haar dan heel tevreden snurken. En als ze er uit mag, kijkt ze vol verwachting uit naar nieuwe avonturen. Het enige dat helpt, dat vindt ze echt heel erg, is negeren. Want ja, het is wel een vrouw natuurlijk, en die worden niet graag over het hoofd gezien.

Het zal heus wel goedkomen, ze is een puber en haar hormonen zitten ook in de weg. Maar soms kijken Stef en ik elkaar aan en dan denken we: ‘wat hebben we toch in huis gehaald.’

Energieleed

Afgelopen zondag was het weer zover, ik had geen warm water. Natuurlijk kom je daar altijd pas achter als je onder de douche wilt stappen. Maar goed, ik trok opgeruimd een badjas aan en klom de zoldertrap op. Tenslotte weet ik precies hoe ik de ketel bij moet vullen. Helaas had dat deze keer geen effect. Ik was er al bang voor want het display gaf een andere melding dan vorige keren. Ach, geen nood, ik heb een contract met Eneco dus ik ging gewoon de storingsdienst bellen. En dat ging ook prima, ik kreeg een hele vriendelijke meneer aan de telefoon die een keurige afspraak voor mij maakte, maandagochtend kwam de monteur.

Niet dus. Want een uur later kreeg ik een telefoontje van Eneco dat dat niet ging want mijn onderhoudscontract was beëindigd. Waarom, wanneer, door wie, dat was allemaal niet meer terug te vinden. Ik moest gewoon maandag om 09.00 uur even naar de klantenservice bellen, het contract weer activeren, dan de storingsdienst bellen en een nieuwe afspraak maken. Omdat ik heus wel begrijp dat de dame die ik sprak er ook niks aan kon doen, heb ik me ingehouden. Ik heb niet gescholden. Ik heb alleen maar verteld dat ik dat wel heel slecht vond. Want waarom wordt een contract gewoon beëindigd. Zonder reden. “Ja mevrouw, dat kan ik u ook niet vertellen.”

Maandagochtend om 09.00 uur hing ik bij Eneco aan de lijn. Na ongeveer 20 minuten in de wacht te hebben gestaan, kon ik mijn contract activeren en de storingsdienst bellen. Wat me weer een kwartier in de wacht opleverde. Maar, ik had een afspraak. Dinsdag tussen 11.00 en 14.00 uur. Ik verzette wat werkafspraken en zorgde dat ik om 11.00 uur thuis was. Wat fijn dat ik thuis kan werken.

De dag verstreek en het werd 14.00 uur. ‘Nee, nou niet gelijk gaan bellen, even wachten.’ Om half 3 kon ik er niet meer tegen en belde ik de storingsdienst. Weer een hele vriendelijke dame aan de telefoon. ‘Heeft onze onderaannemer u dan nog niet gebeld?’ Nee, dat was niet het geval. Ik voelde alweer een onzinnig gesprek aankomen dus ik vroeg het telefoonnummer van die onderaannemer, ‘dan ga ik die zelf wel bellen.’ De dame aan de andere kant gaf me het nummer en wenste me een fijne dag. Gelukkig zat ze niet binnen mijn handbereik.

Bij de onderaannemer werd ik echt heel vriendelijk behandeld. Alleen hadden ze helaas de opdracht teruggegeven aan Eneco omdat ik niet binnen hun postcodegebied woon. Op maandagmorgen al. En het was nu dinsdagmiddag kwart voor 3. En ik had nog altijd geen warm water. Nog een geluk dat het zomer is.

Laat ik een lang verhaal kort maken. De dame van de onderaannemer trok zich mijn lot aan en een supervriendelijke monteur heeft uiteindelijk ’s avonds om half acht gezorgd dat ik weer warm water heb. Er bestaan zeker heel klantvriendelijke bedrijven. Ze heten alleen geen Eneco.

Opruimwoede

Je hebt echte opruimgoeroe’s, zoals bijvoorbeeld Marie Kondo, die hele studies hebben gemaakt van ontspullen en hoe je dat volgens allerlei processen kunt doen. Ik ben een simpele ziel, ik ga gewoon weggooien. Volgens de eenvoudige stelregel ‘iets dat je een jaar niet gebruikt hebt, heb je niet meer nodig.’ Natuurlijk moet je daar wel enige nuance in aanbrengen, sommige dingen heb je echt niet nodig maar wil je gewoon bewaren. Omdat het een aandenken is of gewoon omdat je het mooi vindt. Maar ik kan heel gelukkig worden van opruimen. Ruimte in mijn huis geeft me ruimte in mijn hoofd.

Dus onlangs was het weer tijd. Er kwam een containertje en ik ging aan de slag. Volgens Marie Kondo moet je per categorie opruimen maar ik ga gewoon van boven naar beneden. Ik loop mijn zolder rond en beslis daar ter plekke wat er weg kan. Dat was veel, heel veel. Vooral de garage en het zoldertje op de garage hebben het moeten ontgelden. Heerlijk, ik bleef maar spullen in die bak kletteren. De overweging ‘word ik er gelukkig van en mag het daarom blijven’ ging daar helemaal niet op. Het was meer van ‘ha, ik kan er toch niks mee en het staat hier al een eeuwigheid spinrag te verzamelen.’ Soms moet je gewoon afscheid nemen. Bovendien ben ik van het kaliber ‘twee linkerhanden’ dus al die klusspullen zijn aan mij niet besteed. Gereedschap heb ik natuurlijk niet weggegooid. Stel je voor dat ik aan iemand moet vragen mij te komen helpen. Dan moet ik wel goed materiaal hebben. Zoveel heb ik wel geleerd van mijn maatje. Dat hij zelf alles dubbel had, was een ander verhaal.

Eenmaal gevuld, stond de container nog een paar dagen op de oprit voordat hij werd opgehaald. En wat me enorm verbaasde, was de interesse die voorbijgangers hadden in mijn troep. Er werd wat afgegraaid tussen die spullen, onvoorstelbaar. Uitslapen op zaterdagmorgen was er dat weekend niet bij. Om 7.00 uur werd er al gerommeld. De hond, wiens ochtendwandeling het eigenlijk was, stond er ongeduldig bij te kijken.

Het grappigste vond ik de jongeman die kwam aanbellen.

‘Mevrouw, ik ga altijd met mijn oma naar de rommelmarkt. Mag ik kijken of ik wat spulletjes uit uw container kan gebruiken?’

‘Natuurlijk mag dat, ga je gang, als je maar zorgt dat er geen spullen naast de container terecht komen.’

Even laten zag ik hem intens tevreden vertrekken met zijn buit. Toch weer iemand blij gemaakt.

Na het weekend werd de container gelukkig snel opgehaald. Ik werd er toch wat onrustig van, al die mensen die zich bemoeiden met mijn afval. Het was het uiteindelijk wel waard, ik heb weer meer ruimte. Overal.

Fantoompijn

Ik werd vanmorgen wakker uit een hele rare droom. Ik weet niet eens meer waar hij over ging, het was niet eng of zo, het was alleen maar vreemd. Ik had heel vast geslapen. En even, heel even, keek ik opzij en dacht: ‘Oh, Huub is al naar beneden.’ Zo maar een seconde. En toen dreunde het natuurlijk weer binnen.

‘Oh nee, natuurlijk niet, Huub is er niet meer.’

Voor mijn gevoel al zo lang geleden en toch nog als gisteren.

Zo gaat het ook met herinneringen. Daar heb je helemaal geen controle over. Ik rij naar mijn werk, zie een caravan rijden en hop, ik ben weer op vakantie. Of in de Ardennen. En dat gaat zo met heel veel dingen. Dat is ook logisch natuurlijk, ik heb een schat van 35 jaar aan herinneringen. Dat zijn er heel veel. We hebben heel veel gedaan, samen. Heel veel beleefd en heel veel gelachen.

En heel veel gehuild. Want natuurlijk zijn er ook herinneringen waar ik liever niet meer mee geconfronteerd word. We zijn in de loop van de jaren ook mensen verloren. Vaak veel te jong. En we werden geconfronteerd met tegenslagen en ongelukken. Dat kan niet anders als je zo lang bij elkaar bent. Het klinkt suf maar niemand haalt zonder krassen de eindstreep.

En nu, in de zomer en de vakantieperiode, zijn de herinneringen levendiger dan ooit. Mijn maatje zijn favoriete seizoen. Waarin hij samen met mij op vakantie ging met onze Eriba Puck-caravan. En later met het campertje dat hij ’t Duveltje had gedoopt. We waren op luxe campings maar ook op veredelde grasvelden. Het maakte allemaal niks uit, we hadden plezier. Later gingen we natuurlijk regelmatig naar de Ardennen.

De bootjes voor mijn huis in de haven herinneren me aan de dagen dat we door de Biesbosch voeren met ons bootje. Samen of met een hele groep. De keer dat ik met mijn zussen ging plassen. We gingen over een boomstam hangen, net zo makkelijk. Helaas zijn boomstammen rond. Hij rolde om en wij eindigden op onze rug met de benen omhoog. Wat hebben we gelachen. Gelukkig had niemand het gezien.

Een goede vriend noemde het onlangs ‘fantoompijn’. Helaas weet hij waarover hij spreekt dus ik nam het gelijk van hem aan. En eigenlijk is het ook wel zo. Want in dat hele korte moment, net na het wakker worden, was de wereld nog even zoals hij ooit was. Compleet.